
De BMC-voortgangsmeting van de Hervormingsagenda Jeugd laat zien dat gemeenten en regio’s in beweging zijn. Maar over de rol van zorgaanbieders spreekt het rapport vooral namens hen. Juist daar wringt de beweging van markt naar mens.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten liet BMC in september 2026 de voortgang op de Hervormingsagenda Jeugd onderzoeken. De rapportage vergelijkt de huidige stand van zaken met de eerdere startfoto en richt zich op vier prioriteiten waarvoor gemeenten en jeugdzorgregio’s primair verantwoordelijk zijn: een sterkere sociaal-pedagogische basis, stevige lokale teams, minder gebruik van aanvullende jeugdhulp en minder uithuisplaatsingen en gesloten jeugdhulp. De vragenlijsten werden ingevuld door 308 van de 342 gemeenten en alle 41 jeugdzorgregio’s. Daarnaast sprak BMC in tien verdiepende interviews met vertegenwoordigers van zes regio’s en negen gemeenten. Het verbeteren van de kwaliteit van de jeugdzorg viel buiten deze afgebakende onderzoeksopdracht.
Die afbakening doet ertoe. Dit is een serieuze meting van wat gemeenten en regio’s hebben ondernomen en welke belemmeringen zij ervaren. Het is geen meting van hoe alle betrokkenen de verandering beleven. Jeugdhulpaanbieders komen veelvuldig in het rapport voor, maar zijn niet zelf systematisch bevraagd. Dat maakt de rapportage niet waardeloos. Het maakt haar wel onvolledig op precies het punt waar beleid praktijk moet worden.
Beweging op papier, frictie in de praktijk
Er is reden om de inspanningen van gemeenten en regio’s serieus te nemen. Driekwart van de gemeenten heeft beleid voor vrij toegankelijke voorzieningen in uitvoering. In ongeveer twee derde van de gemeenten bieden lokale teams vormen van basishulp. Regio’s werken aan minder residentiële en gesloten plaatsingen, en specialistische expertise moet vaker via consultatie beschikbaar komen voor lokale teams.
Maar BMC laat ook zien hoe groot de afstand tussen beleidsvoornemen en dagelijks leven nog is. Werkdruk is volgens 84% van de gemeenten een knelpunt voor stevige lokale teams. Slechts een minderheid van de gemeenten geeft aan dat die teams intensieve ondersteuning bij onveiligheid bieden om escalatie of uithuisplaatsing te voorkomen. En hoewel consultatie van aanbieders volgens veel gemeenten mogelijk is, ervaren velen daarbij praktische problemen.
Een afspraak is nog geen samenwerking. Een lokaal team is nog geen vertrouwd gezicht. En een uitvoeringsplan voor minder gesloten jeugdhulp is nog geen veilige plek voor een jongere die vandaag nergens terechtkan.
Daar ligt de toets van ‘Van markt naar mens’. Niet: hoeveel plannen zijn vastgesteld, producten geschrapt of trajecten verkort? Maar: krijgt een kind tijdig passende hulp, zonder telkens opnieuw te moeten beginnen? Kunnen ouders op iemand rekenen die blijft? Kan een professional deskundigheid erbij halen zonder eerst een administratieve route af te leggen?
De aanbieder in vier rollen
Het rapport vraagt veel van zorgaanbieders. Zij moeten specialistische kennis delen met lokale teams, samenwerken met onderwijs en andere domeinen, ambulante en kleinschalige alternatieven ontwikkelen en tegelijk passende hulp beschikbaar houden voor jongeren met complexe problemen. In het voorwoord vraagt de VNG aanbieders expliciet de transformatie naar kleinschalig en ambulant aanbod te versnellen en over de grenzen van hun eigen domein heen te kijken.
Dat is een begrijpelijke oproep. Specialistische jeugdhulp kan niet een afgesloten bestemming zijn waar een kind na een verwijzing naartoe verdwijnt. Deskundigheid moet kunnen aansluiten bij het gezin, de school en de mensen die al betrokken zijn. Soms adviserend, soms intensief, soms langdurig. Niet de organisatiegrens, maar de situatie van het kind hoort te bepalen hoe hulp zich organiseert.
Tegelijk verschijnt de aanbieder in de rapportage vooral als iemand die een beweging moet uitvoeren. Wat aanbieders zelf nodig hebben om die beweging verantwoord te maken, is vooral via gemeenten en regio’s in beeld gebracht. Welke risico’s dragen zij bij het openen van kleinschalige plekken? Hoe houden zij schaars personeel vast terwijl oude capaciteit verdwijnt en nieuw aanbod nog onzeker is? Wat doen korte of uiteenlopende contracten met de bereidheid om te investeren? Het rapport raakt die vragen, maar kan ze zonder de aanbieders zelf niet volledig beantwoorden.
Als meedenken een product wordt
Het scherpste voorbeeld staat bij de consultatiefunctie. Volgens het rapport zegt gemiddeld 60% van de regio’s dat afspraken over consultatie met verschillende jeugdhulpsectoren zijn gemaakt en worden uitgevoerd. Gemeenten melden vaker dat consultatie mogelijk is, maar een aanzienlijk deel ervaart knelpunten in het gebruik ervan.
