Soms laat een nieuwsbericht zich niet lezen als nieuws. Het klinkt als een waarschuwing die al langer in de lucht hing, maar nu niet langer te negeren is. Op 28 september 2026 riepen drie inspecties de staatssecretaris op om met spoed een actieplan te maken voor de justitiële jeugdinrichtingen. Door personeelstekorten staan de veiligheid van jongeren en medewerkers en de kwaliteit van het verblijf onder druk. Zorg, behandeling, onderwijs en het dagprogramma verschralen. Een ingekort dagprogramma, bedoeld als tijdelijke noodmaatregel, is staande praktijk geworden

Dat bericht raakt aan een vraag die mij al langer bezighoudt: hoe bereiden wij jongeren voor op een toekomst buiten de inrichting als wij hun binnen steeds minder mogelijkheden bieden om aan die toekomst te werken?

Eerder schreef ik over de ‘institutionele transitiekloof’: het gat tussen de ontwikkeling van een jongere en de manier waarop wij zijn weg naar buiten in afzonderlijke verantwoordelijkheden organiseren. Het inspectiebericht maakt duidelijk dat die kloof niet pas bij de uitgang begint. Zij kan al binnen de muren ontstaan.

Een ingekort dagprogramma klinkt bestuurlijk overzichtelijk. Minder uren, minder activiteiten, een aangepast rooster. Maar voor een jongere is een dagprogramma geen verzameling vakjes in een planning.


Het is de plek waar onderwijs doorgaat, waar behandeling kan aansluiten op wat gisteren gebeurde, waar iemand ontdekt dat inspanning verschil maakt. Het is ook de plek waar een pedagogisch medewerker tijd heeft om niet alleen grenzen te stellen, maar uit te leggen, te luisteren en opnieuw te beginnen.


Als die tijd ontbreekt, verdwijnt er meer dan programma. Dan wordt de ruimte kleiner waarin een jongere iets kan oefenen wat buiten de inrichting van hem of haar wordt verwacht: omgaan met anderen, verantwoordelijkheid nemen, teleurstelling verdragen, een volgende stap zetten.

De inspecties vragen terecht om snel ingrijpen. Veilige omstandigheden, voldoende medewerkers en passende zorg zijn geen luxe. Zij vormen de ondergrens van verantwoord verblijf. Wie daarover spreekt, moet oppassen om het personeelstekort weg te schrijven met mooie woorden over menselijkheid. Professionals hebben collega’s, tijd en werkbare omstandigheden nodig om hun werk goed te kunnen doen.

Bij een noodmaatregel hoort een ongemakkelijke vraag: wanneer houdt de nood op? Als een tijdelijk ingekort programma de gewone gang van zaken wordt, verschuift ongemerkt ook onze opvatting van wat jongeren in een inrichting mogen verwachten.

Wat gisteren nog een uitzondering was, heet vandaag misschien onvermijdelijk. Morgen wordt het de basis waarop opnieuw moet worden bezuinigd, gepland of geïmproviseerd. Zo kan een voorziening stap voor stap afstand nemen van haar eigen bedoeling, zonder dat iemand ooit heeft besloten die bedoeling los te laten.

Juist daarom is het gevraagde actieplan zo belangrijk. Niet alleen om acute risico’s terug te dringen, maar ook om helder te maken welke norm hersteld moet worden. Wanneer krijgt een jongere weer onderwijs en behandeling zoals bedoeld? Wanneer kan een medewerker weer werken op een manier die professioneel verantwoord voelt? En hoe wordt vastgesteld dat de verbetering niet alleen op papier bestaat?

In de beweging ‘van markt naar mens’ gaat het mij niet om de gedachte dat één systeemverandering alle problemen oplost. Ook het personeelstekort in de justitiële jeugdinrichtingen laat zich niet simpelweg verklaren als een gevolg van marktwerking. Dat zou te gemakkelijk zijn.

Het gaat om de vraag waar wij beginnen wanneer een stelsel onder druk staat. Bij het product, de capaciteit, de bezetting en het rooster? Of bij het leven dat zich achter die cijfers afspeelt? Cijfers zijn nodig om verantwoordelijkheid te nemen. Maar zij vertellen niet vanzelf wat een jongere nodig heeft om zich te ontwikkelen, of wat een medewerker nodig heeft om naast die jongere te kunnen blijven staan.

Een mensgerichte toets voor het actieplan zou daarom zijn: merken jongeren dat zij weer kunnen leren en aan hun behandeling kunnen werken? Merken medewerkers dat er ruimte is om meer te doen dan de dag veilig doorkomen? En merken ouders en andere betrokkenen dat er een lijn loopt van het verblijf naar wat daarna komt?

Het rooster moet kloppen. Maar uiteindelijk moet het rooster iets mogelijk maken.

Justitiële jeugdinrichtingen hebben een moeilijke opdracht. Zij moeten veiligheid bieden en grenzen stellen, terwijl jongeren er ook onderwijs, opvoeding en behandeling nodig hebben. Dat vraagt om meer dan een veilige deur. Het vraagt om een geloofwaardige weg terug naar het gewone leven.

Die weg begint niet op de dag van vertrek. Zij begint wanneer iemand binnen vraagt naar school, naar thuis, naar de wijk en naar de mensen die na afloop nog in beeld zijn. Wie kan deze jongere opvangen? Waar kan het leren doorgaan? Welke ondersteuning is nodig? En wie blijft betrokken wanneer de verantwoordelijkheid van de inrichting eindigt?

In mijn essay over de institutionele transitiekloof beschreef ik hoe jongeren bij die overgang tussen de regels en verantwoordelijkheden van organisaties kunnen verdwijnen. De waarschuwing van de inspecties voegt daar iets wezenlijks aan toe. Als het verblijf zelf verschraalt, krijgt een jongere minder mee voor de oversteek. Dan groeit het risico dat wij buiten proberen te repareren wat wij binnen onvoldoende hebben kunnen opbouwen.

Een actieplan is noodzakelijk. Het moet concreet zijn over personeel, veiligheid, zorg, behandeling en onderwijs. Het moet ook toetsbaar zijn: niet alleen voor bestuurders en inspecties, maar voor de jongeren en medewerkers die de gevolgen van beleid elke dag ervaren.

Toch ligt achter die praktische opdracht een grotere vraag. Niet alleen: hoe krijgen we het dagprogramma weer rond? Maar: welke belofte doen wij aan een jongere die wij zijn vrijheid ontnemen om hem vervolgens te helpen een andere toekomst op te bouwen?

Wie die belofte serieus neemt, kan de inrichting niet los zien van de samenleving waarnaar die jongere terugkeert. En wie resocialisatie serieus neemt, kan niet tevreden zijn met een programma dat op papier bestaat maar in het dagelijks leven steeds minder betekenis heeft.

De inspecties vragen om een plan met spoed. Terecht. Laten wij ervoor zorgen dat het niet alleen antwoord geeft op de vraag hoe de inrichtingen morgen verder kunnen, maar ook op de vraag hoe jongeren daarna verder kunnen.

Want een jongere resocialiseert niet op een ingekort dagprogramma. En al helemaal niet in een samenleving die pas bij de uitgang begint na te denken over wie er voor hem klaarstaat.