
Over het opeisen van de nacht, veiligheid op papier en de beweging van markt naar mens.
De tunnel voldoet. De verlichting werkt. De zichtlijnen zijn gecontroleerd. Het project is opgeleverd.
Stel je vervolgens de vrouw voor die na haar avonddienst naar huis fietst. Zij neemt nog steeds een andere route. Tien minuten langer, maar langs huizen waar licht brandt. Langs een winkel die nog open is. Langs plekken waar ze iemand kan aanspreken als dat nodig is.
Op papier is er een verbinding bij gekomen. In haar dagelijks leven blijft er een omweg bestaan.
Precies daar begint een vraag die niet met een technische oplevering wordt beantwoord: wanneer is een straat werkelijk van iedereen?
Een artikel van Stadszaken, Een veilige straat is nog geen straat waar mensen zich veilig voelen, legt die spanning bloot. Belevingsonderzoekers van Goudappel beschrijven hoe openbare ruimte technisch kan functioneren en voor gebruikers toch onaangenaam of onveilig kan aanvoelen. Hun pleidooi: neem ervaringen eerder mee, onderzoek wat er na oplevering gebeurt en zorg dat iemand de samenhang bewaakt.
Terecht. Maar onder dat praktische vraagstuk ligt een grotere maatschappelijke opgave. Het gaat niet alleen over hoe wij straten ontwerpen. Het gaat over wiens leven daarbij als uitgangspunt geldt.
En over wie zich moet aanpassen wanneer ontwerp, beheer en samenleving tekortschieten.
De straat is openbaar. De vrijheid niet gelijk verdeeld
Een straat kent geen openingstijden. Toch kan het voelen alsof je er na een bepaald uur niet meer vanzelfsprekend thuishoort.
Je mag er komen, maar je denkt eerst na. Over je route. Over wie je kunt bellen. Over de laatste bus. Over de vraag of je alleen terug durft.
Die afweging is niet gelijk verdeeld. In 2025 gepubliceerde CBS-cijfers, gebaseerd op gegevens uit 2023, laten zien dat 45 procent van de vrouwen van 15 tot 25 jaar weleens omloopt of omrijdt om onveilig gevonden plekken in de eigen buurt te vermijden. Onder jonge mannen gaat het om ongeveer een vijfde. Dat zijn cijfers over vermijdingsgedrag, niet over daadwerkelijk slachtofferschap. Maar juist dat gedrag laat zien hoe veiligheid doorwerkt in het dagelijks leven.
Want een omweg is meer dan een andere lijn op de kaart. Het is tijd. Het is afhankelijkheid. Het is soms afzien van een afspraak, een activiteit of een avond uit.
Wie thuisblijft omdat de terugweg te veel spanning oproept, ontbreekt vervolgens op het plein. Wie een tunnel vermijdt, verschijnt niet in de telling van fietsers die er gebruik van maken.
Zo kan een plek rustig lijken, terwijl die rust mede bestaat uit mensen die er niet meer komen.
Openbaarheid is daarom niet uitsluitend een juridische eigenschap van grond. Zij is ook een praktische mogelijkheid: kun je er daadwerkelijk zijn, op de momenten waarop jouw leven daarom vraagt?
De nacht opeisen is geen verzoek om een gunst
‘Wij eisen de nacht terug’ verwoordt een verlangen dat verder gaat dan een prettigere wandeling naar huis. In de campagne Wij eisen de nacht op, die ontstond na de moord op de zeventienjarige Lisa uit Abcoude, krijgt dat verlangen een publieke stem: vrouwen hebben het recht om altijd en overal veilig te zijn. De inzet is niet alleen bewustwording, maar blijvende verandering.
Het woord ‘eisen’ doet ertoe.
Het is geen beleefd verzoek om nog een lantaarnpaal. Geen vraag of vrouwen misschien ook een deel van de avond mogen gebruiken. Het is een aanspraak op vrijheid.
De vrijheid om een avonddienst te draaien zonder een ingewikkeld vervoersplan. Om na een concert naar huis te fietsen. Om alleen te wandelen. Om niet voortdurend rekening te hoeven houden met mogelijk grensoverschrijdend gedrag van anderen.
