Over 1-op-1-plaatsingen, passende hulp en het verschil tussen een andere plek en een ander perspectief

Een jongere verblijft één op één op een vakantiepark. Niet omdat iemand denkt dat dit de beste plek is om op te groeien, maar omdat er op dat moment geen passende hulp beschikbaar is.

Het kabinet wil dit soort plaatsingen terugdringen. Voor jongeren die nu in een 1-op-1-setting verblijven, moeten passende oplossingen worden gevonden. Jeugdregio’s krijgen geld om nieuw aanbod te ontwikkelen. Er komt meer zicht op beschikbare plekken, betere coördinatie van plaatsingen en een landelijk kwaliteitsprogramma.

Dat zijn noodzakelijke stappen. Maar ze roepen ook een ongemakkelijke vraag op: wanneer is een doorbraak werkelijk een doorbraak?

Niet als een jongere alleen van locatie verandert. Wel als het leven van die jongere veiliger, begrijpelijker en hoopvoller wordt.

Het probleem is niet alleen de plek

Een 1-op-1-plaatsing kan het zichtbare eindpunt zijn van een veel langer verhaal. Misschien was hulp thuis niet tijdig beschikbaar. Misschien vielen school, gezin en jeugdhulp langs elkaar heen. Misschien bleek een voorziening die op papier passend was, in de praktijk niet te kunnen bieden wat deze jongere nodig had.

Dan is de verleiding groot om vooral naar de volgende plek te zoeken. Een bed, een team, een aanbieder die nog ruimte heeft. Dat zoeken is soms onvermijdelijk, zeker wanneer de veiligheid onder druk staat. Maar beschikbaarheid en passendheid zijn niet hetzelfde.

De eerste vragen moeten daarom over de jongere gaan. Wie kent hem of haar goed? Welke relaties geven houvast? Wat moet onmiddellijk veiliger worden? Wat kan dichtbij blijven, ook als tijdelijk verblijf elders nodig is? En wie blijft betrokken wanneer een plaatsing eindigt?

In ‘Niet zoeken naar een bed, maar naar een thuis’ beschreef ik waarom een geschikte verblijfplek meer vraagt dan een passend adres. Dit kabinetsbericht laat zien hoe dringend die gedachte is voor jongeren voor wie zelfs een gewone verblijfplek niet vanzelfsprekend blijkt.

Van markt naar mens is geen slogan

Het kabinet zet in op betere afstemming tussen wat beschikbaar is en wat een jongere nodig heeft. Dat kan voorkomen dat jongeren op een plek belanden die niet bij hen past. Maar er schuilt ook een grens aan die benadering: als het aanbod tekortschiet, kun je eindeloos beter afstemmen zonder uit te komen bij goede hulp.

De beweging van markt naar mens begint daarom een stap eerder. Niet bij de vraag: welk aanbod kunnen we inzetten?Maar bij: wat heeft deze jongere, met deze ouders, deze geschiedenis en deze omgeving, nodig om verder te kunnen?

Daarna volgt de bestuurlijke opdracht. Zorg dat professionals over organisaties en domeinen heen kunnen samenwerken. Geef hen tijd om vertrouwen op te bouwen. Maak het mogelijk dat onderwijs doorloopt en belangrijke relaties behouden blijven. En financier niet alleen een verblijfsvorm, maar ook het werk dat nodig is om een jongere weer perspectief te geven.

Dat is geen pleidooi tegen specialistische zorg, organisatie of geld. Die zijn juist nodig. De vraag is waaraan ze dienstbaar zijn. Eerder stelde ik daarom al de vraag: meer geld is nodig, maar voor welke jeugdzorg? Die vraag geldt ook hier.

Veiligheid vraagt om meer dan beheersing

Het kabinet werkt tegelijk aan een nieuw wettelijk kader voor gesloten jeugdhulp. Daarbij moet de rechtsbescherming van jongeren vooropstaan. De voorgenomen wetswijziging die nachtelijke kamerinsluiting mogelijk zou maken, gaat volgens het bericht niet door: de noodzaak is onvoldoende onderbouwd en het risico bestaat dat de maatregel in de praktijk steeds vaker wordt gebruikt.

Dat besluit neemt de moeilijke situaties niet weg waarvoor professionals ’s nachts verantwoordelijkheid dragen. Ook andere jongeren en medewerkers moeten veilig zijn. Wie dwang wil beperken, moet dus óók investeren in deskundige teams, ondersteuning op moeilijke momenten en alternatieven die werkelijk uitvoerbaar zijn.

Mensgericht werken betekent niet dat iedere grens verdwijnt. Het betekent dat begrenzing zorgvuldig wordt afgewogen, dat jongeren hun rechten kunnen uitoefenen en dat een noodmaatregel nooit het antwoord wordt op een tekort aan mensen of passende hulp.

Meet wat er voor jongeren verandert

De komende jaren zal ongetwijfeld worden bijgehouden hoeveel 1-op-1-plaatsingen er zijn en hoeveel ervan worden beëindigd. Dat is nuttige informatie. Maar het is niet genoeg.

Vraag ook wat er daarna gebeurde. Kon de jongere terug naar huis, of ontstond een andere plek waar rust en continuïteit mogelijk zijn? Bleef school in beeld? Zijn ouders en andere vertrouwde mensen betrokken? Weet de jongere bij wie hij of zij terechtkan? En werd voorkomen dat na een korte verbetering de volgende crisis ontstond?

Juist daar wordt zichtbaar of een doorbraakaanpak meer is dan een nieuwe route door het bestaande aanbod.

Voor jeugdregio’s betekent dit: bouw niet alleen extra plekken, maar organiseer hulp rondom het leven van jongeren. Voor aanbieders en professionals: maak zichtbaar wat passende hulp in de praktijk vraagt, ook wanneer dat niet in een standaardtraject past. Voor het Rijk: beoordeel de opbrengst niet uitsluitend in aantallen plaatsingen en beschikbare capaciteit, maar ook in veiligheid, continuïteit en perspectief.

Een 1-op-1-plaatsing beëindigen is nog niet hetzelfde als een jongere weer perspectief geven. Pas als ook dat laatste gebeurt, mag het een doorbraak heten.

Bronnen

Niet zoeken naar een bed, maar naar een thuis

Meer geld is nodig. Maar voor welke jeugdzorg?