
De nieuwe Zelfstandigenwet belooft duidelijkheid voor zzp’ers en opdrachtgevers. Maar lost zij ook de prijs van twijfel op – of krijgt die alleen een nieuwe naam?
Op 1 oktober presenteerde het kabinet de voorgestelde Zelfstandigenwet. De aanleiding kennen we inmiddels maar al te goed. Sinds de Belastingdienst weer handhaaft op schijnzelfstandigheid, durven opdrachtgevers zelfstandige professionals soms niet meer rechtstreeks in te huren. Niet noodzakelijk omdat het werk niet zelfstandig kan worden gedaan, maar omdat niemand zeker weet hoe een samenwerking achteraf wordt beoordeeld. De wet moet daar verandering in brengen met duidelijke toetsen vooraf en een ‘veilige haven’ voor wie daaraan voldoet. Het voorstel ligt nu ter consultatie; invoering is beoogd in 2028.
In mijn eerdere blogs, waaronder De prijs van twijfel en Stop het publieke geldlek, stelde ik de gevolgen van die onzekerheid aan de orde. Zelfstandigen verliezen opdrachten. Publieke organisaties zoeken zekerheid via tussenpartijen. En als die omweg duurder uitpakt, betalen we die rekening met publiek geld. De vraag bij dit nieuwe voorstel is dan ook niet alleen of de regels duidelijker worden. De vraag is of mensen er in de praktijk weer verantwoord mee kunnen werken.
Eindelijk een antwoord?
Het kabinet kiest voor twee toetsen. De eerste kijkt naar de zelfstandige als ondernemer: heeft die een eigen klantenkring, factureert die zelf en zijn ondernemersrisico’s geregeld? De tweede kijkt naar de concrete opdracht: kan iemand het werk daadwerkelijk zelfstandig organiseren en gebeurt het voor eigen rekening en risico? Alleen wie aan beide toetsen voldoet én in de praktijk zo werkt, valt volgens het kabinet binnen de beoogde veilige haven.
Dat is een wezenlijke stap. Een inschrijving bij de Kamer van Koophandel of het woord ‘opdracht’ boven een contract zegt op zichzelf weinig. Andersom mag ook niet ieder langdurig project bij voorbaat worden behandeld alsof het verkapt loondienstwerk is.
Maar een veilige haven is pas veilig als je weet waar de vaargeul loopt. Juist daar begint het lastige gesprek.
Vijf vragen die ertoe doen
1. Wanneer is zekerheid vooraf werkelijk zekerheid?
Welke informatie moeten een zelfstandige en een opdrachtgever vastleggen om vooraf met vertrouwen te kunnen samenwerken? Geldt een positieve beoordeling nog als een opdracht langer duurt of onderweg verandert? En wie draagt het risico als partijen hun afspraken zorgvuldig hebben nageleefd, maar de Belastingdienst later toch anders oordeelt?
Zonder antwoord hierop blijft de oude reflex bestaan: bij twijfel niet inhuren.
2. Wordt het aantal opdrachtgevers een hulpmiddel of een afvinklijst?
In de berichtgeving over het voorstel wordt gesproken over minstens drie klanten of opdrachtgevers in twee jaar. Dat kan iets zeggen over iemands positie als ondernemer. Maar een specialist kan één omvangrijk project uitvoeren en toch voluit ondernemer zijn. Een starter heeft misschien nog geen drie klanten. En drie opdrachtgevers maken iemand die bij één van hen feitelijk als werknemer wordt aangestuurd niet ineens zelfstandig.
Hoe voorkomt het kabinet dat een criterium dat duidelijkheid moet bieden, in de praktijk een nieuw automatisme wordt?
3. Hoe werkt de wet waar samenwerking onmisbaar is?
In het sociaal domein, de zorg en bij gemeenten werken professionals niet op een eiland. Zij stemmen af met collega’s, houden rekening met cliënten en werken binnen roosters, locaties en veiligheidsafspraken. Wanneer is dat normale samenwerking, en wanneer wordt het werkgeversgezag?
Die grens moet het kabinet niet alleen in abstracte termen beschrijven. Laat zien hoe de toets uitpakt bij een tijdelijke beleidsadviseur, een gespecialiseerde jeugdprofessional en een projectleider die met een gemeentelijk team samenwerkt. Niet omdat iedere inzet zelfstandig móét kunnen, maar omdat opdrachtgever en professional moeten kunnen zien wanneer het wél kan.
4. Welke risicobescherming telt mee — en voor wie?
Het voorstel verlangt voorzieningen voor ondernemersrisico’s; een minimumbedrag moet nog worden uitgewerkt. Maar zelfstandigen zijn geen uniforme groep. Hoe tellen bestaande verzekeringen, opgebouwd pensioen en andere financiële voorzieningen mee? En hoe wordt gekeken naar iemand die via een eigen bv werkt of al AOW en pensioen ontvangt?
Een verplichting moet bescherming bieden waar die nodig is. Zij moet niet onbedoeld mensen uitsluiten omdat hun bescherming anders is georganiseerd.
5. Gaat het publieke geldlek werkelijk dicht?
Stel dat de wet directe inhuur van zelfstandigen beter mogelijk maakt. Gaan publieke opdrachtgevers die ruimte dan ook gebruiken? Of blijft de uitkomst: liever via een bureau, omdat dat bestuurlijk veiliger voelt?
Het kabinet zou daarom niet alleen moeten volgen hoeveel mensen aan de nieuwe toetsen voldoen. Meet ook wat er gebeurt met opdrachten die eerder rechtstreeks werden verstrekt: lopen ze nu via een tussenpartij, welke diensten levert die partij daarvoor en wat zijn de totale kosten? Pas dan weten we of de wet niet alleen juridische twijfel vermindert, maar ook verstandig gebruik van publiek geld mogelijk maakt.
Een voorstel is nog geen oplossing
Het zou onredelijk zijn om deze wet af te doen als meer van hetzelfde. Het kabinet erkent dat echte zelfstandigheid een plaats verdient en probeert vooraf meer houvast te geven. Dat is winst. Maar het zou even onredelijk zijn om de ‘veilige haven’ nu al als bereikt te beschouwen. De wet ligt nog niet vast, belangrijke voorwaarden moeten worden uitgewerkt en de huidige handhaving loopt intussen door.
Daarom moeten de vragen nu op tafel. Niet om bescherming tegen schijnzelfstandigheid tegen te houden. Wel om te voorkomen dat we opnieuw een stelsel bouwen waarin iedereen zekerheid belooft, maar niemand haar durft te gebruiken.
De maatstaf is uiteindelijk eenvoudig: kan een zelfstandige professional met een publieke opdrachtgever afspraken maken die allebei begrijpen, kunnen naleven én met vertrouwen kunnen verantwoorden? Als het antwoord daarop straks nog steeds ‘liever niet’ is, heeft de wet de prijs van twijfel niet opgelost.