Over jeugdstrafrecht, goede bedoelingen en de moed om ook het eigen handelen te begrenzen.

Een jongere zwijgt. Is dat onwil? Onbegrip? Angst? Of heeft hij geleerd dat ieder antwoord een nieuw probleem kan worden?

Een jongere wordt boos. Zien we dan iemand die geen verantwoordelijkheid wil nemen? Of iemand die niet weet hoe hij zich nog verstaanbaar moet maken?

Het antwoord doet ertoe. Want tussen wat een jongere doet en wat een professional daarin ziet, ontstaat een verhaal. Dat verhaal komt in een verslag. Het verslag gaat mee naar een volgende bespreking. En voor je het weet, is een interpretatie een eigenschap geworden.

Hij is ongemotiveerd. Zij mist inzicht. Hij staat niet open voor hulp.

Maar wie controleert eigenlijk of wij het goed hebben begrepen?

Goede bedoelingen zijn geen garantie

Die vraag dringt zich op bij het artikel ‘Waarom het jeugdstrafrecht juist kwetsbare jongeren niet altijd goed begrijpt’. Daarin staat het onderzoek van politiek filosoof Jaap van der Spek centraal. Hij onderzocht de geschiedenis en de praktijk van het jeugdstrafrecht en sprak met jongeren en professionals. Zijn analyse legt een ongemakkelijke spanning bloot: wat professionals bedoelen als een pedagogische aanpak, kunnen jongeren ervaren als een machtsstrijd waarin ieder woord en iedere reactie tegen hen kan werken.

Dat is geen gemakkelijke boodschap. Zeker niet voor professionals die zich dagelijks inzetten om jongeren verder te helpen.

Toch is het een noodzakelijke boodschap. Goede bedoelingen vertellen immers iets over degene die handelt. Ze vertellen nog niet hoe dat handelen bij de ander aankomt.

Wij kunnen zeggen dat we naast een jongere staan. Maar als wij rapporteren, beoordelen en adviseren over zijn toekomst, staan we óók tegenover hem. Of boven hem. Die machtsverhouding verdwijnt niet doordat wij vriendelijk spreken.

Juist wie wil helpen, moet bereid zijn die werkelijkheid onder ogen te zien.

Wanneer een vermoeden een identiteit wordt

Stel je een gesprek voor waarin een jongere nauwelijks antwoord geeft. De professional probeert contact te maken, stelt vragen, legt uit. Het blijft stil. Aan het einde verschijnt in het verslag: weinig gemotiveerd.

Dat is een denkbaar voorbeeld, geen beschrijving van één concrete zaak. Maar het laat zien waar het spannend wordt.

“Hij gaf weinig antwoord” beschrijft wat er gebeurde. “Hij is weinig gemotiveerd” vertelt wat wij daarvan maken.

Tussen die twee zinnen ligt een wereld van mogelijke verklaringen. Misschien begreep de jongere de vraag niet. Misschien vertrouwde hij de situatie niet. Misschien schaamde hij zich. Misschien wilde hij inderdaad niet meewerken.

We weten het pas wanneer we het onderzoeken.

Dat is geen pleidooi om ieder gedrag eindeloos te verklaren. Het is een pleidooi voor zorgvuldigheid. Zeker wanneer onze uitleg gevolgen krijgt voor de vrijheid, begeleiding of toekomst van een ander.

Een jongere mag niet opgesloten raken in een verhaal dat wij te snel over hem hebben gemaakt.

Een kind is meer dan een risico

Van der Spek beschrijft in zijn proefschrift een historische verschuiving. Waar aanvankelijk ruimte bestond voor een liefdevolle blik op het kind, wordt dat kind in het politieke denken steeds meer een vraagstuk van risicobeheersing.

Natuurlijk moeten we risico’s serieus nemen. Er kan werkelijke schade zijn toegebracht. Slachtoffers hebben recht op erkenning. De samenleving moet worden beschermd. Een jongere heeft grenzen nodig.

Maar er is verschil tussen risico’s zien en iemand als risico zien.

In het eerste geval onderzoeken we wat er kan gebeuren en wat nodig is om dat te voorkomen. In het tweede geval dreigt het gevaar het hele beeld van de persoon te bepalen.

Dan wordt de vraag niet meer: wie ben jij, wat heb je gedaan en wat is er nodig?

Dan wordt de vraag: hoe krijgen we jou onder controle?

Dat verschil raakt de kern van het jeugdstrafrecht. Niet omdat verantwoordelijkheid onbelangrijk zou zijn, maar omdat een jongere meer is dan zijn delict, zijn dossier en onze verwachtingen over zijn volgende misstap.

Begrijpen is niet hetzelfde als goedpraten

Wie aandacht vraagt voor de leefwereld van jongeren, krijgt al snel de vraag of daarmee hun verantwoordelijkheid verdwijnt.

Die tegenstelling helpt ons niet verder.

Je kunt gedrag afwijzen en toch willen begrijpen hoe het is ontstaan. Je kunt iemand aanspreken op toegebrachte schade en tegelijk erkennen dat hij ondersteuning nodig heeft. Je kunt grenzen stellen zonder iemand vast te zetten op zijn slechtste daad.

