Ik ben voortijdig schoolverlater. Enkele van mijn broers ook. Maatschappelijk zijn wij behoorlijk terechtgekomen.

Dat schrijf ik niet om schooluitval te verheerlijken. Evenmin om te suggereren dat jongeren zich er zonder opleiding ook wel doorheen slaan. Ik schrijf het omdat een schoolloopbaan niet het laatste woord heeft over een mensenleven. Wie zonder diploma vertrekt, vertrekt niet zonder mogelijkheden. En wie een school verlaat, is niet noodzakelijk opgehouden met leren.

Met die ervaring lees ik het bericht over jongeren die opgroeiden in een huishouden met bijstand. Zij hebben op hun negenentwintigste minder vaak werk, zijn vaker afhankelijk van een uitkering en hebben minder vaak een hbo- of wo-diploma dan jongeren die niet met bijstand opgroeiden. De verschillen zijn aanzienlijk. Ze verdienen aandacht, geen relativering.

Maar ze verdienen ook een zorgvuldig gesprek. Over ongelijke kansen én over de meetlat waarmee wij beoordelen of iemand goed terechtkomt.

Van de jongeren die tussen hun twaalfde en achttiende minstens vijf jaar in een huishouden met bijstand woonden, heeft op negenentwintigjarige leeftijd 69 procent werk. Onder jongeren die niet met bijstand opgroeiden, is dat 89 procent. Voor respectievelijk 20 en 6 procent is een uitkering de belangrijkste inkomensbron.

Dat zijn geen verschillen om schouderophalend aan voorbij te gaan. Ze stellen ons voor de vraag welke kansen kinderen krijgen en welke belemmeringen zij onderweg tegenkomen.

Maar de cijfers verklaren niet vanzelf waardoor die verschillen ontstaan. Uit de gepubliceerde vergelijking kunnen we niet afleiden welk aandeel geldgebrek, gezondheid, gezinsomstandigheden, onderwijs of andere factoren daarin hebben. Opgroeien in een huishouden met bijstand is hier een geregistreerd kenmerk, geen volledige verklaring van een kinderleven.

Dat onderscheid doet ertoe. Anders wordt een onderzoek naar ongelijke uitkomsten ongemerkt een oordeel over gezinnen. Dan lezen we niet langer dat omstandigheden samenhangen met kansen, maar dat kinderen uit bepaalde huishoudens kennelijk minder kansrijk zíjn.

Een statistisch risico is echter geen persoonlijke bestemming.

Ook bij de onderwijscijfers is precisie nodig. Van de jongeren die enige tijd met bijstand opgroeiden, heeft ongeveer een vijfde een hbo- of wo-diploma. Ongeveer 55 procent heeft een havo-, vwo- of mbo-diploma op minimaal niveau 2. Het gaat dus allerminst over een groep die overwegend zonder diploma is gebleven.

Toch schuift een verschil in opleidingsniveau gemakkelijk naar een verschil in waardering. Hoger wordt beter. Lager wordt minder. Alsof een opleidingsladder tegelijk een rangorde van mensen is.

Daar moeten we ons tegen verzetten, zonder het belang van onderwijs te ontkennen.

Een mbo-diploma is geen onvoltooide poging om hogerop te komen. Vakmanschap is geen troostprijs. En ook wie geen diploma behaalt, is niet bij voorbaat iemand bij wie de ontwikkeling is mislukt.

Onderwijs moet mogelijkheden openen. Het mag geen sorteermachine worden die vervolgens bepaalt hoeveel aanzien een mensenleven verdient.

In mijn blogs over passend onderwijs keert dezelfde vraag terug: moet het kind passen in de organisatie, of moet de organisatie ruimte maken voor het kind? In Passend voor wie? gaat het over de fictie van het gemiddelde kind, met een gemiddeld leertempo, een gemiddelde belastbaarheid en een gemiddeld vermogen om zich aan te passen.

Maar die vraag houdt niet op bij de schooldeur.

Na de passende leerling volgt de passende werknemer. Na de voorgeschreven schoolloopbaan volgt het verwachte arbeidsmarktpad. Wie daarvan afwijkt, verschijnt al snel in beeld als achterblijver.

Daarmee dreigen we tweemaal dezelfde fout te maken. Eerst beoordelen we kinderen op hun vermogen om de aangeboden route te volgen. Vervolgens beoordelen we volwassenen op de vraag of die route de gewenste uitkomst heeft opgeleverd.

Waar blijft de ruimte voor een andere ontwikkeling? Voor iemand die later op gang komt, leert door te doen of pas buiten school ontdekt waar zijn mogelijkheden liggen?

