
“Opa, als er oorlog komt, zijn jij en ik wel de pineut.”
Het was zomaar een zin in de auto. Niet voorbereid, niet zwaar aangezet. Mijn kleinzoon is zestien en zei het bijna terloops. Maar de woorden bleven hangen. Wij gebruiken allebei medicijnen. Zijn vraag was even eenvoudig als ontregelend: als er oorlog komt, zijn die medicijnen er dan nog wel?
Een jongen van zestien zou zich, als het een beetje meezit, vooral druk moeten maken over vrienden, verliefdheid, sport, muziek, school, een bijbaantje en de vraag wat hij later wil worden.
Natuurlijk, ook eerdere generaties kenden onzekerheid. Maar de vanzelfsprekendheid dat de toekomst in grote lijnen beter, ruimer en veiliger zou worden, is voor veel jongeren verdwenen.
Dat blijkt ook uit het UNICEF-jongerenadvies. Jongeren noemen pesten, het tekort aan betaalbare woningen en de veiligheid van Nederland als hun grootste maatschappelijke zorgen. In het onderzoek onder jongeren staat pesten op 41 procent, veiligheid op 39 procent en het tekort aan – en de hoge prijs van – woningen op 36 procent. Onder 16- en 17-jarigen staat het woningtekort zelfs op de eerste plaats.
Dat zijn geen losse thema’s. Het zijn drie vensters op één dieper probleem: een generatie die ervaart dat de wereld minder veilig, minder rechtvaardig en minder bewoonbaar wordt.
Een gesprek in de auto
Het gesprek met mijn kleinzoon ging verder. Donald Trump kwam voorbij. Hij doet gekke dingen, zei mijn kleinzoon. Maar hij doet volgens hem ook goede dingen. De harde aanpak van illegale migratie bijvoorbeeld, omdat Trump daarmee – zo ziet hij het – zijn eigen landgenoten vooropzet.
Daarna volgde de woningmarkt. Waarom moeten mensen in Nederland jarenlang wachten op een huis, terwijl asielzoekers volgens hem soms sneller woonruimte krijgen? Het is een gedachte die je vaker hoort. Niet alleen aan de borreltafel, maar ook onder jongeren. Zij zien een woningmarkt waarin starters nauwelijks kans maken, huurprijzen oplopen, de wachttijd voor een sociale huurwoning lang is en uit huis gaan steeds minder vanzelfsprekend wordt.
Wie zo naar de werkelijkheid kijkt, zoekt een verklaring. En wie geen overtuigend verhaal krijgt over schaarste, verdeling en politieke keuzes, komt al snel uit bij degenen die zichtbaar nieuw zijn in het land. Dat is menselijk, maar het maakt de analyse nog niet juist.
De woningnood is niet veroorzaakt door mensen die bescherming zoeken. Zij is het resultaat van jarenlang tekortschietend beleid: te weinig bouwen, te weinig betaalbare huur, te weinig ruimte voor starters, te veel ruimte voor speculatie en een overheid die de volkshuisvesting lange tijd heeft behandeld alsof de markt het wel zou oplossen. Jongeren voelen de gevolgen daarvan rechtstreeks. Zij weten dat een eigen kamer, een betaalbare woning of de mogelijkheid om voor studie en werk te verhuizen geen luxe is, maar een voorwaarde om volwassen te kunnen worden.
UNICEF-jongeren vragen daarom niet alleen om “meer huizen”, maar ook om betaalbare starterswoningen, betere regels rond huizenbezit en een langetermijnvisie op wonen. Dat zijn geen naïeve wensen. Het zijn redelijke eisen van een generatie die wil kunnen beginnen.
Angst is geen onvolwassenheid
We doen jongeren tekort wanneer we hun zorgen wegzetten als overdreven, beïnvloed door sociale media of onvoldoende geïnformeerd. Natuurlijk: beelden van oorlog, geweld en politieke ontsporing zijn vandaag permanent dichtbij. Het nieuws stopt niet aan het eind van de journaaluitzending. Via TikTok, Instagram, WhatsApp en andere kanalen komt de wereld letterlijk de slaapkamer binnen.
Maar dat betekent niet dat de angst verzonnen is.
Oorlog in Europa is geen abstract begrip meer. Internationale spanningen, militarisering, dreiging met kernwapens, cyberaanvallen, onzekerheid over energie en voedsel: jongeren zien het allemaal. Zij vragen zich af wat er gebeurt als het erger wordt. Of Nederland veilig blijft. Of er dienstplicht komt. Of noodzakelijke zorg en medicijnen beschikbaar blijven. Die laatste vraag stelde mijn kleinzoon niet vanuit politieke theorie, maar vanuit het zeer concrete besef dat kwetsbaarheid niet alleen iets van anderen is.
