‘Huisartsen en POH GGZ worden dé toegangspoort voor de GGZ.’ Die kop staat boven een artikel van Marcel Hoogerheide, praktijkondersteuner ggz in Wassenaar. Hij beschrijft bevlogen wat zijn vak waardevol maakt: luisteren, geruststellen, samen zoeken en dichtbij blijven. Zijn verhaal is een pleidooi voor menselijke aandacht in een zorgstelsel dat professionals en hulpvragers geregeld laat verdwalen tussen verwijzingen, wachttijden en financieringsgrenzen.

Dat pleidooi verdient steun. Maar de kop roept ook vragen op. Zeker wanneer we hem betrekken op de jeugd-ggz. Wordt de huisartsenpraktijk straks de bepalende toegang? Wat betekent dat voor de stevige lokale teams die gemeenten ontwikkelen? En hoe verhoudt dit zich tot de Jeugdwet en de voorgenomen wijzigingen daarin?

Vanuit Verruim de horizon en de beweging ‘van markt naar mens’ ligt daar een fundamentelere vraag onder: waarom spreken we zo gemakkelijk over de plek waar mensen naar binnen moeten, en zo weinig over de verantwoordelijkheid om naast hen te blijven staan?

Het mooiste in Hoogerheides artikel zijn niet de uitspraken over de toekomstige ordening van de ggz. Het zijn de kleine momenten uit zijn praktijk. Iemand die zich eindelijk gehoord voelt. Een patiënt die ontdekt dat niet iedere heftige reactie betekent dat er iets blijvend beschadigd is. Een gesprek dat zorgen niet wegpoetst, maar wel draaglijker maakt.

Daar wordt zichtbaar wat in beleidsstukken vaak onder abstracte woorden verdwijnt. Vertrouwen ontstaat niet door een toegangspoort zorgvuldig te ontwerpen. Het groeit doordat iemand luistert, begrijpt, uitlegt en terugkomt.

Dat raakt de kern van ‘van markt naar mens’. Niet beginnen bij het product, de indicatie of de financieringscategorie, maar bij het dagelijks leven. Wat is er aan de hand? Wat staat onder druk? Welke relaties geven steun? En welke hulp is werkelijk nodig? Op Verruim de horizon vormt die omkering de basis voor een mensgericht en samenhangend sociaal domein.

De POH-GGZ kan daarin veel betekenen. Net als een jeugdarts, gezinswerker, sociaal werker of professional in een lokaal team. De waarde zit niet uitsluitend in de functienaam. Zij zit in de manier van kijken, handelen en verantwoordelijkheid dragen.

Juist daarom schuurt de stellige kop.

Hoogerheide verwacht dat de basis-ggz geleidelijk opgaat in de ondersteuning binnen de huisartsenpraktijk en in de specialistische ggz. Hij presenteert dat als zijn overtuiging. Het artikel laat niet zien dat dit een vastgesteld toekomstmodel is. Evenmin werkt het uit wat die verwachting betekent voor de jeugd-ggz.

Dat onderscheid doet ertoe. Een groot deel van zijn verhaal gaat over volwassenen, burn-out, zorgverzekeraars en de organisatie van de algemene ggz. De toegang tot jeugdhulp kent een eigen wettelijke inrichting.

Een waardevolle werkwijze in de huisartsenpraktijk is dus niet automatisch een antwoord op de vraag hoe we het jeugdstelsel moeten organiseren. Laat staan een argument om andere toegangen naar de achtergrond te schuiven.

Onder de bestaande Jeugdwet bestaan de gemeentelijke toegang en de medische verwijsroute naast elkaar. De huisarts, jeugdarts en medisch specialist kunnen verwijzen naar jeugdhulp.

Een gezin hoeft daarvoor niet altijd eerst langs het gemeentelijke lokale team.

De POH-GGZ heeft daarbij niet automatisch dezelfde juridische positie als de huisarts. De wet noemt de huisarts, jeugdarts en medisch specialist als medische verwijzers, niet de POH als afzonderlijke wettelijke verwijzer. Ondersteunen, beoordelen en een verwijzing voorbereiden is juridisch iets anders dan zelfstandig beschikken over dat verwijsrecht.

Daarmee is ook de vraag of de POH onderdeel wordt van het stevige lokale team niet beslissend. Samenwerking kan uitstekend plaatsvinden zonder dat iedereen bij dezelfde organisatie hoort. Andersom garandeert één organisatorisch verband nog geen samenhangende hulp.

De echte opgave is duidelijkheid: wie doet wat, vanuit welke verantwoordelijkheid en met welke deskundigheid? En vooral: wie blijft bereikbaar voor het gezin?

Het consultatievoorstel voor de Wet reikwijdte Jeugdwet wilde lokale teams een steviger positie geven. Gemeenten zouden een lokaal team moeten organiseren dat niet alleen toegang regelt, maar ook zelf ondersteuning biedt en verbindingen legt met andere levensgebieden.

Voor medische verwijzingen beschreef de toelichting een stapsgewijze beweging. Uiteindelijk zouden medische verwijzers naar het lokale team verwijzen, waar onderzocht wordt welke hulp passend is. De richting was dus niet: het lokale team verdwijnt achter de huisarts. Eerder: de medische verwijzing wordt sterker via het lokale team geleid.

Daartegen ontstond begrijpelijk debat. Huisartsen en ggz-organisaties waarschuwden voor extra beoordelingen, vertraging en onduidelijkheid over professionele verantwoordelijkheden. Dat zijn zorgen die serieus moeten worden genomen, zonder daarmee iedere vorm van betrokkenheid van het lokale team als hinderlijke bemoeienis weg te zetten.