Dat is geen pleidooi om jongeren minder onderwijs te bieden. Integendeel. Juist als het standaardaanbod niet werkt, moeten we méér verantwoordelijkheid nemen voor hun ontwikkelkansen. Een niet-passende school mag nooit het einde van het leren betekenen.

Mijn eigen geschiedenis bewijst niet dat diploma’s onbelangrijk zijn. Zij bewijst evenmin dat iedereen zonder opleiding dezelfde mogelijkheden heeft.

Dat enkele van mijn broers en ik behoorlijk terechtkwamen, maakt de verschillen uit het onderzoek niet kleiner. Een persoonlijk verhaal kan geen groepsvergelijking weerleggen.

Maar het kan wel voorkomen dat een groepsvergelijking het hele verhaal wordt.

Mijn schoolloopbaan vertelt niet alles over wat ik later heb geleerd, gedaan en betekend. Zoals een diploma evenmin alles vertelt over degene die het bezit.

Misschien moeten we daarom ook de woorden ‘goed terechtgekomen’ onderzoeken. Bedoelen we daarmee uitsluitend een baan, een inkomen en een vaste aanstelling? Of bedoelen we ook verantwoordelijkheid dragen, anderen helpen, relaties onderhouden en iets bijdragen aan de wereld om ons heen?

Als ik zeg dat wij behoorlijk terechtkwamen, wil ik niet alsnog langs een omweg bewijzen dat wij aan de gebruikelijke succesnorm voldoen. Het wezenlijke punt is dat een mens niet eerst succesvol hoeft te worden om waardevol te zijn.

Ook de geschiedenis waarschuwt tegen het vereenzelvigen van formele scholing met talent en betekenis. Michael Faraday kreeg slechts elementair onderwijs en ontwikkelde zich via zijn werk als boekbinder, zelfstudie en lezingen tot wetenschapper. Mary Anning kreeg weinig formeel onderwijs, maar verwierf kennis die haar tot een pionier van de paleontologie maakte.

Zulke voorbeelden laten zien dat leren groter is dan school. Maar ze bevatten ook een valkuil.

Want moet iemand zonder diploma dan eerst een uitzonderlijke wetenschapper worden voordat wij erkennen dat hij ertoe doet?

Natuurlijk niet.

Je hoeft geen baanbrekende ontdekking te doen om een goede buur te zijn. Geen bijzondere carrière te maken om voor anderen van betekenis te zijn. Geen indrukwekkend cv te kunnen overleggen om recht te hebben op respect en bestaanszekerheid.

Wie alleen uitzonderlijke schoolverlaters bewondert, heeft de rangorde niet opgeheven. Hij heeft slechts een achterdeur gemaakt voor bijzondere gevallen.

De beweging van markt naar mens vraagt dat we mensen niet reduceren tot een uitkering, een indicatie, een product of een economische opbrengst. Het vertrekpunt is het leven dat iemand probeert op te bouwen, met anderen en tussen anderen.

Dat vraagt ook een andere blik op jongeren.

Niet alleen vragen welk diploma iemand mist, maar wat iemand kan leren. Niet alleen kijken naar afstand tot de arbeidsmarkt, maar ook naar de afstand tussen onze instituties en iemands werkelijkheid. Niet uitsluitend sturen op uitstroom, maar verantwoordelijkheid nemen voor duurzame ontwikkelruimte.

In Eén student, geen dertig loketten beschreef ik hoe een jongere als geheel mens uit beeld kan raken tussen onderwijs, zorg en welzijn. De opgave is niet nog een verwijzing organiseren, maar samenhang en continuïteit bieden: iemand die blijft, ook wanneer een jongere een andere afslag neemt.

Die verantwoordelijkheid verdwijnt niet wanneer een opleiding wordt onderbroken of een diploma uitblijft.

De CBS-cijfers moeten ons aansporen om ongelijke kansen te bestrijden. Niet om lagere verwachtingen vast te leggen bij de kinderen die met minder zekerheid opgroeien.

Dus ja: investeer in goed onderwijs. Zorg voor bestaanszekerheid. Maak ondersteuning toegankelijk. Blijf jongeren opzoeken wanneer de gebruikelijke route niet werkt.

Maar maak van het diploma geen heilige graal. En verwar betaald werk niet met de volledige maatschappelijke betekenis van een mens.

We hebben een dubbele opdracht: niemand ontwikkelkansen onthouden, en niemand reduceren tot de kansen die hij heeft gemist.

Een school moet deuren openen. Een samenleving moet mensen niet afschrijven wanneer zij via een andere deur binnenkomen.