Dat is misschien wel de kern: jongeren groeien op in een tijd waarin afhankelijkheid zichtbaarder is geworden. Van vrede. Van een huis. Van een inkomen. Van een zorgsysteem dat werkt. Van volwassenen die ingrijpen als het misgaat.
De vraag is dus niet waarom jongeren onzeker zijn. De vraag is waarom wij volwassenen zo weinig vertrouwenwekkende antwoorden organiseren.
De woning als gesloten deur
Wie zestien is, kijkt vooruit. Niet naar overmorgen, maar naar de jaren waarin je wilt studeren, werken, samenwonen, misschien een gezin vormen, een eigen plek maken. Als die horizon wordt geblokkeerd door woningnood, blokkeert dat meer dan een verhuizing. Het tast het gevoel aan dat inspanning ergens toe leidt.
Dat is precies wat jongeren benoemen. Zij vrezen dat zij geen woning kunnen vinden, dat de markt oneerlijk is verdeeld en dat hun zelfstandigheid wordt uitgesteld. In eerdere UNICEF-peilingen vertelden jongeren al dat woningnood hun studiekeuze en ontwikkeling kan beperken, omdat uit huis gaan financieel of praktisch onhaalbaar wordt.
Wie daar alleen met cijfers op reageert, mist de menselijke laag. Wonen gaat niet uitsluitend over aantallen woningen. Het gaat over vrijheid, nabijheid, relaties, opleiding, werk en de mogelijkheid een eigen leven op te bouwen.
Daarom moeten we ook eerlijk zijn over de politieke verleiding om groepen tegen elkaar uit te spelen. Starters tegen statushouders. Huurders tegen woningzoekenden. Mensen die al lang wachten tegen mensen die acuut bescherming nodig hebben. Die tegenstelling levert misschien stemmen en verontwaardiging op, maar geen woningen.
Een volwassen politiek vertelt de waarheid: er is schaarste, die schaarste is niet onvermijdelijk en zij wordt niet opgelost door de zwakste groepen als zondebok aan te wijzen. Er moet sneller worden gebouwd, maar vooral anders worden gestuurd: meer betaalbare huur, meer sociale woningbouw, meer woningen voor starters, betere doorstroming en minder ruimte om wonen primair als verdienmodel te behandelen.
Pesten kent geen sluitingstijd
En dan is er pesten. Misschien lijkt het, naast oorlog en woningnood, een kleiner onderwerp. Maar voor degene die dagelijks wordt buitengesloten, gekleineerd, gefilmd, uitgelachen of belaagd in groepsapps is pesten geen bijzaak. Het is een wereld die steeds kleiner wordt.
Het Nederlands Jeugdinstituut vat het scherp samen: online pesten kan ieder uur van de dag doorgaan. Waar een jongere vroeger na school soms nog kon ontsnappen aan de groep, reist die groep nu mee naar huis, naar de slaapkamer en naar de nacht.[5]
Jongeren zeggen al jaren dat volwassenen pesten te laat zien, onvoldoende begrijpen of niet krachtig genoeg aanpakken. Zij vragen niet om één jaarlijkse anti-pestweek, een poster in de gang of een protocol dat in een digitale map verdwijnt. Zij vragen om structurele aandacht, laagdrempelige en betrouwbare hulp, volwassenen die signalen herkennen én ondersteuning voor pesters, omdat bestraffing alleen het probleem niet altijd oplost.
Dat laatste is belangrijk. Verbindend zijn betekent niet dat we pestgedrag relativeren. Integendeel. Wie een ander stelselmatig beschadigt, moet begrensd en aangesproken worden. Maar een veilige omgeving vraagt ook dat we willen begrijpen wat er achter dat gedrag schuilgaat: groepsdruk, onzekerheid, machtszoekend gedrag, angst om zelf buiten de groep te vallen of een gebrek aan empathie dat niemand ooit heeft helpen ontwikkelen.
Pesten aanpakken is dus niet alleen een taak van school. Het vraagt iets van ouders, sportcoaches, jeugdwerkers, familieleden, buurtgenoten en van iedereen die om jongeren heen staat. Een vertrouwenspersoon is nuttig, maar niet genoeg. De werkelijke basis is een netwerk van volwassenen dat beschikbaar, aanspreekbaar en betrouwbaar is.