In een praktijkvoorbeeld is specialistisch advies voor een lokaal team in theorie beschikbaar, maar wordt het nauwelijks gevraagd. De financieringssystematiek vereist voor een eenvoudige consultatie al een cliëntnummer en een beschikking. Het rapport wijst ook op een andere spanning: een lumpsumafspraak kan ruimte bieden, maar volgens een geïnterviewde regio de toegang tot kleine aanbieders, zoals een zelfstandige GZ-psycholoog, bemoeilijken.
Dat is geen administratieve voetnoot. Het is de oude logica in het klein. We zeggen dat expertise vroeg, dichtbij en vanzelfsprekend beschikbaar moet zijn. Vervolgens richten we de achterkant zo in dat eerst een cliënt, een product en een betaalroute moeten worden gedefinieerd.
Van markt naar mens betekent hier iets heel concreets: organiseer en financier het professionele gesprek als onderdeel van een gezamenlijke publieke functie, niet uitsluitend als los verkoopbaar zorgmoment. Zorg tegelijk dat kleine én grote aanbieders eraan kunnen bijdragen.
Afbouwen is nog geen alternatief
De urgentie wordt het grootst bij jongeren die intensieve hulp of een veilige woonplek nodig hebben. Van de regio’s noemt 93% onvoldoende beschikbaarheid en doorstroommogelijkheden een knelpunt bij het terugdringen van residentieel aanbod. Voor 88% ontbreekt voldoende alternatieve zorg met passende expertise; 80% ziet financiële knelpunten, waaronder de dubbele lasten van het oude aanbod overeind houden en het nieuwe opbouwen.
BMC beschrijft zelfs een operationeel vacuüm wanneer gesloten plekken sneller verdwijnen dan passende alternatieven ontstaan. Volgens gemeenten en regio’s leidt dat soms tot kostbaar noodmaatwerk, waaronder één-op-één-plaatsingen op campings of vakantieparken, of tot druk op open voorzieningen die niet zijn ingericht voor de problematiek van de jongeren die zij opvangen.
Dan is ‘sneller transformeren’ geen antwoord op zichzelf. Een aanbieder kan geen deskundig team, passende woning en duurzame samenwerking tevoorschijn contracteren als volume, financiering en verantwoordelijkheid onzeker blijven. En een gemeente kan de beschikbaarheid van hoogcomplexe hulp niet als vanzelfsprekend beschouwen terwijl zij het bestaande aanbod afbouwt.
De norm zou eenvoudig moeten zijn: bouw het alternatief zó op dat een jongere er werkelijk beter van wordt, vóórdat het oude verdwijnt. Dat vraagt van aanbieders veranderbereidheid en openheid over wat wel en niet werkt. Het vraagt van opdrachtgevers evenzeer meerjarige zekerheid, gezamenlijke risicoverdeling en de bereidheid om beschikbaarheid te financieren, ook wanneer die niet ieder uur in een individueel traject wordt benut.
De ontbrekende stoel aan tafel
Het is verdedigbaar dat BMC, in opdracht van de VNG, de gemeentelijke en regionale voortgang onderzoekt. De vier gekozen prioriteiten liggen immers primair bij gemeenten en regio’s. Maar juist daarom moeten we de uitkomsten nauwkeurig lezen: uitspraken over de houding, mogelijkheden en belemmeringen van aanbieders zijn in deze rapportage overwegend uitspraken van gemeenten en regio’s óver aanbieders. Ze zijn niet getoetst aanbiedersperspectief.
Het rapport bevat overigens ook voorbeelden waarin aanbieders wél deelnemen aan gezamenlijke duiding van cijfers en knelpunten. Dat is veelbelovend. Het laat zien wat een volgende voortgangsmeting kan doen: gemeenten, aanbieders, professionals, jongeren en ouders niet pas na afloop om een reactie vragen, maar samen laten onderzoeken waar de praktijk vastloopt en waarom.
Daarmee verandert ook de centrale vraag. Niet: welke partij blijft achter bij de hervorming? Maar: welke afspraken, middelen en vormen van samenwerking maken het mogelijk dat niemand een kind hoeft door te schuiven?
Niet minder verantwoordelijkheid
De beweging van markt naar mens is geen vrijbrief voor aanbieders om zich aan verandering te onttrekken. Zij vraagt juist veel: specialistische kennis delen, hulp dichter bij het gewone leven organiseren, kritisch zijn op onnodige trajecten en verantwoordelijkheid nemen voor samenwerking, ook buiten de eigen organisatie.
Maar zij vraagt evenveel van gemeenten en regio’s. Wie partnerschap wil, kan aanbieders niet alleen als contractpartij, capaciteit of kostenpost behandelen. Wie minder jeugdhulpgebruik nastreeft, moet nagaan of gezinnen daardoor beter worden geholpen of slechts elders op een wachtlijst belanden. En wie minder gesloten plekken wil, moet verantwoordelijkheid nemen voor wat ervoor in de plaats komt. Verruimde Horizon verwoordt die richting als een beweging waarin niet het product of contract, maar de relatie, de leefwereld en gedeeld eigenaarschap vooropstaan.
De BMC-rapportage laat zien dat de hervorming onderweg is. De volgende stap is niet alleen beter meten hoe ver gemeenten en regio’s zijn. Het is ook de mensen aan tafel halen die de verandering moeten dragen – en degenen voor wie zij bedoeld is.
Want als we de jeugdhulp werkelijk van markt naar mens willen bewegen, mogen we niet blijven praten over de aanbieder, over de professional en over het gezin. Dan begint de voortgang met samen luisteren. En krijgt zij pas betekenis wanneer een kind merkt dat er iemand is die blijft.