Wie die eis serieus neemt, kan niet blijven antwoorden met uitsluitend adviezen aan mogelijke slachtoffers.
Ga niet alleen. Kies een andere route. Deel je locatie. Laat weten wanneer je thuis bent.
Zulke voorzorgen kunnen iemand helpen. Niemand hoeft zich te verantwoorden voor maatregelen waarmee die zich veiliger probeert te voelen. Maar het wordt problematisch wanneer persoonlijke voorzorg het publieke antwoord vervangt.
Dan verandert het gedrag van degene die wordt bedreigd, terwijl het gedrag van degene die bedreigt buiten beeld blijft.
De opdracht is niet dat vrouwen de stad slimmer leren ontwijken. De opdracht is dat zij haar vrijer kunnen gebruiken.
Een bloembak houdt geen pleger tegen
Het Stadszaken-artikel maakt onderscheid tussen basisvoorwaarden, zoals veiligheid en verlichting, en toevoegingen die een plek aantrekkelijker maken: groen, kleur, kunst en prettige zitplaatsen.
Dat is een bruikbaar onderscheid. Een schone, overzichtelijke omgeving is nog niet automatisch een fijne plek om te verblijven.
Maar hier past ook waakzaamheid. Geweld en intimidatie zijn geen sfeerproblemen. Een beschilderde tunnel is niet vanzelf een sociaal veilige tunnel. Een bloembak houdt geen pleger tegen.
In een reflectie van de Radboud Universiteit op Wij eisen de nacht op klinkt bovendien een belangrijke waarschuwing: de aandacht gaat gemakkelijk naar de onbekende man in een donker park, terwijl veel geweld tegen vrouwen juist achter de voordeur plaatsvindt. Alleen de openbare ruimte veiliger maken is dus geen volledige aanpak van geweld tegen vrouwen.
Dat maakt ruimtelijke maatregelen niet overbodig. Het maakt hun plaats duidelijk.
Goed ontwerp kan helpen. Aanspreekbaar beheer kan helpen. Beschikbare hulp en serieus genomen meldingen kunnen helpen. Maar daarnaast zijn normen, verantwoordelijkheid en optreden nodig.
Een man die een vrouw intimideert, is geen ontwerpfout.
Een omgeving waarin zijn gedrag wordt weggewuifd als een grapje, een compliment of iets wat er nu eenmaal bij hoort, vraagt wel om maatschappelijke verandering. Ook om mannen die niet alleen afstand nemen van geweld, maar seksistische opmerkingen en grensoverschrijdend gedrag in hun eigen omgeving niet laten passeren.
Niet iedere man is een pleger. Dat ontslaat niemand van de vraag wat hij zelf kan bijdragen aan een andere norm.
Van markt naar mens begint bij een andere opdracht
Hier raakt het vraagstuk aan de beweging van markt naar mens.
Niet omdat iedere onveilige straat door marktwerking is veroorzaakt. Een gemeente kan ook zonder commerciële partijen verkokerd werken. Een publieke organisatie kan net zo goed verdwalen in procedures, budgetgrenzen en afvinklijsten.
Het gaat om een manier van denken.
Wie de openbare ruimte behandelt als een verzameling afzonderlijke producten, krijgt afzonderlijke prestaties. Een aannemer legt het fietspad aan. Een leverancier plaatst de verlichting. Een beheerder onderhoudt het groen. Een andere afdeling behandelt meldingen. Iedereen kan zijn opdracht correct uitvoeren, terwijl de gebruiker met een probleem blijft zitten.
De overgang van markt naar mens begint daarom niet bij vriendelijker taalgebruik. Zij begint bij de vraag welke opdracht we eigenlijk geven.
Niet uitsluitend: realiseer een verbinding tussen A en B. Maar ook: zorg dat uiteenlopende mensen die verbinding in hun dagelijks leven kunnen en durven gebruiken.
