
Wat PIJ‑jongeren ons leren over de beweging van markt naar mens
Dijken, dammen, bruggen en de vraag wie blijft als iedereen weg kan
Op papier is hij klaar voor de vrijheid. De behandeling is doorlopen, de PIJ‑maatregel (Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdige) loopt af, de rapportages zijn geschreven. In theorie heeft hij gedaan wat het systeem van hem vroeg. Maar op de dag dat hij de justitiële jeugdinrichting verlaat, blijkt er geen passende woonplek te zijn. Zijn oude school is al lang afgehaakt, er is nog geen werk of opleiding geregeld, de ggz‑instelling heeft een wachtlijst van maanden. Zijn dossier is dik, zijn netwerk is dun. Iedereen heeft “iets” gedaan, maar niemand blijft.
Dit is geen uitzondering, maar een patroon. De laatste jaren gaat de maatschappelijke discussie over jongeren met een PIJ‑maatregel vooral over wachtlijsten, capaciteitstekorten en tekorten aan plekken. Dat zijn echte problemen, waar professionals dagelijks tegenaan lopen. Maar ze verklaren niet waarom het juist misgaat op de overgang naar volwassenheid. Niet waarom een jongere die jaren onder verantwoordelijkheid van de overheid heeft geleefd, vervolgens in een landschap van loketten en losse eilandjes belandt, waar niemand meer het geheel overziet.
In dit essay gebruik ik de forensische jeugdzorg – en in het bijzonder de uitstroom van PIJ‑jongeren – als vergrootglas op een bredere vraag: voor wie hebben wij ons stelsel eigenlijk gebouwd? Voor de regels, budgetten en schotten tussen organisaties, of voor de levens van jongeren die zich daar niets van aantrekken? Ik laat zien hoe jongeren vastlopen in een kloof tussen hun eigen ontwikkeling en de manier waarop wij zorg, veiligheid en ondersteuning hebben georganiseerd. Ik noem die kloof de “institutionele transitiekloof”: het gat dat ontstaat wanneer het leven doorgaat, maar verantwoordelijkheden abrupt verschuiven omdat een wet, leeftijd of financieringsregeling dat zegt.
Het verhaal van de PIJ‑jongere die nergens echt kan landen, lijkt misschien een niche in de jeugdstrafketen. In werkelijkheid vertelt het iets over de verkeerde afslag die we breder in het sociaal domein hebben genomen. In de jeugdhulp, de Wmo, de ggz en het beschermd wonen zien we dezelfde patronen terug: veel aandacht voor het vullen van plekken, het sluiten van contracten en het halen van indicatoren, maar te weinig voor de vraag wie er blijft als alles ingewikkeld wordt. Terwijl we ondertussen wél roepen dat we “van markt naar mens” willen.
Dit essay zoekt naar een andere manier van kijken. Ik beschrijf hoe de transitiekloof voor jongeren ontstaat, waarom hij ondanks alle hervormingen in stand blijft en wat het betekent om niet nog een regeling of programma toe te voegen, maar echt bruggen te bouwen. Bruggen tussen jeugd en volwassenheid, tussen zorg en veiligheid, tussen landelijke afspraken en lokale leefwereld. Want de fundamentele vraag is uiteindelijk niet hoe we jongeren sneller uit een maatregel krijgen, maar wie er naast hen staat als die maatregel voorbij is.