Want beide kunnen waar zijn. Een lokaal team kan een onnodige extra schakel worden. Het kan ook precies de verbinding bieden die nodig is wanneer psychische klachten samenhangen met problemen thuis, op school of met bestaanszekerheid.

De vraag is niet óf het team betrokken wordt. De vraag is wat die betrokkenheid toevoegt.

Op 29 oktober 2026 publiceerden VNG, LHV en AJN een gezamenlijke leidraad voor samenwerking tussen huisartsen, jeugdartsen en gemeenten. Die is rechtstreeks relevant voor deze discussie.

De leidraad kiest voor het betrekken van het lokale team bij psychische of sociale problemen, tenzij dat geen meerwaarde heeft. Ook beschrijft zij afspraken over gecontracteerd aanbod, vaste aanspreekpunten en het samen oplossen van knelpunten. Volgens de betrokken organisaties vormt deze overeenstemming een alternatief voor de omstreden beperking van het medische verwijsrecht. De verwerking in het wetsvoorstel was bij publicatie nog niet afgerond. Een leidraad is immers nog geen gewijzigde wet.

Toch is de richting betekenisvol.

Afstemming is iets anders dan toestemming. Een collega betrekken omdat die iets toevoegt, is iets anders dan een gezin verplicht opnieuw laten aantonen dat hulp nodig is.

Daar ligt ruimte voor een mensgerichte praktijk: niet iedereen door dezelfde route sturen, maar samen bepalen welke inzet in deze situatie nodig is.

Hoogerheide schrijft terecht over de waarde van normaliseren. Niet ieder verdriet is een stoornis. Niet iedere moeilijke periode vraagt om specialistische behandeling.

Maar normaliseren kent een schaduwkant wanneer het een beleefde manier wordt om hulp af te houden.

Hetzelfde geldt voor eigen regie. Die kan mensen sterker maken. Maar zij mag niet betekenen dat iemand voortaan zelf verantwoordelijk wordt gehouden voor omstandigheden waarop hij nauwelijks invloed heeft.

Bij kinderen en gezinnen moeten we daarom verder kijken dan individuele klachten en vaardigheden. Wat gebeurt er thuis? Welke druk ontstaat op school? Is er rust, inkomen en een veilige woonplek? Wie ondersteunt de ouders?

De visie van Verruim de horizon benadrukt juist die samenhang tussen levensgebieden. Ondersteuning schiet tekort wanneer zij iemand leert omgaan met spanning, maar de omstandigheden die die spanning blijven veroorzaken buiten beeld laat.

Normaliseren betekent: het leven niet onnodig medicaliseren. Het betekent niet: mensen alleen laten met een leven dat hen overvraagt.

Ook de discussie over de effectiviteit van de POH-GGZ verdient zorgvuldigheid. Het ESB-onderzoek waarop Hoogerheide reageert, vindt geen blijvende ontlasting van de overige ggz en geen statistisch significante verbetering op de onderzochte lange termijn uitkomsten voor gezondheid en werk. Dat zijn bevindingen die vragen oproepen over verwachtingen en de inzet van schaarse capaciteit.

Daarmee is niet bewezen dat een aandachtig gesprek geen waarde heeft. Maar tevreden patiënten bewijzen evenmin dat uitbreiding van een functie alle beoogde effecten oplevert.

‘Van markt naar mens’ vraagt niet om een keuze tussen verhalen en cijfers. We hebben beide nodig. Verhalen helpen begrijpen wat ondersteuning betekent. Onderzoek helpt toetsen wat werkt, voor wie en onder welke omstandigheden.

Vertrouwen is geen vrijstelling van verantwoording. Het vraagt om ruimte voor vakmanschap én om gezamenlijk leren, tegenspraak en zicht op de gevolgen van ons handelen.

De discussie dreigt gemakkelijk een wedstrijd te worden. Huisarts of lokaal team? Medische blik of sociale blik? Professionele autonomie of gemeentelijke regie?

Maar een kind heeft weinig aan de winnaar van die wedstrijd.

Een gezin heeft iemand nodig die luistert en handelt. Die andere deskundigheid kan inschakelen zonder zelf te verdwijnen. Die niet alleen uitlegt waar de volgende deur staat, maar helpt zorgen dat die deur opengaat.

Daarom zou ik voor de lokale praktijk vijf uitgangspunten kiezen:

  • Behoud de vertrouwde ingang als die goed werkt.
  • Voeg deskundigheid toe in plaats van mensen steeds over te dragen.
  • Maak afstemming niet automatisch tot een nieuwe toegangstoets.
  • Spreek af wie betrokken blijft wanneer passende hulp uitblijft.
  • Beoordeel de samenwerking op wat zij voor kinderen en ouders betekent, niet alleen op verwijzingen en uitgaven.

Dat vraagt om meer dan goede bedoelingen. Het vraagt om bereikbare professionals, duidelijke verantwoordelijkheden en afspraken die ook standhouden wanneer hulp schaars is.

Daar krijgt nabijheid pas werkelijk betekenis.

Niet doordat alle professionals onder één dak werken. Niet doordat één beroepsgroep dé toegangspoort wordt. Maar doordat niemand een gezin loslaat met de mededeling dat het probleem nu bij een andere organisatie hoort.

De beweging van markt naar mens begint niet bij het verplaatsen van de poort. Zij begint bij de bereidheid om samen verantwoordelijkheid te dragen voor wat erachter gebeurt.