Het pedagogische uitgangspunt van het jeugdstrafrecht verbindt verantwoordelijkheid juist met leeftijd, ontwikkeling en het vermogen om van fouten te leren.

De vraag is dus niet of een jongere verantwoordelijkheid moet dragen. De vraag is hoe we dat op een begrijpelijke, passende en rechtvaardige manier mogelijk maken.

Daar hoort ook de vraag bij of wij iets verlangen wat iemand op dat moment daadwerkelijk kan begrijpen en waarmaken.

Een verwachting wordt niet redelijk doordat zij in een plan staat.

Ook goede hulp heeft grenzen nodig

Misschien is het meest verrassende aan Van der Speks analyse wel dat zijn pleidooi voor liefde niet neerkomt op steeds méér professionele bemoeienis. Hij benadrukt ook het belang van begrenzing: de overheid moet ruimte laten voor de liefdevolle blik van het netwerk rond de jongere.

Dat vraagt om bescheidenheid.

Niet alles wat belangrijk is in een leven, kan door een professional worden georganiseerd. Niet iedere betekenisvolle relatie hoeft een interventie te worden. En niet iedere afwijking van onze verwachtingen vraagt om een nieuw traject.

Soms betekent goed handelen dat je duidelijk optreedt. Soms dat je langer luistert. Soms dat je je oordeel herziet. En soms dat je ruimte maakt voor iemand die de jongere niet vanuit een opdracht kent, maar vanuit een gedeeld leven.

Een ouder. Een broer. Een trainer. Een buurvrouw.

Dat maakt professionele kennis niet overbodig. Het voorkomt wel dat professionele kennis de enige toegestane kennis wordt.

De overheid moet zelf ook betrouwbaar zijn

Deze reflectie mag niet eindigen bij de houding van de individuele professional. Wie alleen vraagt om beter luisteren, laat de omstandigheden waarin dat luisteren moet gebeuren buiten beeld.

De Inspectie Justitie en Veiligheid constateerde dat jongeren maanden en soms jaren wachten op een passende straf of maatregel en de uitvoering daarvan. Personeelstekorten, gebrek aan plaatsen en gebrekkige informatieoverdracht ondermijnen volgens de inspectie het pedagogische uitgangspunt en de rechtsbescherming.

Dat roept een eenvoudige, maar ongemakkelijke vraag op.

Wat betekent het wanneer wij van een jongere verwachten dat hij op tijd verschijnt, afspraken nakomt en verantwoordelijkheid neemt, terwijl het stelsel zelf te laat komt?

De verantwoordelijkheid van de jongere verdwijnt daardoor niet. Maar die van de overheid evenmin.

Betrouwbaarheid is geen opdracht die maar één kant op werkt.

Wie verandering verlangt, moet ook leveren wat hij toezegt. Wie een maatregel oplegt, moet zorgen dat die uitvoerbaar is. En wie spreekt over perspectief, moet meer bieden dan een plek op een wachtlijst.

Wie mag het verhaal tegenspreken?

De betekenis van dit artikel reikt voor mij verder dan het jeugdstrafrecht. Het houdt ook het sociaal domein een spiegel voor.

We zeggen graag dat de inwoner centraal staat. Dat we aansluiten bij de leefwereld. Dat we samen beslissen.

Maar de scherpere vraag is: mag iemand ons verhaal over hem ook tegenspreken?

Kan een jongere zeggen dat een verslag niet klopt, zonder dat dit opnieuw wordt uitgelegd als gebrek aan inzicht? Kan een ouder het oneens zijn met een aanpak, zonder meteen als lastig te worden beschouwd? Kan een professional een eerdere beoordeling herzien, zonder dat dit als zwakte geldt?

Mensgericht werken krijgt betekenis op het moment dat de ander niet bevestigt wat wij al dachten.

Dan blijkt of we werkelijk nieuwsgierig zijn. Of vooral op zoek waren naar instemming.

Niet alleen kijken naar wat er met iemand misgaat

Een rechtvaardig jeugdstrafrecht stelt grenzen aan strafbaar gedrag. Daarover hoeft geen misverstand te bestaan.

Maar het stelt ook grenzen aan de eigen macht. Aan de snelheid waarmee het conclusies trekt. Aan de zekerheid waarmee het mensen beschrijft. Aan de neiging om uitblijvende verandering uitsluitend bij de jongere neer te leggen.

Dat vraagt niet om minder professionaliteit, maar om meer: zorgvuldig waarnemen, interpretaties toetsen, tegenspraak organiseren en verantwoordelijkheid nemen voor de gevolgen van het eigen handelen.

Misschien begint het verruimen van onze horizon hier. Niet bij nóg beter weten wat een jongere nodig heeft. Maar bij de bereidheid te onderzoeken wat wij nog niet begrijpen.

Niet alleen vragen wat er met deze jongere aan de hand is.

Ook vragen wat onze manier van handelen met hem doet.