
Waarom de beweging van markt naar mens vraagt om een overheid die kennis vasthoudt, verantwoordelijkheid draagt en betrokken blijft
“Telkens beginnen ze bij nul.”
Die zin blijft hangen na het interview met Pim van Uchelen in de Volkskrant van 10 oktober 2026. De vertrekkende jeugdbeschermingsbestuurder vertelt dat hij in zeven jaar vijf verantwoordelijke bewindspersonen heeft meegemaakt. Steeds opnieuw kennismaken. Steeds opnieuw uitleggen wat er misgaat. Steeds opnieuw hopen dat noodzakelijke verbeteringen deze keer wel beklijven.
Voor een nieuwe bewindspersoon is dat een begin. Voor een kind niet.
Dat kind begint niet opnieuw wanneer een kabinet wisselt. Het verdriet krijgt geen nieuwe ingangsdatum. De onzekerheid houdt geen rekening met een beleidsagenda. Een moeizame scheiding, een bedreigende thuissituatie of een beschadigde relatie met een ouder loopt door.
Daar ligt een vraag die verder gaat dan de inrichting van de jeugdbescherming: waarom onderbreken wij onze verantwoordelijkheid zo vaak, terwijl het leven waarvoor wij verantwoordelijkheid dragen gewoon doorgaat?
Het probleem is niet eenvoudigweg te veel of te weinig ingrijpen
Het interview beschrijft een ongemakkelijke werkelijkheid. Jeugdbescherming kan te zwaar ingrijpen en tegelijkertijd onvoldoende bescherming en passende hulp bieden. Kinderen kunnen onnodig onder toezicht staan, terwijl andere kinderen te lang in een schadelijke situatie blijven.
Wie daaruit alleen de conclusie trekt dat er minder jeugdbescherming nodig is, mist de helft van het verhaal. Wie uitsluitend om steviger ingrijpen vraagt, eveneens.
Minder maatregelen zijn niet automatisch betere bescherming. Meer maatregelen evenmin.
De vraag is of kinderen en ouders tijdig passende hulp krijgen. Of professionals voldoende deskundigheid en ondersteuning hebben. Of feiten zorgvuldig worden onderzocht. En of noodzakelijk ingrijpen zorgvuldig en proportioneel gebeurt.
Het doel moet niet zijn om minder in te grijpen tegen elke prijs. Het doel is minder vermijdbare escalatie, betere bescherming en zorgvuldig ingrijpen wanneer dat werkelijk nodig is.
Dat vraagt om meer dan het verplaatsen van verantwoordelijkheden op een organisatieschema.
Er is kennis. Er is ook beleid. Maar wat merken gezinnen ervan?
In haar reactie op het interview vraagt psycholoog en bijzondere curator Heleen Koppejan-Luitze wat er gebeurt met onderzoeken die in opdracht van de overheid worden uitgevoerd. Zij verwijst naar het adviesrapport van het Expertteam ouderverstoting/complexe omgangsproblematiek uit januari 2021.
Haar frustratie is begrijpelijk. Wie telkens opnieuw ziet dat gezinnen vastlopen, kan het gevoel krijgen dat rapporten vooral nieuwe rapporten voortbrengen.
Toch vraagt juist een scherpe kritiek om nauwkeurigheid.
Op 4 februari 2021 verscheen wel degelijk een beleidsreactie op het expertteamrapport. Minister Sander Dekker kondigde maatregelen aan rond preventie, naleving en kennisoverdracht. Een specialist contactverlies moest worden beproefd als verbinding tussen gezin, hulpverlening en rechtspraak. Op 3 juni 2021 meldde de minister dat de pilot begin maart was gestart.
Er gebeurde dus niet niets. Maar daarmee is de wezenlijke vraag niet beantwoord.
Een beleidsreactie is nog geen beschikbare hulp. Een pilot is nog geen duurzame voorziening. Een aangekondigde aanpak is nog geen betrouwbare dagelijkse praktijk.
De genoemde Kamerbrieven documenteren besluiten en activiteiten uit 2021. Ze bewijzen niet dat alle aanbevelingen daarna overal duurzaam zijn uitgevoerd, noch dat kinderen en ouders voldoende verbetering ervaren.
Precies daar moet de verantwoording beginnen: niet alleen bij wat de overheid heeft aangekondigd, maar bij wat daarvan in het leven van mensen terechtkomt.
Wachten is ook iets laten gebeuren
Het expertteamrapport bevat een inzicht dat gemakkelijk verdwijnt achter termen als capaciteit, doorlooptijd en wachtlijst: tijdverlies kan de problematiek zelf verergeren.
