
De vier grote steden luiden de noodklok over dakloosheid. Terecht.
Mensen slapen op straat, in portieken, in auto’s, onder bruggen, op bankjes, in tenten langs stadsranden en soms in bossen. Bewoners zien de ellende dichterbij komen. Handhavers, boa’s, wijkagenten en hulpverleners krijgen situaties voor zich die steeds ingewikkelder worden. Crackgebruik, psychische ontregeling, schulden, verlies van werk, gebroken relaties, gebrek aan papieren en een tekort aan woonruimte komen samen op een paar vierkante meter stoep.
Dat mag niemand onverschillig laten.
De G4 vraagt het kabinet daarom om ongeveer 100 miljoen euro per jaar extra. Voor opvangplekken. Voor medicijnen die crackverslaving beter beheersbaar moeten maken. Voor een betere positie van dakloze arbeidsmigranten. Voor het terugdraaien van bezuinigingen op de ggz.
Wie dat leest, kan gemakkelijk zeggen: eindelijk. Eindelijk steden die hardop vertellen wat iedereen kan zien. Eindelijk bestuurders die niet doen alsof de openbare ruimte vanzelf alle gaten opvangt die wonen, zorg en bestaanszekerheid laten vallen.
En toch knaagt er iets.
Niet omdat opvang onnodig zou zijn. Integendeel. Iemand die vannacht buiten slaapt, heeft vannacht een veilige plek nodig. Iemand die in de war is, gebruikt, ziek is of bang is, heeft zorg nodig die niet pas beschikbaar komt na een intake, een beschikking en drie weken wachten. Iemand die de taal niet spreekt, geen adres heeft en het vertrouwen in instanties kwijt is, heeft iemand nodig die blijft staan.
Maar wie dakloosheid vooral beantwoordt met meer opvang, moet oppassen dat hij niet meer geld stopt in het organiseren van het probleem dan in het oplossen ervan.
De opvang als eindstation
De maatschappelijke opvang is bedoeld als tijdelijke voorziening. Een plek om op adem te komen, om weer contact te maken, om te herstellen en om de draad van het leven voorzichtig op te pakken. Maar steeds vaker dreigt zij een eindstation te worden.
Dat gebeurt wanneer uitstroom naar wonen vastloopt. Wanneer betaalbare woonruimte ontbreekt. Wanneer iemand met psychiatrische problemen of verslaving niet past in reguliere opvang, maar ook niet terechtkan in een kleinschalige of langduriger woonvoorziening. Wanneer een jongere wel begeleiding krijgt, maar geen inkomen. Wanneer een arbeidsmigrant zijn werk verliest en daarmee ook zijn kamer. Wanneer gemeenten, corporaties, zorgaanbieders en Rijk ieder naar een ander deel van het probleem kijken.
Dan wordt opvang geen tussenstap, maar een wachtkamer zonder uitgang.
Op Verruimde Horizon is eerder geschreven over de merkwaardige vanzelfsprekendheid waarmee Nederland veel geld uitgeeft aan de gevolgen van dakloosheid, terwijl investeringen in financiële rust, wonen en bestaanszekerheid voortdurend op regels, schotten en terughoudendheid stuiten. Het Bouwdepot voor jongeren werd daar het symbool van: relatief bescheiden financiële zekerheid kan mensen helpen om schulden af te lossen, onderwijs af te maken en weer zelfstandig te wonen, terwijl langdurige opvang juist duur en ontwrichtend is.
Dat is geen pleidooi om zorg af te bouwen. Het is een pleidooi om zorg niet te verwarren met een oplossing.
De deur naar wonen
De kernvraag voor de G4 zou daarom niet alleen moeten zijn: hoeveel extra opvangplekken hebben wij nodig?
De kernvraag zou moeten zijn: welke deuren zijn dichtgegaan waardoor mensen in de opvang, op straat of in een tent terechtkomen?
- De deur naar een betaalbare woning.
