
De Nationale buurkrachtmonitor 2026 laat zien dat gemeenten en bewoners elkaar beter vinden. Maar wie mag er werkelijk meepraten, meebeslissen en mee vormgeven aan de toekomst van de buurt?
De samenwerking tussen gemeenten en bewonersinitiatieven krijgt in de Nationale buurkrachtmonitor 2026 een 6,6. Een half punt hoger dan vorig jaar. Dat is goed nieuws. Bewoners en gemeenten zien bovendien allebei de waarde van samenwerken.
Maar in hetzelfde onderzoek geven bewoners het vroeg betrokken worden bij plannen een 4,9. Hun invloed op die plannen krijgt een 5,4. Meebeslissen een 5,3. De relatie verbetert, terwijl de zeggenschap achterblijft.
Dat is geen tegenstrijdigheid in de cijfers. Het is de kern van het vraagstuk.
Aan tafel komen is nog geen invloed hebben
Gemeenten praten vaker met bewoners. Ambtenaren zien hen steeds vaker als partners. Bewonersinitiatieven weten hun weg naar het gemeentehuis beter te vinden. Dat verdient erkenning.
Maar wie pas mag aanschuiven wanneer de opgave is omschreven, het budget is verdeeld en de belangrijkste keuzes al zijn gemaakt, kan hooguit reageren op het plan van een ander.
Uitgenodigd worden is iets anders dan mede richting geven. Luisteren is iets anders dan handelen. Meedoen is iets anders dan macht delen.
De monitor laat zien dat beide kanten dit aanvoelen. Bewoners vragen om eerdere betrokkenheid, heldere communicatie en een vaste contactpersoon. Ambtenaren willen meer vertrouwen, duidelijkere afspraken en ruimte om sneller te handelen. Toch noemt 44 procent van de gemeenten de relatie een min of meer gelijkwaardig partnerschap, tegenover 30 procent van de bewonersinitiatieven.
Kennelijk kun je oprecht willen samenwerken en toch verschillend ervaren hoeveel ruimte er werkelijk is.
Niet de wil, maar de inrichting
Het zou gemakkelijk zijn om van die uitkomst een verhaal te maken over gemeenten die niet luisteren. Maar daarmee doen we ook de ambtenaren tekort die dagelijks proberen ruimte te maken voor bewonersinitiatieven.
Zij lopen zelf aan tegen versnipperd beleid, beperkte capaciteit, wisselende contactpersonen, trage besluitvorming en subsidies die maar tijdelijk beschikbaar zijn. Een bewoner die iets voor de buurt wil opbouwen, heeft ondertussen geen boodschap aan de grenzen tussen gemeentelijke afdelingen. Een ontmoetingsplek raakt aan welzijn, zorg, wonen, veiligheid en soms ook aan armoede. Het leven in de buurt houdt zich niet aan de gemeentelijke begrotingsindeling.
Precies daar ontstaat de frictie. Een gemeente vraagt om initiatief, maar kan niet altijd tijdig antwoorden. Zij spreekt over vertrouwen, maar verlangt eerst een dichtgetimmerd plan. Zij zoekt een duurzame relatie, terwijl de financiering na een jaar opnieuw onzeker is.
Dan schort het niet alleen aan houding. Dan moet ook de organisatie veranderen.
Bewonerskracht is geen beleidsinstrument
De beweging van markt naar mens vraagt dat we de volgorde omdraaien. Niet beginnen bij het beschikbare product, de regeling of het gemeentelijke doel, maar bij wat mensen in hun dagelijks leven proberen mogelijk te maken. De visie op Verruimde Horizon beschrijft de sociale basis daarom niet als goedkope voorliggende voorziening, maar als een waardevol deel van het gewone leven: plekken en verbanden waarin mensen elkaar ontmoeten, steunen en verantwoordelijkheid delen.
Dat onderscheid doet ertoe. Een bewonersinitiatief is geen uitvoeringsloket van de gemeente. Buren zijn geen onbetaalde zorgaanbieders. Een buurtkamer bestaat niet uitsluitend om een beleidsdoel voor preventie te halen.
Natuurlijk mogen gemeenten verwachten dat publiek geld zorgvuldig wordt besteed. En natuurlijk vraagt samenwerking om afspraken. Maar zodra bewonerskracht vooral wordt gewaardeerd omdat zij professionele inzet kan vervangen of gemeentelijke kosten kan drukken, verschuift het vertrekpunt opnieuw van mens naar systeem.
