Over jeugdzorg, gedeelde verantwoordelijkheid en de beweging van markt naar mens.

‘We hebben de spelregels belangrijker gemaakt dan het spel.’

Die uitspraak van zorgbestuurder Bort Hartog bleef bij mij hangen. In het interview ‘Jeugdzorg verliest het spel’, geschreven door Harm Vonk (Volkskrant 7november 2026) vertelt de directeur-bestuurder van De Toegang in Emmen over zijn ongemak met de manier waarop we jeugdzorg organiseren. Contracten, taakverdelingen en protocollen zijn zo bepalend geworden dat de vraag waarvoor we het doen uit beeld dreigt te raken. Hartog kijkt naar het voetbalveld: een goed team bestaat niet uit elf mensen die uitsluitend hun eigen positie bewaken. Spelers zien waar ruimte ontstaat, helpen elkaar en nemen zo nodig een positie over.

Het interview is de aanleiding voor deze beschouwing. Want onder dat voetbalbeeld ligt een vraag die veel verder reikt dan jeugdzorg: wat gebeurt er wanneer iedereen zijn eigen opdracht uitvoert, maar niemand ervoor zorgt dat de hulp als geheel klopt?

Voor mij raakt die vraag de kern van de beweging van markt naar mens. Niet de afzonderlijke prestatie moet vooropstaan, maar wat ondersteuning betekent in het leven van mensen. Niet alleen doen wat is afgesproken, maar samen blijven kijken of het helpt.

Het leven houdt niet op bij het einde van een opdracht

Een traject kan zijn afgerond terwijl een kind nog steeds bang is. Een overdracht kan keurig zijn vastgelegd terwijl ouders niet weten wie zij morgen kunnen bellen. Een professional kan precies hebben gedaan waarvoor hij is ingezet, terwijl het gezin verder vastloopt.

Dan is niet noodzakelijk iemand onverschillig geweest. Misschien heeft iedereen hard gewerkt. Maar het resultaat van al die inspanningen moet wel onderwerp van gesprek blijven.

Hartog benoemt het ongemak daarvan en spaart zichzelf niet. Ook zijn eigen handtekening staat onder afspraken die hem beperken in wat hij eigenlijk nodig vindt. Daarmee wordt zijn kritiek meer dan een aanklacht tegen een onpersoonlijk systeem. Hij laat zien hoe mensen dat systeem ook zelf in stand houden.

Dat vraagt geen zoektocht naar schuldigen, maar wel eerlijkheid. Welke afspraken helpen ons om mensen goed te ondersteunen? En welke afspraken gebruiken we, bewust of onbewust, om onze verantwoordelijkheid af te grenzen?

Niet iedereen hoeft alles te doen

De oplossing is niet dat iedere hulpverlener voortaan ieder probleem moet oplossen.

Een jeugdprofessional is geen woningcorporatie. Een leerkracht is geen behandelaar. Een buur is geen onbetaalde zorgverlener. En ouders kunnen niet verantwoordelijk worden gemaakt voor ondersteuning die eenvoudigweg niet beschikbaar is.

Ook professionals hebben grenzen: aan hun deskundigheid, tijd, belastbaarheid en veiligheid.

Maar er is een belangrijk verschil tussen zeggen: ‘Dit kan ik niet alleen’ en zeggen: ‘Dit is niet van mij.’

Het eerste nodigt uit om samen verder te zoeken. Het tweede kan een deur sluiten.

Hartog erkent dat zorginstellingen en gemeenten geen onbeperkte verantwoordelijkheid hebben. Tegelijk spreekt hij over signaleren, netwerken opbouwen en elkaar helpen wanneer dat nodig is.

Daar ligt een werkbaar uitgangspunt: niet iedereen doet alles, maar we spreken wel af wie handelt wanneer de mogelijkheden van één betrokkene ophouden.

Begin niet met het aanbod, maar met het leven

Van markt naar mens betekent voor mij dat we de volgorde omdraaien.

In plaats van te beginnen met: welke voorziening kunnen wij aanbieden, beginnen met: wat gebeurt hier, wat maakt het dagelijks leven moeilijk en wat moet er als eerste veranderen?

Misschien is behandeling nodig. Misschien vooral rust, een veilige woonplek, overzicht over geld of iemand die langere tijd bereikbaar blijft. Vaak zal het om een combinatie gaan.

Op Verruimde Horizon staat die samenhang centraal: mensen leven niet in de afzonderlijke vakjes waarin wij wetten, budgetten en organisaties hebben verdeeld. Hun leven is één geheel. Ondersteuning moet daarop aansluiten.

Dat betekent ook dat kinderen en ouders niet alleen informatie leveren voor een plan van professionals. Zij moeten kunnen meepraten over wat belangrijk is, welke hulp passend voelt en waaraan zij merken dat het beter gaat.

Dat vraagt een omslag van ‘wij hebben een plan voor u’, naar ‘wat wilt u veranderen, wat is daarvoor nodig en wat spreken we daar samen over af?’

Wat kunnen we morgen anders doen?

Een andere manier van werken begint niet met een nieuwe leus. Zij begint met concrete afspraken en zichtbaar gedrag.

Kinderen, jongeren en ouders: maak duidelijk wat voor jullie telt

Vraag om uitleg in gewone taal. Wie doet wat? Wie is bereikbaar? Wat gebeurt er als de hulp niet werkt? Spreek ook uit wat jullie niet begrijpen, niet willen of juist missen.

