Huishoudelijke ondersteuning kan soms minder. Maar wie haar uit de Wmo haalt zonder de gevolgen voor begeleiding, mantelzorg en zwaardere zorg te kennen, loopt het risico geen kosten te besparen, maar ze te verplaatsen. Politiek: kijk verder dan de begrotingsregel.

Een schoon huis is niet altijd het belangrijkste resultaat van huishoudelijke ondersteuning.

Dat klinkt misschien vreemd. We hebben het immers over stofzuigen, sanitair schoonmaken, de keuken bijhouden en zorgen dat een woning leefbaar blijft. Maar achter die praktische werkzaamheden schuilt een grotere vraag: wat hebben mensen nodig om hun leven thuis te kunnen blijven organiseren?

Die vraag kwam nadrukkelijk naar voren tijdens het webinar van Zorgthuisnl, ‘Wat kost het als we huishoudelijke ondersteuning afschaffen?’ De ervaringen uit Catalonië vormden aanleiding voor een gesprek over langer thuis wonen, mantelzorg en de verbinding tussen ondersteuning en zorg.

Het is een noodzakelijke discussie. Niet omdat iedere bestaande indicatie onaantastbaar zou moeten zijn. Wel omdat het schrappen van een voorziening iets anders is dan het verdwijnen van een behoefte.

Een bezuiniging kan op papier keurig binnen één begroting passen, terwijl de gevolgen zich ergens anders melden. Bij een mantelzorger. Bij een begeleider. Bij de wijkverpleging. Of uiteindelijk bij een voorziening waar iemand niet meer thuis woont.

Minder hulp kan. Maar voor wie?

Laat ik mijn eigen positie helder maken: ik denk dat we bij sommige mensen minder huishoudelijke ondersteuning kunnen inzetten.

Niet iedere taak hoeft volledig te worden overgenomen. Wat iemand zelf kan, moet niet vanzelfsprekend een professionele taak worden. Soms zijn andere hulpmiddelen of een andere verdeling van werkzaamheden mogelijk. Soms kan een aangepaste inzet voldoende zijn.

Het normenkader voor huishoudelijke ondersteuning biedt ruimte om rekening te houden met zulke individuele mogelijkheden. Het gaat niet om een standaardpakket waarbij iedereen recht heeft op volledige overname van het huishouden. Het gaat om ondersteuning die past bij de concrete situatie.

Maar precies daar ligt ook de grens.

Minder hulp omdat iemand zelf meer kan, is iets anders dan minder hulp omdat de gemeente minder geld heeft. En minder professionele inzet omdat een passende oplossing beschikbaar is, is iets anders dan ervan uitgaan dat familie, buren of vrijwilligers het ontstane gat wel zullen vullen.

Eigen kracht moet worden onderzocht, niet verondersteld. Hetzelfde geldt voor de beschikbaarheid en belastbaarheid van het netwerk. Een beleidsmatige verwachting is nog geen uitvoerbare oplossing.

Wie verantwoord wil verminderen, moet daarom niet beginnen bij de vraag hoeveel uren eraf kunnen. De eerste vraag is: wat blijft nodig om deze persoon thuis te laten functioneren?

Twee maatregelen, één stapeling

In de landelijke discussie lopen twee beleidskeuzes door elkaar.

De eerste is de vervanging van het vaste Wmo-abonnementstarief door een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage. De beoogde invoering daarvan is verschoven naar 1 januari 2028. De tweede is het kabinetsvoornemen om huishoudelijke hulp vanaf 2029 niet langer als Wmo-maatwerkvoorziening aan te bieden, met een gemeentelijk vangnet voor mensen die het niet zelf kunnen regelen en betalen. De precieze uitwerking van dat vangnet is daarbij cruciaal.

Het zijn geen twee alternatieven. De besparing op huishoudelijke hulp is aanvullend op de beoogde besparing door de inkomensafhankelijke bijdrage. De VNG wees bovendien op een vanaf 2029 ingeboekte uitname van 1,01 miljard euro uit het gemeentefonds, tegenover een taakstellende netto besparing van 435 miljoen euro. Zij noemde de omvang van de korting voorbarig zolang de uitwerking onvoldoende duidelijk is.

Dat roept een eenvoudige, maar ongemakkelijke vraag op: waarom eerst de rekening veranderen en vervolgens ook de voorziening schrappen, voordat duidelijk is wat die eerste verandering doet?

De groei vraagt om een antwoord, niet om een sprong

De druk op de Wmo is niet verzonnen. Het CBS laat zien dat huishoudelijke hulp van de Wmo-maatwerkvoorzieningen het sterkst groeide. Vooral in 2019 en 2020 nam de vraag snel toe. Het CBS legt daarbij een verband met het in 2019 ingevoerde abonnementstarief.

