Jongeren helpen jongeren: van een plek op de wachtlijst naar een plek in elkaars leven

Een jongere staat op een wachtlijst. Dat klinkt overzichtelijk. Er is een aanmelding, er komt een behandeling en daartussen ligt tijd.

Maar een jongerenleven laat zich niet stilzetten. School gaat door. Thuis gebeurt van alles. Vriendschappen veranderen. Onzekerheid kan groeien. Wie wacht op hulp, wacht niet met leven.

Juist daarom verdient een nieuw initiatief van Mooi Sociaal aandacht. In Zuid-Holland-Zuid wil de organisatie twintig jongeren opleiden tot ervaringsdeskundige. Zij gaan in 2027 jongeren van twaalf tot achttien jaar ondersteunen die wachten op specialistische jeugdzorg. Als maatje, wegwijzer of pleitbezorger. Niet uitsluitend vanuit professionele kennis over jongeren, maar ook vanuit de ervaring zelf jongere te zijn geweest in de jeugdzorg.

Het is een bescheiden project met een grotere betekenis. Het raakt aan een vraag die in de beweging van markt naar mens centraal staat: zien wij vooral iemand voor wie ondersteuning moet worden georganiseerd, of ook iemand die zelf van betekenis kan zijn?

Meer dan de ontvanger van hulp

Wie jeugdzorg nodig heeft, wordt gemakkelijk beschreven in termen van problemen. Wat gaat er mis? Welke klachten zijn er? Wat lukt niet? Welke behandeling past daarbij?

Die vragen kunnen noodzakelijk zijn. Zonder zorgvuldig zicht op problemen blijft passende hulp soms uit. Maar een noodzakelijke beschrijving is nog geen volledig mensbeeld.

Een jongere is ook iemand met humor, gevoeligheid, talenten, vriendschappen en verlangens. Iemand die iets heeft meegemaakt en daar misschien iets over kan vertellen wat een ander helpt. Iemand die niet alleen steun nodig heeft, maar ook steun kan geven.

In ‘Je wordt jezelf niet alleen’ beschreef ik dat wederkerigheid niet betekent dat iedereen evenveel moet teruggeven. Het gaat om de bereidheid niet vooraf vast te leggen wie van betekenis kan zijn voor wie. Ook degene die ondersteuning ontvangt, brengt iets mee.

Het initiatief van Mooi Sociaal geeft die gedachte een praktische vorm. Ervaring met jeugdzorg verschijnt niet uitsluitend als een geschiedenis van kwetsbaarheid, maar ook als mogelijke bron van herkenning en inzicht. Jongeren krijgen de gelegenheid hun ervaringen te leren inzetten voor anderen.

Daarin ligt ‘wederkerigheid’: niet de verplichting iets terug te doen, maar de erkenning dat iemand meer te bieden heeft dan zijn hulpvraag doet vermoeden.

Een belangrijke grens hoort daar onmiddellijk bij. Niemand hoeft van zijn pijn een maatschappelijk nuttige bijdrage te maken. Wie alleen steun nodig heeft, hoeft zijn recht daarop niet te verdienen door zelf helper te worden.

Wat het werken met leefgroepen ons leert

De gedachte dat jongeren elkaar kunnen helpen, ontstaat niet pas nu we haar ervaringsdeskundigheid noemen. Het werken met leefgroepen kent al langer de pedagogische betekenis van de onderlinge verhoudingen tussen jongeren.

De richtlijn ‘Jeugdhulp met verblijf’ beveelt aan positieve interacties tussen jongeren in huis of op de groep te stimuleren. Ook de onderzoekssynthese ‘Residentiële jeugdzorg: wat werkt?’ van het Nederlands Jeugdinstituut besteedt aandacht aan onderlinge hulp en positieve feedback als onderdelen van een positief groepsklimaat.

Dat is wezenlijk. In een leefgroep gebeurt het pedagogische werk niet alleen tijdens een gepland gesprek. Het dagelijks samenleven is óók een omgeving waarin jongeren ervaringen opdoen met vertrouwen, grenzen, verantwoordelijkheid en verbondenheid. De kwaliteit van dat leefklimaat hangt samen met steun, ontwikkelingsruimte, onderlinge verhoudingen en de manier waarop begeleiders met jongeren omgaan.

Een ander kan iets herkennen waarvoor je zelf nog geen woorden hebt. Een leeftijdgenoot kan een vraag stellen die anders binnenkomt dan dezelfde vraag van een professional. Samen iets doen kan contact mogelijk maken waar een formeel gesprek nog niet lukt.

Dat zijn geen argumenten tegen professionele hulp. Het zijn redenen om de betekenis van jongeren voor elkaar serieus te nemen.