Niet alles is de schuld van jongeren
We leven in een tijd waarin volwassenen jongeren geregeld verwijten dat zij te snel boos zijn, te kwetsbaar, te veel op hun telefoon zitten of te weinig weerbaar zijn. Soms zit er een kern van waarheid in zulke observaties. Maar het is te gemakkelijk om daarmee klaar te zijn.
Jongeren hebben niet de woningmarkt uitgekleed. Zij hebben geen oorlogen ontketend. Zij hebben sociale media niet ontworpen om aandacht, verontwaardiging en vergelijking zo verslavend mogelijk te maken. Zij hebben geen politiek systeem gebouwd waarin korte termijn, incidenten en harde tegenstellingen vaak meer opleveren dan geduld en lange adem.
Wel groeien zij op met de gevolgen ervan.
Dat vraagt van ons iets ongemakkelijks: niet eerst vragen hoe jongeren weerbaarder kunnen worden, maar ook hoe de wereld waarin zij opgroeien weer betrouwbaarder kan worden. Veerkracht is waardevol. Maar veerkracht mag nooit het excuus worden om onrecht, onzekerheid en falend beleid te laten voortbestaan.
Een jongere hoeft niet alleen te leren omgaan met een onzekere toekomst. Volwassenen moeten die toekomst ook minder onzeker maken.
Wat wij volwassenen moeten doen
Het tij keert niet met één nota, één campagne of één verkiezingsbelofte. Maar het kan wel keren als volwassenen – thuis, op school, in gemeenten, in de politiek, in zorg en welzijn, op sportclubs en in buurten – opnieuw verantwoordelijkheid nemen.
- Luister zonder meteen te corrigeren. Vraag jongeren wat zij precies vrezen, waar zij hun informatie vandaan halen en wat zij zelf als oplossing zien. Neem hun woorden serieus, ook wanneer u het niet direct met hun analyse eens bent.
- Maak moeilijke onderwerpen bespreekbaar. Oorlog, migratie, woningnood en discriminatie vragen om gesprekken waarin feiten, gevoelens en morele vragen naast elkaar mogen bestaan. Niet wegwuiven, niet ophitsen, maar duiden.
- Wees eerlijk over de woningnood. Wijs niet naar kwetsbare groepen als oorzaak van een crisis die jarenlang is opgebouwd. Maak volkshuisvesting opnieuw een publieke opdracht en geef jongeren daadwerkelijk een positie op de woningmarkt.
- Pak pesten permanent aan. Niet alleen op school, niet alleen offline en niet alleen als er een incident is. Zorg voor veilige meldroutes, duidelijke grenzen, deskundige volwassenen, steun voor slachtoffers, betrokkenheid van omstanders en begeleiding van pesters.
- Investeer in nabijheid. Jongeren hebben geen behoefte aan abstracte betrokkenheid, maar aan volwassenen die er zijn: thuis, in de klas, op straat, in de vereniging en online. Wie vertrouwen wil winnen, moet beschikbaar zijn voordat de crisis uitbreekt.
- Geef jongeren invloed die ertoe doet. Niet alleen een jongerenpanel voor de foto, maar zeggenschap in beleid, woningbouwplannen, veiligheidsvraagstukken, schoolcultuur en wijkontwikkeling. Luisteren zonder iets te veranderen is slechts een beleefde vorm van negeren.
- Herstel het geloof in de toekomst. Dat gebeurt niet met optimistische slogans. Het gebeurt wanneer jongeren merken dat afspraken worden nagekomen, hulp bereikbaar is, een huis niet onbereikbaar blijft en volwassenen verantwoordelijkheid nemen voor de wereld die zij achterlaten.
Mijn kleinzoon stelde in de auto geen politieke vraag. Hij stelde een menselijke vraag: “zijn wij straks nog veilig?”
Daar mogen we niet met cynisme, geruststellende clichés of een nieuwe zondebok op antwoorden. Onze taak is groter en concreter: ervoor zorgen dat jongeren weer reden hebben om te geloven dat de toekomst niet alleen iets is wat hen overkomt, maar ook een plek waarin zij kunnen wonen, leven, liefhebben en zichzelf worden.
Bronnen
- Nederlandse jongeren voelen zich structureel niet gehoord door de politiek
- Ipsos I&O – Rapport Onderzoek UNICEF-jongerenadvies 2025
- UNICEF jongerenadvies 2025
- Kinderen en jongeren uiten zorgen over pesten, huizentekort en armoede
- Online pesten: wat is het?
- Jongeren: Kom met aanpak tegen pesten
- Jongerenadvies 2024- UNICEF
- Dyantha (15) draagt troonrede voor tijdens Jongeren Prinsjesdag: “We worden eindelijk gehoord”