Niet uitsluitend: lever het plein binnen planning en budget op. Maar ook: maak een plek waar mensen kunnen verblijven zonder iets te moeten kopen, waar een rolstoel niet vastloopt en waar jongeren niet bij voorbaat als verstoring worden behandeld.
Techniek, geld en afspraken blijven nodig. Alleen bepalen zij niet meer in hun eentje wat succes is.
De menselijke bedoeling stuurt de prestatie, niet andersom.
Geen klanttevredenheid, maar publieke waarde
In het artikel komen woorden voor als ‘satisfiers’, ‘dissatisfiers’ en klantenonderzoek.
Begrijpelijke begrippen voor wie ervaringen wil onderzoeken. Toch moeten we oppassen dat we de inwoner daarmee niet opnieuw in een te smalle rol duwen.
Een burger is geen klant van de straat.
Een klant kan soms naar een andere aanbieder. Een inwoner kan niet eenvoudig een andere buurt kiezen omdat de route naar de bushalte onveilig voelt. Een kind kan niet onderhandelen over een overzichtelijker oversteek. Iemand met een visuele beperking kan obstakels niet oplossen door een slechter rapportcijfer te geven.
Publieke ruimte gaat over meer dan tevredenheid. Het gaat over rechten, toegankelijkheid en de mogelijkheid om mee te doen.
Neem een plein met terrassen, fraaie bestrating en hoge waarderingscijfers. Stel dat vrijwel iedere comfortabele zitplaats bij een horecazaak hoort. Wie geen geld kan of wil uitgeven, moet doorlopen.
Dan kan de commerciële levendigheid uitstekend zijn, terwijl de publieke gastvrijheid tekortschiet.
Van markt naar mens betekent hier iets heel concreets: ook ruimte waar je mag zijn zonder klant te worden.
Een bankje is dan niet alleen straatmeubilair. Het is een kleine publieke belofte: je hoeft niets te kopen om hier te mogen rusten.
Ontwerpen voor levens in plaats van voor gemiddelden
Hoe dat andere denken praktisch kan worden, laat Wenen zien. Daar kreeg het dagelijks gebruik door verschillende groepen nadrukkelijker een plaats in de stadsplanning. In de wijk Mariahilf ging het bijvoorbeeld om betere verlichting, bredere trottoirs, meer zitplaatsen en het verwijderen van obstakels. Ook de inrichting van parken werd heroverwogen nadat was vastgesteld dat meisjes er vanaf ongeveer negen jaar minder gebruik van maakten.
De betekenis zit niet in één wondermaatregel. Zij zit in de verandering van perspectief.
Wie kijkt naar een abstracte gemiddelde gebruiker, mist gemakkelijk verschillen. Wie kijkt naar dagelijkse levens, ziet andere vragen.
Kan een ouder met een kinderwagen hier passeren? Kan een oudere onderweg even zitten? Is er naast een dominant voetbalveld ook ruimte voor andere manieren van spelen en ontmoeten? Is een route bruikbaar voor iemand die langzamer beweegt?
Dat is geen voorkeursbehandeling. Het is onderzoeken of de veronderstelde neutraliteit van een ontwerp in de praktijk wel bestaat.
Ook het aangeleverde Stadszaken-artikel bevat zo’n les. Bij Utrechtse parkeergarages was volgens de geïnterviewde onderzoekers niet alleen aandacht nodig voor fysieke ingrepen, maar ook voor beheer en de mensen die de garages gebruikten.
Een plek is immers geen verzameling materialen. Zij krijgt betekenis door wat er gebeurt — en door wat er gebeurt wanneer iets misgaat.
Van opleveren naar verantwoordelijkheid blijven dragen
Een uitgewerkte beweging van markt naar mens vraagt vervolgens om andere keuzes in de uitvoering.
Laat gebruikers niet pas reageren wanneer de belangrijkste besluiten vaststaan. Loop vooraf met verschillende mensen door het gebied. Niet alleen op dinsdagochtend, maar ook op het tijdstip waarop de knelpunten worden ervaren.