Tegelijk moeten we zorgvuldig blijven in onze vergelijking. Onderlinge steun in een leefgroep is niet hetzelfde als opgeleide ervaringsdeskundigheid. In het eerste geval ontstaat contact binnen het dagelijks samenleven. In het tweede geval leert iemand eigen ervaringen bewust en zorgvuldig in te zetten in een ondersteunende rol. Mooi Sociaal kiest nadrukkelijk voor opleiding, mentorschap en intervisie.

De verwantschap zit in de pedagogische grondgedachte: jongeren zijn niet uitsluitend ontvangers van hulp. Zij kunnen ook bijdragen aan elkaars ontwikkeling.

De groep is niet vanzelf een veilige plek

Wie de kracht van jongeren onderling benadrukt, moet ook de kwetsbaarheid daarvan onder ogen zien.

Onderlinge beïnvloeding kan positief zijn, maar ook onveilig worden. Groepsdruk, uitsluiting en ongelijke verhoudingen verdwijnen niet doordat we jongeren bij elkaar brengen. De richtlijn over onderlinge relaties benadrukt onder meer dat jongeren ondersteuning nodig hebben bij het aangeven van hun grenzen. Een positief groepsklimaat vraagt actieve begeleiding en aandacht voor de verhoudingen tussen jongeren.

De les uit het werken met leefgroepen is daarom niet: laat jongeren het zelf oplossen.

De les is: schep omstandigheden waarin zij iets voor elkaar kunnen betekenen, zonder dat volwassenen hun verantwoordelijkheid neerleggen.

Voor ervaringsdeskundigheid betekent dat naar mijn overtuiging: een duidelijke rol, betrouwbare begeleiding, ruimte om grenzen te stellen en de mogelijkheid te stoppen wanneer de inzet te zwaar wordt. Een jongere die anderen ondersteunt, mag niet opnieuw verdwijnen achter wat de organisatie van hem nodig heeft.

Dat Mooi Sociaal mentoren en intervisie organiseert, is daarom geen administratief detail. Het is een wezenlijk onderdeel van de zorgvuldigheid waarmee dit initiatief vorm moet krijgen.

Van markt naar mens wordt zichtbaar in de ontmoeting

In de visie ‘Van markt naar mens’ begint ondersteuning niet bij een beschikbaar product, maar bij het leven van mensen. Wat speelt er? Wie zijn belangrijk? Wat is al aanwezig? Wat is nodig om verder te kunnen? De sociale basis is daarin geen goedkope voorziening vóór de professionele zorg, maar een zelfstandig waardevol fundament van ontmoeting, deelname en onderlinge steun.

Het project van Mooi Sociaal sluit op verschillende manieren bij die omkering aan.

Een maatje biedt contact. Een wegwijzer kan helpen overzicht te vinden. Een pleitbezorger kan helpen de stem van een jongere naar voren te brengen. Dat zijn de drie rollen die het projectbericht noemt.

Daarachter herken ik drie menselijke behoeften: niet alleen zijn, niet verdwalen en niet worden overstemd.

Die behoeften laten zich niet volledig beantwoorden met een behandelindicatie. Ze vragen ook om iemand die luistert, meedenkt en bereikbaar is. Iemand voor wie je niet uitsluitend een probleem bent dat moet worden doorverwezen.

Dat is de belofte van dit initiatief. Niet dat ervaringsdeskundigheid professionele behandeling overbodig maakt, maar dat zij iets kan toevoegen wat in de organisatie van hulp gemakkelijk naar de achtergrond verdwijnt: de ervaring dat iemand naast je staat.

Maak van een maatje geen vriendelijke wachtkamer

Juist omdat ik de richting van dit initiatief herken, wil ik ook de spanning benoemen.

Mooi Sociaal richt zich op het verminderen van de impact van wachttijden. Dat is een waardevolle doelstelling. Maar het projectbericht bevat nog geen resultaten en onderbouwt niet dat deze aanpak de wachttijden zelf verkort. Het is een aankondiging van wat de partners willen realiseren.

We moeten dus oppassen dat we een veelbelovende bedoeling niet presenteren als bewezen effect.

Er is bovendien een principiëlere vraag. Organiseren we menselijke nabijheid alleen omdat de behandeling nog niet beschikbaar is? Of erkennen we dat die nabijheid op zichzelf onderdeel kan zijn van goede ondersteuning?

Wanneer een maatje vooral wordt ingezet om het wachten beheersbaar te maken, blijft de wachtlijst het ordenende principe. Wanneer het contact vertrekt vanuit het leven van de jongere, ontstaat een andere mogelijkheid: ondersteuning die helpt school, vriendschappen, dagelijks ritme en perspectief vast te houden of opnieuw op te bouwen.

Die mogelijkheid mag nooit worden gebruikt om noodzakelijke specialistische zorg uit te stellen. Een ervaringsdeskundige is geen goedkope vervanger van een behandelaar. Evenmin is een jongere verantwoordelijk voor het opvangen van tekorten in het zorgstelsel.