Lange wachttijden voor onderzoek en hulp, en langdurige juridische procedures, kunnen conflicten verharden en het behoud of herstel van contact bemoeilijken. Het rapport pleit daarom voor vroege signalering, tijdige diagnostiek en passende ondersteuning zonder onnodige vertraging.
Voor een organisatie is wachten een positie op een lijst.
Voor een kind is het een periode in zijn leven.
Een periode waarin spanningen kunnen voortduren. Waarin onzekerheid het dagelijks bestaan kan bepalen. Waarin relaties verder beschadigd kunnen raken.
Dat betekent niet dat zorgvuldig onderzoek mag worden overgeslagen. Juist bij beschuldigingen van mishandeling, misbruik of onveiligheid is goed feitenonderzoek noodzakelijk. Het rapport vraagt nadrukkelijk om onderscheid tussen feiten, meningen en interpretaties, en om het toetsen van verschillende verklaringen voor contactverlies.
Maar zorgvuldig onderzoeken en mensen ondertussen ondersteunen mogen geen opeenvolgende werelden worden. Alsof het leven even kan worden stilgezet totdat het dossier voldoende compleet is.
De bestuurlijke vraag is daarom ook: wat doen we gedurende de tijd die we nodig hebben?
Een kind is geen dossier dat je steeds opnieuw opent
Het rapport beschrijft nog een herkenbaar probleem: gezinnen ontmoeten een reeks opeenvolgende hulpverleners en moeten telkens opnieuw hun verhaal vertellen. Dat kan het vertrouwen in hulp ondermijnen. Het expertteam benadrukt de kwaliteit van de hulpverleningsrelatie en de betekenis van continuïteit. Een centraal contactpersoon moet betrokken blijven, ook wanneer specialistische hulp elders wordt ingezet.
Daar verschijnt een andere manier van organiseren.
Niet iedere nieuwe hulpvraag hoeft een nieuwe relatie te betekenen. Niet iedere specialist hoeft het eerdere contact te vervangen. Niet iedere overdracht hoeft een afscheid te worden.
Natuurlijk kan niemand garanderen dat dezelfde professional altijd beschikbaar blijft. Mensen veranderen van baan, worden ziek of blijken niet de juiste persoon voor een gezin.
Blijven betekent daarom meer dan vasthouden aan één medewerker. Het betekent zorgen dat betrokkenheid niet verdwijnt zodra iemand vertrekt. Dat kennis zorgvuldig wordt overgedragen. Dat een gezin weet wie aanspreekbaar is. Dat verantwoordelijkheid niet tussen twee organisaties in valt.
‘Continuïteit’ is geen luxe naast de hulp. Zij is een voorwaarde waaronder hulp betrouwbaar kan worden.
Van markt naar mens is meer dan tegen marktwerking zijn
Het zou te gemakkelijk zijn om alle beschreven problemen op marktwerking te schuiven.
Het expertteamrapport beschrijft ook ingewikkelde gezinsdynamieken, verschillen in deskundigheid, kennislacunes en dilemma’s rond onderzoek, behandeling en handhaving. Niet ieder tekort ontstaat door een contract. Niet ieder conflict verdwijnt wanneer organisaties worden samengevoegd.
Van markt naar mens is daarom niet alleen een oordeel over commerciële aanbieders. Het is een keuze voor een ander vertrekpunt.
Organiseren we vanuit afzonderlijke producten, trajecten en opdrachten? Of vanuit het leven van mensen en wat daarin nodig is?
Een traject kan administratief zijn afgerond terwijl een gezin nog vastloopt. Een verwijzing kan correct zijn afgehandeld terwijl passende hulp nog niet beschikbaar is. Een organisatie kan haar eigen taak hebben uitgevoerd terwijl niemand het geheel overziet.
De beweging van markt naar mens stelt daar een andere vraag tegenover: Wie draagt verantwoordelijkheid voor wat deze afzonderlijke handelingen samen betekenen?
Dat is geen pleidooi voor grenzeloze hulp of onbegrensde budgetten. Het is een pleidooi om grenzen niet uitsluitend vanuit de organisatie te trekken, maar ook vanuit hun gevolgen voor mensen te beoordelen.
Kijk naar het leven rond het kind
Het expertteamrapport maakt duidelijk waarom een brede blik noodzakelijk is. Complexe omgangsproblemen kunnen samenhangen met psychische problemen en beschadigde relaties, maar ook met inkomen en huisvesting. Een professional kan een trauma behandelen terwijl de stress blijft bestaan doordat een ouder geen passende woning heeft of financieel vastloopt. Hulpverlening vraagt dan om samenwerking tussen verschillende deskundigheden en domeinen.
Dat raakt het fundament van het sociaal domein.
Een kind leeft niet in een jeugdhulptraject. Het leeft in een huis, een gezin, een buurt en een school. Het leeft tussen mensen die beschikbaar zijn, overbelast raken, steun krijgen of die steun juist missen.