Vraag om één herkenbaar aanspreekpunt en om belangrijke afspraken op papier. Betrek, als dat helpt, iemand die jullie vertrouwen.

Maar laat één ding helder zijn: jullie hoeven niet zelf de samenwerking tussen organisaties te regelen. Het is niet de taak van een gezin om het stelsel bij elkaar te houden.

Professionals: maak grenzen bespreekbaar zonder de deur te sluiten

Zeg eerlijk wat je wel en niet kunt. Benoem vervolgens wat nodig is om verder te komen.

Maak een overdracht zo mogelijk samen met het gezin en de volgende professional. Controleer of het contact daadwerkelijk tot stand is gekomen. Leg niet alleen vast wat je hebt gedaan, maar bespreek ook wat het heeft opgeleverd.

En trek tijdig aan de bel wanneer regels of ontbrekende hulp zorgvuldig handelen onmogelijk maken. Je hoeft een structureel probleem niet in je eentje op te lossen.

Leidinggevenden en zorgbestuurders: geef ruimte én rugdekking

Wie van medewerkers vraagt over grenzen heen te kijken, moet zorgen dat zij daar tijd, bevoegdheid en ondersteuning voor hebben.

Maak duidelijk wie kan besluiten wanneer een situatie vastloopt. Zorg voor ondersteuning bij onveiligheid en voor vervanging wanneer een professional moet terugtreden. Continuïteit mag niet afhangen van één medewerker die zichzelf blijft wegcijferen.

Bespreek bovendien niet alleen productie, wachttijden en budgetten. Vraag ook: welke gezinnen komen niet verder, waarom lukt het niet en wat moeten wij als organisatie veranderen?

Gemeenten en inkopers: maak afspraken over wat er tussen opdrachten gebeurt

Leg niet alleen vast wat een aanbieder levert. Spreek ook af wat er gebeurt wanneer de afgesproken hulp onvoldoende blijkt, meerdere partijen nodig zijn of niemand zich bevoegd voelt.

Wie brengt mensen bij elkaar? Wie kan een knoop doorhakken? Hoe voorkomen we dat een gezin maanden wacht terwijl organisaties over betaling overleggen?

Betrek wonen, inkomen, onderwijs en welzijn wanneer de situatie daarom vraagt. Niet ieder probleem vraagt meer zorg. Soms vraagt het vooral een oplossing buiten de zorg.

Wethouders, raadsleden en toezichthouders: vraag verder dan de cijfers

Vraag naast ‘blijven we binnen het budget?’ ook: ‘Wie krijgt niet de hulp die nodig is?’

Laat zien dat zorgvuldig onderbouwde keuzes bespreekbaar zijn, ook wanneer de uitkomst tegenvalt. Onderzoek fouten, maar maak onderscheid tussen nalatigheid, een verkeerde afweging en een situatie die ondanks goede inzet ernstig misgaat.

Wie alleen zekerheid beloont, moet niet verbaasd zijn wanneer mensen risico’s vermijden.

Scholen, huisartsen, buurtorganisaties en naasten: help verbinden, neem niet alles over

Een vertrouwd gezicht kan veel betekenen. Signalen opmerken, meegaan naar een gesprek of contact helpen leggen kan verschil maken.

Maar betrokkenheid moet vrijwillig en vol te houden zijn. Een netwerk versterken is iets anders dan professionele verantwoordelijkheid afschuiven. Een goede buur is geen voorliggende voorziening, zoals ik eerder op Verruimde Horizon schreef.

Regels moeten helpen, niet verdwijnen

Dit alles is geen pleidooi om contracten, kwaliteitseisen of toezicht af te schaffen.

Duidelijke afspraken beschermen mensen. Zij maken zichtbaar waarop iemand kan rekenen en wie aanspreekbaar is. Maar afspraken schieten tekort wanneer zij alleen beschrijven waar de ene verantwoordelijkheid ophoudt en de andere begint.

We hebben ook afspraken nodig over de verbinding daartussen.

Dat sluit aan bij de gedachte dat we het systeem niet moeten wegdenken, maar dienstbaar moeten maken: duidelijkheid waar die helpt, ruimte waar de situatie daarom vraagt.

De toets is eenvoudig te formuleren, al is het antwoord soms moeilijk: helpt deze afspraak ons om goede ondersteuning te bieden, of vooral om uit te leggen waarom wij niets meer hoeven te doen?

Geen garantie, wel verantwoordelijkheid

Hartog maakt aan het einde van het interview een belangrijk onderscheid. Verliezen terwijl je samen alles hebt gegeven, is iets anders dan verliezen doordat je niet werkelijk hebt samengespeeld.

Ook goede hulp kan een verdrietige afloop hebben. Wie dat ontkent, belooft een zekerheid die niemand kan bieden.

Maar ‘we hebben ons aan alle afspraken gehouden’ is evenmin een afdoende antwoord wanneer een kind is vastgelopen. Dan moeten we ook onderzoeken of signalen zijn gehoord, of het gezin werkelijk kon meepraten en of iemand heeft gehandeld toen de afgesproken hulp niet genoeg bleek.

Van markt naar mens vraagt daarom meer dan goede bedoelingen. Het vraagt dat we anders kijken, anders besluiten en anders organiseren.

Niet iedereen hoeft alles te doen.

Maar samen moeten we voorkomen dat niemand meer iets doet zodra zijn eigen opdracht is afgerond.

Daar begint ‘verantwoordelijkheid’ niet bij de belofte dat alles goed komt, maar bij de afspraak dat we niet wegkijken wanneer het anders loopt.