De beweging van markt naar mens vraagt niet om het vervangen van publieke verantwoordelijkheid door goede bedoelingen. Zij vraagt om een ruimere invulling van die verantwoordelijkheid: goede professionele hulp én ruimte voor betekenisvolle relaties.

Een stem in het team, niet alleen een taak

Mooi Sociaal werkt samen met De Hoop, Timon, BOBA, Jeugdbescherming West en Enver. De twintig op te leiden jongeren krijgen een positie binnen de teams van deze organisaties. BREN Zuid Holland biedt inhoudelijke en financiële ondersteuning.

Die positionering kan belangrijk zijn. Zij kan ervaringsdeskundigen toegang geven tot begeleiding, collega’s en besluitvorming. Maar een plaats in een team is nog niet automatisch invloed op de manier waarop dat team werkt.

Daarom zou ik het project een aanvullende ambitie gunnen: laat ervaringskennis niet alleen jongeren ondersteunen binnen het bestaande systeem, maar ook dat systeem bevragen.

Wat leren organisaties wanneer jongeren vertellen dat hun brieven onbegrijpelijk zijn? Dat een overdracht opnieuw voelt als afscheid? Dat een gesprek wel over hen gaat, maar niet met hen wordt gevoerd?

Kan een ervaringsdeskundige dat veilig zeggen? Mag een pleitbezorger naast de jongere blijven staan wanneer diens belang schuurt met het organisatiebelang?

Dit zijn geen vastgestelde tekortkomingen van het project. Het zijn de vragen die bepalen hoe diep de verandering reikt.

In een mensgericht sociaal domein zijn ervaringen van inwoners immers niet alleen informatie voor een tevredenheidsmeting achteraf. Zij zijn een bron voor het ontwerpen en verbeteren van beleid en uitvoering.

Duurzaam is meer dan een convenant

Het project wil eind 2027 beschikken over een volledig inzetmodel, inclusief een regionaal convenant, werkinstructies en afspraken over borging. Dat laat zien dat de partners verder willen kijken dan een tijdelijke activiteit.

Tegelijk is het belangrijk onderscheid te maken tussen organisatorische en menselijke opbrengsten.

Een convenant kan samenwerking ondersteunen. Het vertelt nog niet of een jongere zich minder alleen voelt. Een werkinstructie kan duidelijkheid geven. Zij vertelt nog niet of iemand zich durft uit te spreken. Twintig opgeleide ervaringsdeskundigen vormen een concreet resultaat. Maar daarmee weten we nog niet wat hun inzet in het dagelijks leven van andere jongeren betekent.

Vanuit de beweging van markt naar mens zou de evaluatie daarom ook moeten draaien om vragen als:

  • Ervaren jongeren dat zij worden gehoord en serieus genomen?
  • Weten zij bij wie ze terechtkunnen?
  • Past het contact bij wat zij zelf belangrijk vinden?
  • Kunnen zij hun dagelijks leven beter voortzetten?
  • Voelen de ervaringsdeskundigen zich gesteund, gewaardeerd en vrij om grenzen te stellen?
  • Veranderen organisaties aantoonbaar iets op basis van wat jongeren hun vertellen?

Dat is geen afscheid van verantwoording. Het is verantwoording dichter bij de bedoeling brengen. Cijfers over bereik en inzet blijven relevant, maar krijgen betekenis naast ervaringen, professionele reflectie en gezamenlijk leren.

Niet alleen wachten op later

Wat mij aanspreekt in dit initiatief, is de mogelijkheid om anders naar jongeren te kijken. Niet alleen als degenen voor wie wij hulp moeten organiseren, maar als mensen die elkaar iets te bieden hebben.

Het werken met leefgroepen leert dat die onderlinge betekenis pedagogisch relevant is. Het leert ook dat veiligheid, begeleiding en volwassen verantwoordelijkheid onmisbaar blijven. Het project van Mooi Sociaal brengt beide elementen bij elkaar: jongeren ondersteunen jongeren, binnen een opzet van opleiding, mentorschap en intervisie. Of de beoogde waarde ook wordt gerealiseerd, zal de uitvoering moeten uitwijzen.

De volgende stap is wat mij betreft om deze benadering niet op te sluiten in het begrip wachttijdondersteuning. Laat haar ook een uitnodiging zijn om anders te organiseren: meer vanuit relaties, met ruimte voor ervaringskennis en met daadwerkelijke zeggenschap voor jongeren.

Een jongerenleven is geen voorportaal van een behandeling.

Het speelt zich nu af.

En wie vandaag iemand naast zich vindt, hoeft niet te wachten tot later om weer een beetje toekomst te ervaren.