De vraag wordt dan niet meer: wat groeit hier en wat heeft het nodig? Zij wordt: welke opgave kunnen wij hiermee goedkoper uitvoeren?
Dat is geen gelijkwaardig partnerschap. Dat is een transactie met vriendelijke woorden.
Zorg legt de spanning bloot
Opvallend genoeg blijft in de monitor juist de samenwerking rond zorg achter. Bewoners geven het vroeg betrokken worden daar een 4,5, invloed op plannen een 5,2 en meebeslissen een 5,0. Ook vertrouwen en daadkracht scoren onvoldoende. De onderzoekers noemen als mogelijke verklaring dat zorg sterker is geïnstitutionaliseerd en dat er meer systeempartijen bij betrokken zijn. Dat is een mogelijkheid, geen bewezen oorzaak – maar wel een die om aandacht vraagt.
Want juist bij zorg hebben relaties betekenis. Een mantelzorger die overbelast raakt, een buur die een ontmoetingsplek openhoudt, een vrijwilliger die iemand weer onder de mensen brengt: zij zien vaak iets wat niet in een indicatie of contract past. Tegelijk kunnen zij niet verantwoordelijk worden gemaakt voor wat professionele hulp of een betrouwbare overheid moet bieden.
Daarom is ‘meer buurt’ geen antwoord op zichzelf. Niet als het betekent dat de gemeente zich terugtrekt. Niet als informele steun pas interessant wordt wanneer formele zorg te duur is geworden. En niet als bewoners wel de verantwoordelijkheid voelen, maar niet de middelen of de zeggenschap krijgen.
Van markt naar mens vraagt hier om een andere verhouding tussen bewoners, professionals, organisaties en gemeente. Ieder brengt iets anders mee. Niemand kan het alleen. En wie samenwerking wil, moet zorgen dat die ook mogelijk blijft wanneer de situatie ingewikkeld wordt.
Maak de relatie bestuurbaar
De monitor doet concrete aanbevelingen: betrek bewoners vóór besluitvorming, zorg voor continuïteit in contactpersonen, maak financiering structureler, verminder bureaucratie en werk als gemeente over afdelingsgrenzen heen.
Dat klinkt minder groots dan een nieuwe visie op participatie. Maar het is waarschijnlijk veel bepalender. Een vast gezicht dat de buurt kent en intern iets gedaan krijgt. Een initiatief dat niet ieder jaar opnieuw zijn bestaansrecht hoeft te bewijzen. Een gesprek waarin bewoners niet alleen over de uitvoering, maar ook over de opgave en de keuzes kunnen meepraten.
Daar hoort ook een eerlijk gesprek over macht bij. Wie bepaalt waar geld naartoe gaat? Wie mag een plan veranderen? Wat gebeurt er als bewoners iets anders belangrijk vinden dan de gemeente? En hoe zorgen we dat niet alleen de meest mondige of beschikbare bewoners invloed krijgen?
Gelijkwaardigheid betekent niet dat iedereen altijd zijn zin krijgt. De gemeente houdt een eigen verantwoordelijkheid voor publieke middelen, rechtsgelijkheid en belangen die verder reiken dan één initiatief. Maar die verantwoordelijkheid is geen reden om de inbreng van bewoners pas te vragen nadat de richting vaststaat. Juist wanneer belangen verschillen, moet zichtbaar worden wie beslist, op welke gronden en wat er met de stem van bewoners is gebeurd.
De buurkrachtmonitor laat vooruitgang zien. Dat mogen we niet klein maken. Maar een hoger cijfer voor samenwerking mag ons ook niet geruststellen zolang de invloed van bewoners onvoldoende blijft. De beweging van markt naar mens wordt niet zichtbaar in de taal van het beleid, maar in de ruimte die mensen krijgen om hun buurt mede vorm te geven – en in de trouw waarmee instituties daarbij naast hen blijven staan.
De vraag is niet of bewoners bereid zijn verantwoordelijkheid te nemen voor hun buurt. De vraag is of onze instituties bereid zijn hun systemen zo te veranderen dat die verantwoordelijkheid niet wordt gebruikt, maar erkend, ondersteund en gedeeld.