Stel je een gemeente voor die met vrouwelijke avondwerkers de route tussen een zorglocatie en een bushalte onderzoekt. De halte zelf voldoet. Maar onderweg blijkt een stuk voetpad achter een gesloten parkeerterrein te verdwijnen. Bewegwijzering ontbreekt. Wie hulp zoekt, vindt niemand.
Dat is een denkbeeldig voorbeeld, maar het laat zien waarom een controle per afzonderlijk onderdeel onvoldoende kan zijn. Het dagelijks leven speelt zich af op de hele route.
Leg vervolgens niet alleen vast wat er wordt gebouwd, maar ook wie na ingebruikname aanspreekbaar blijft. Reserveer ruimte om aanpassingen te doen. Onderzoek na een halfjaar niet uitsluitend of de materialen heel zijn, maar ook wie de plek gebruikt en wie wegblijft.
En maak duidelijk wat er met signalen gebeurt.
Een belevingskaart zonder handelingsplicht kan een fraaie afbeelding van bestuurlijke onmacht worden.
Hetzelfde geldt voor een nieuwe belevingsbewaker. Zo iemand kan samenhang organiseren, maar mag geen alibi zijn waardoor alle anderen hun verantwoordelijkheid weer kunnen afschuiven.
Van markt naar mens betekent: niet ophouden bij de geleverde prestatie, maar aanspreekbaar blijven op wat die prestatie in mensenlevens teweegbrengt.
Veiligheid zonder nieuwe uitsluiting
Er hoort nog een ongemakkelijke vraag bij: voor wie maken we het prettig?
Een plein kan rustiger worden doordat jongeren worden weggestuurd. Een winkelgebied kan ordelijker ogen doordat mensen zonder koopkracht er nauwelijks nog kunnen zitten.
Maar is de ruimte daarmee beter geworden, of alleen selectiever?
Mensgericht werken betekent niet dat ieder gedrag moet worden geaccepteerd. Bedreiging, intimidatie en geweld vragen om duidelijke grenzen. Juist om iedereen ruimte te geven.
Het vraagt wel dat we onderscheid blijven maken tussen gedrag dat anderen schaadt en aanwezigheid die iemand niet bevalt.
Ook een groep jongeren mag ergens zijn. Ook iemand die niets koopt. Ook iemand die afwijkt van het beeld waarmee het plein ooit is ontworpen.
De vrijheid die vrouwen met het opeisen van de nacht verlangen, wordt niet sterker wanneer zij wordt gebruikt als argument om zonder onderscheid andere groepen verdacht te maken.
Veiligheid vraagt om zorgvuldig handelen, niet om een steeds smallere definitie van wie erbij hoort.
De nacht vraagt om meer dan licht
Het opeisen van de nacht maakt zichtbaar wat in veel beleid buiten beeld blijft: gelijke rechten op papier zijn nog geen gelijke mogelijkheden in het dagelijks leven.
Daarom is de verbinding tussen openbare ruimte en het sociaal domein geen vergezochte. Wie niet naar buiten durft, kan moeilijker deelnemen. Wie een voorziening niet kan bereiken, heeft weinig aan haar formele beschikbaarheid. Wie nergens welkom is zonder te betalen, ervaart de grenzen van een samenleving die ontmoeting wel belangrijk zegt te vinden.
Niet alles begint bij een zorgaanbod, een interventie of een begeleidingsplan.
Soms begint het bij een bruikbare stoep. Een bankje zonder consumptieplicht. Een herkenbaar aanspreekpunt. Een melding waarop werkelijk wordt gehandeld.
En soms begint het bij een man die tegen een andere man zegt: dit gedrag accepteren we niet.
De beweging van markt naar mens krijgt pas betekenis wanneer zij zulke alledaagse verhoudingen verandert. Wanneer niet de afgeronde opdracht, maar het mogelijke leven centraal staat.
Een gemeente kan dan niet volstaan met de mededeling dat de straat aan de eisen voldoet.
Zij moet ook willen weten wie nog steeds de omweg neemt.
Want een straat is niet werkelijk van iedereen zolang sommigen er alleen kunnen zijn op voorwaarden die anderen voor hen bepalen.