Ook de uitgaven stegen fors: van ruim 0,9 miljard euro in 2017 naar bijna 1,6 miljard euro in 2023. Daarbij namen niet alleen de aantallen gebruikers toe, maar ook de gemiddelde uitgaven per cliënt.

Daar moet beleid op worden gevoerd. Geld en personeel zijn niet onbeperkt. Juist daarom moeten we onderscheid maken tussen noodzakelijke ondersteuning, ondersteuning die anders kan en gebruik waarop financiële prikkels invloed hebben.

Maar uit de vaststelling dat de vraag groeit, volgt niet automatisch dat de voorziening moet verdwijnen.

Een inkomensafhankelijke eigen bijdrage lijkt mij een evenwichtiger route. Daarmee blijft noodzakelijke ondersteuning beschikbaar, terwijl mensen naar draagkracht bijdragen aan de kosten.

Ook dat is geen risicoloze oplossing. Een hogere bijdrage kan ertoe leiden dat mensen afzien van hulp die zij wel nodig hebben. Daarom moeten we niet alleen kijken naar minder aanvragen, maar ook naar de omstandigheden van de mensen die niet meer aanvragen.

Minder gebruik is niet vanzelfsprekend minder behoefte.

Wat Catalonië ons leert – en wat niet

Het onderzoek uit Catalonië is belangrijk, juist wanneer we het zorgvuldig lezen.

De in 2025 gepubliceerde studie vergeleek mensen die sociale thuisondersteuning ontvingen in gebieden met een hoge mate van samenwerking tussen sociale ondersteuning en gezondheidszorg met vergelijkbare mensen in gebieden waar die integratie minder ver was ontwikkeld. De geïntegreerde aanpak omvatte onder meer een gezamenlijke beoordeling, een individueel plan, gedeelde protocollen en samenwerking tussen sociale en medische teams.

Na twee jaar was de geschatte kans op verpleeghuisopname 10,2 procent in de geïntegreerde groep, tegenover 12,3 procent in de vergelijkingsgroep. Ook de totale verblijfsduur in de onderzochte zorg- en verblijfsvoorzieningen ontwikkelde zich gunstiger. Tegelijkertijd nam het gebruik van eerstelijnszorg en dagvoorzieningen toe.

Dat laatste verdient aandacht. Meer lichte of ambulante inzet kan samengaan met minder institutionele zorg. De afzonderlijke voorziening vertelt dus niet het hele verhaal.

Maar laten we de uitkomsten niet groter maken dan ze zijn.

Dit onderzoek vergeleek geen huishoudelijke hulp met het ontbreken daarvan. Het onderzocht de meerwaarde van integratie. Bovendien was de sociale thuisondersteuning breder dan Nederlandse schoonmaakhulp: ook maaltijdbereiding en persoonlijke verzorging maakten er deel van uit. Het afzonderlijke effect van schoonmaakondersteuning is niet vastgesteld.

Ook een harde claim over kostenbesparing gaat te ver. De geschatte ontwikkeling van de totale sociale en gezondheidsuitgaven was gunstiger, maar het verschil was niet statistisch significant. De onderzoekers beschikten bovendien niet over gegevens over informele zorg. Het onderzoek biedt dus geen volledige maatschappelijke kosten-batenanalyse, inclusief mantelzorg.

De les is niet: iedere minuut huishoudelijke hulp voorkomt een verpleeghuisopname.

De les is: beoordeel ondersteuning en zorg in samenhang. Knip niet eerst een onderdeel weg om daarna te ontdekken welke functie het in het geheel vervulde.

De behoefte kan onder een andere naam terugkomen

Mijn zorg is dat het schrappen van huishoudelijke ondersteuning niet alleen tot minder ondersteuning leidt, maar ook tot verschuiving.

Iemand die het huishouden niet zelfstandig kan organiseren, verliest die beperking niet doordat de financiering verandert. Problemen met overzicht, structuur of het uitvoeren van dagelijkse taken kunnen blijven bestaan. De vraag kan dan terugkomen als een beroep op ambulante begeleiding.

Dat is een te onderzoeken risico, geen bewezen Nederlands effect van afschaffing. We moeten daar eerlijk over zijn.

Ook zijn huishoudelijke hulp en begeleiding niet hetzelfde. Schoonmaakwerk vervangen door begeleiding is niet automatisch passend. Maar evenmin is het logisch om begeleiding af te wijzen wanneer iemand daadwerkelijk ondersteuning nodig heeft bij de regie over het dagelijks leven.

Hier moet politiek verder kijken dan de productnaam.

Als een besparing op huishoudelijke hulp leidt tot meer begeleiding, wat is dan het saldo? Als minder hulp thuis samengaat met extra inzet van naasten, wat betekent dat voor hun draagkracht? En als mensen eerder zwaardere zorg nodig hebben, welke begroting krijgt vervolgens de rekening?