- De deur naar een tijdelijk contract dat niet meteen tot onzekerheid leidt.
- De deur naar inkomen dat niet wegvalt zodra het leven ontspoort.
- De deur naar schuldhulp die vroeg genoeg komt.
- De deur naar passende ggz en verslavingszorg, zonder dat iemand eerst volledig stabiel moet zijn om hulp te mogen krijgen.
- De deur naar wonen met begeleiding voor mensen die niet passen in een drukke nachtopvang, maar ook nog niet zelfstandig kunnen wonen.
- De deur naar een menselijk gesprek voor arbeidsmigranten die hun baan, bed en netwerk tegelijk verliezen.
Dat zijn geen zachte, abstracte woorden. Dat zijn de concrete voorwaarden waaronder mensen niet dakloos worden – of sneller ophouden dakloos te zijn.
Wie nu 100 miljoen euro extra vraagt, zou dus tegelijk een harde afspraak moeten vragen over uitstroomwoningen, tijdelijke woonvoorzieningen, passende woonzorgplekken, preventie van huisuitzetting, inkomenszekerheid en één herkenbaar aanspreekpunt voor mensen die uit beeld dreigen te raken. Anders wordt het geld vooral gebruikt om de wachtruimte groter te maken.
Niet wegjagen, niet vastzetten
De zichtbare dakloosheid in steden, parken en natuurgebieden roept begrijpelijkerwijs ook een vraag om handhaving op. Een tent in een park is geen woonoplossing. Een bos is geen beschermd wonen. Een portiek is geen opvanglocatie. Bewoners, bezoekers en natuur hoeven niet de rekening te betalen voor een systeem dat elders faalt.
Maar ontruimen zonder alternatief is meestal geen oplossing. Het is verplaatsen.
Van het ene viaduct naar het volgende. Van het station naar het park. Van de stad naar de bosrand. Van zichtbare ellende naar ellende die minder zichtbaar is en daardoor bestuurlijk misschien makkelijker te verdragen lijkt.
Daarom is een menswaardige aanpak nooit alleen zorg en nooit alleen handhaving. Zij begint met contact, met duidelijke grenzen en met een alternatief dat werkelijk beschikbaar is. Niet vijf telefoonnummers en een folder. Niet een opvangplek waar iemand wegens trauma, verslaving, angst of psychische ontregeling feitelijk niet kan verblijven. Maar een plek die past, een professional die verantwoordelijk blijft en een route naar wonen die niet na drie weken opnieuw doodloopt.
De vraag is niet of regels moeten gelden. Natuurlijk moeten zij gelden. De vraag is wat regels betekenen voor iemand die nergens anders heen kan.
Investeren in een einde
De G4 heeft gelijk dat er geld bij moet. Maar het kabinet zou voorzichtig moeten zijn met een antwoord dat uitsluitend bestaat uit meer middelen voor de achterkant van het probleem.
Meer geld voor opvang is nodig als mensen vannacht anders buiten slapen. Meer ggz is nodig als wachtlijsten en schotten mensen verder doen ontregelen. Meer verslavingszorg is nodig als middelengebruik levens, relaties en veiligheid ondermijnt. Een betere aanpak voor arbeidsmigranten is noodzakelijk als werkgevers en huisvesters mensen na baanverlies te gemakkelijk in een niemandsland achterlaten.
Maar laat dat geld dan een brug zijn, geen bestemming.
Niet investeren in een systeem waarin mensen beter worden opgevangen terwijl zij dakloos blijven. Investeren in een systeem waarin mensen sneller een woning, een inkomen, een aanspreekpunt en een reëel perspectief krijgen.
Want opvang kan bescherming bieden. Zorg kan herstel mogelijk maken. Handhaving kan grenzen stellen. Maar geen van drieën vervangt een thuis.
En zolang wij dakloosheid blijven behandelen als een opvangvraagstuk, zullen wij steeds opnieuw geld vragen om de gevolgen te dragen van deuren die wij eerder gesloten hebben.