Mensgericht organiseren betekent die werkelijkheid niet uiteen knippen omdat onze budgetten en bevoegdheden afzonderlijk zijn ingericht.
De sociale basis is daarbij geen goedkope vervanging van specialistische hulp. En specialistische hulp is geen vervanging van een leefbare dagelijkse omgeving.
Beide moeten elkaar versterken.
Contactherstel vraagt om zorgvuldigheid, niet om een kamp
Ook rond ouderverstoting is die brede blik nodig.
Het expertteam onderscheidt contactverlies als algemeen verschijnsel van een specifiekere problematiek waarin beïnvloeding en complexe interacties een rol spelen, terwijl geen gegronde redenen bekend zijn om contact af te houden. Het rapport erkent dat de terminologie omstreden is en dat de wetenschappelijke onderbouwing van verschillende interventies beperkingen kent.
Niet ieder contactverlies is dus automatisch ouderverstoting. En contactherstel is niet zonder meer het juiste antwoord wanneer er onveiligheid speelt.
Het rapport benoemt bovendien beperkingen in zijn eigen onderzoek. De directe stem van kinderen was relatief beperkt vertegenwoordigd; verstoten vaders en hoger opgeleiden waren oververtegenwoordigd in de steekproef. Ook kinderen en ouders die ondanks moeilijke omstandigheden een leefbare situatie wisten te realiseren, waren nauwelijks vertegenwoordigd.
Dat maakt het rapport niet waardeloos. Het maakt zorgvuldig gebruik ervan noodzakelijk.
Een kind heeft niets aan een strijd tussen volwassen kampen die ieder zeker weten wat er aan de hand is. Het heeft mensen nodig die luisteren, onderzoeken, verschillende verklaringen toetsen en veiligheid, ontwikkeling en relaties in samenhang beoordelen.
Mensgericht werken betekent ook: durven erkennen wat je nog niet weet.
Organiseer het blijven
Een nieuw stelsel kan nodig zijn. Minder versnippering kan helpen. Andere bevoegdheden en betere financiering kunnen voorwaarden scheppen. Maar een nieuw organisatieschema garandeert geen andere ervaring voor een gezin. Daarvoor moeten we het blijven organiseren.
Dat vraagt om drie verschuivingen.
- Van overdracht naar gedragen verantwoordelijkheid. Voeg deskundigheid toe zonder vertrouwde betrokkenheid automatisch te beëindigen. Maak duidelijk wie overzicht houdt en aanspreekbaar blijft.
- Van tijdelijk proberen naar zorgvuldig besluiten. Bepaal bij een pilot niet alleen wat wordt onderzocht, maar ook wie daarna beslist over voortzetting, aanpassing of beëindiging. Voorkom dat de toekomst van een aanpak onduidelijk blijft zodra het project eindigt.
- Van activiteiten verantwoorden naar betekenis zichtbaar maken. Rapporteer niet alleen hoeveel gesprekken, verwijzingen en trajecten zijn uitgevoerd. Onderzoek ook of mensen passende hulp ontvangen, zich serieus genomen voelen en daadwerkelijk beter worden beschermd.
Daar hoort een bestuurlijk geheugen bij. Nieuwe bewindspersonen mogen andere keuzes maken. Maar zij zouden niet opnieuw hoeven ontdekken wat eerder is onderzocht, geprobeerd en geleerd.
Laat zien welke aanbevelingen zijn overgenomen. Welke niet. Waarom. Wat de uitvoering vraagt. En wat kinderen, ouders en professionals daarvan merken.
Dat is geen rem op vernieuwing. Het is een voorwaarde voor geloofwaardige vernieuwing.
Een overheid die niet telkens opnieuw begint
Van markt naar mens vraagt niet alleen om professionals die nabij zijn. Het vraagt om bestuurders die nabijheid mogelijk maken.
Om bekostiging die betrouwbare betrokkenheid ondersteunt. Om organisaties die samenwerking niet laten eindigen bij hun eigen taakgrens. Om politiek die kennis vasthoudt zonder kritiekloos aan oude inzichten vast te klampen.
En om bescherming die niet wordt verward met uitsluitend meer toezicht, maar evenmin met minder ingrijpen ongeacht de gevolgen.
Een bewindspersoon begint aan een nieuwe ambtsperiode. Een kind leeft verder in hetzelfde verhaal.
Dat verschil moet leidend worden in de manier waarop we beleid maken, hulp organiseren en verantwoordelijkheid afleggen.
Een kind heeft geen nieuwe startnotitie nodig. Het heeft mensen nodig die blijven – en bestuurders die ervoor zorgen dat zij kunnen blijven.