Een administratieve vermindering is nog geen maatschappelijke verbetering.

De rechter is niet tegen eigen kracht

Ook over de rechtspraak moeten we precies zijn.

Gemeenten ervaren spanning tussen resultaatgericht werken en de eis om ondersteuning concreet toe te kennen. Ik begrijp die spanning. Een inwoner wil een leefbaar huis, geen discussie over een stopwatch. Een professional heeft ruimte nodig om het werk op de situatie af te stemmen.

Maar de rechter heeft een wezenlijk punt: iemand moet weten waarop hij of zij aanspraak heeft.

Alleen ‘een schoon en leefbaar huis’ toezeggen is onvoldoende wanneer de omvang van de hulp vervolgens afhankelijk wordt van onderhandelingen met de aanbieder. De gemeente moet de aanspraak vaststellen en kan die verantwoordelijkheid niet feitelijk doorschuiven.

Dat is geen afwijzing van eigen kracht.

Het resultaat kan nog steeds het inhoudelijke doel zijn. Vervolgens moet worden onderzocht wat iemand zelf kan, welke andere oplossingen werkelijk beschikbaar zijn en welke professionele inzet resteert. Die resterende inzet moet voldoende concreet worden toegekend. Het HHM-normenkader verbindt juist het gewenste resultaat aan een individueel bepaalde omvang van ondersteuning.

De opdracht is dus niet om te kiezen tussen rechtsbescherming en maatwerk. De opdracht is om ze te verbinden.

Uren alleen garanderen geen goede ondersteuning. Maar een mooie resultaatafspraak zonder duidelijke aanspraak garandeert die evenmin.

Draagkracht is niet hetzelfde als zelfredzaamheid

Daarom houd ik een voorkeur voor een bijdrage naar draagkracht boven het schrappen van de voorziening.

Een bijdrage verandert de verdeling van kosten. Uitsluiting verandert de toegang.

Dat verschil doet ertoe. Iemand kan voldoende inkomen hebben en toch niet in staat zijn om zelf hulp te vinden, afspraken te organiseren of toezicht te houden op wat nodig is. Financiële mogelijkheden zijn niet hetzelfde als praktische, fysieke of cognitieve mogelijkheden.

Een vangnet moet daarom meer zijn dan een toets op de bankrekening.

Het moet antwoord geven op de vraag of iemand de noodzakelijke ondersteuning daadwerkelijk kan organiseren. Niet alleen theoretisch. Niet alleen op papier. Maar in het eigen huis, met de eigen beperkingen en de mensen die er werkelijk beschikbaar zijn.

Politiek, bewijs eerst dat het beter wordt

Mijn waarschuwing aan de politiek is daarom niet: verander niets.

Mijn waarschuwing is: haal een voorziening niet uit het stelsel voordat duidelijk is wat daarvoor in de plaats komt en welke gevolgen dat heeft.

Onderzoek vóór afbouw ten minste:

  • wat er gebeurt met het beroep op begeleiding, wijkverpleging en zwaardere zorg;
  • hoeveel extra inzet en belasting bij mantelzorgers terechtkomt;
  • welke mensen noodzakelijke hulp niet meer gebruiken;
  • of het vangnet bereikbaar en uitvoerbaar is;
  • wat gemeenten en aanbieders kwijt zijn aan nieuwe beoordelingen en procedures;
  • hoe mensen thuis functioneren, niet alleen hoeveel ondersteuning zij ontvangen.

En maak onderscheid tussen maatregelen. Minder uren, minder frequente hulp, een hogere bijdrage en het volledig wegvallen van ondersteuning zijn verschillende ingrepen. Ze mogen niet onder één noemer worden geëvalueerd.

Wie vooraf een besparing inboekt, moet achteraf niet alleen kunnen aantonen dat een begrotingspost kleiner is geworden. Die moet kunnen uitleggen dat mensen passend ondersteund blijven en dat de rekening niet ongemerkt naar anderen is verschoven.

Kijk voorbij de emmer

Huishoudelijke ondersteuning is geen onaantastbaar instituut. Soms kan zij minder. Soms kan zij anders. En soms is niet méér schoonmaak nodig, maar een betere verbinding tussen praktische hulp, begeleiding en zorg.

Daarover moeten we een volwassen gesprek voeren.

Maar dat gesprek wordt armer wanneer we huishoudelijke ondersteuning uitsluitend behandelen als een verzameling schoonmaakuren. Dan zien we de emmer, maar niet het leven eromheen.

De politiek moet daarom eerst aantonen dat de voorgenomen besparing ook buiten de eigen begrotingskolom standhoudt.

Want een geschrapte voorziening verdwijnt uit de administratie.

De mens die haar nodig had, blijft.