Waarom een mensgericht sociaal domein alleen werkt als professionals weer mogen oordelen*

Er is iets merkwaardigs aan de manier waarop we het sociaal domein hebben ingericht.

We zeggen dat we willen aansluiten bij het leven van mensen. Bij wat gezinnen nodig hebben. Bij de buurt, het netwerk, de bestaanszekerheid en de vraag achter de vraag. We spreken over menselijke maat, maatwerk en nabijheid. Maar zodra een professional in de praktijk een afweging maakt die niet precies past binnen het beleid, het product, de beschikking of het protocol, wordt diezelfde professional al snel teruggeroepen.

Dan gaat het ineens niet meer over de mens. Dan gaat het over de regel.

Jurja Steenmeijer legt daar in haar artikel in Sociale Vraagstukken terecht de vinger op. Haar boodschap is even eenvoudig als urgent: goede sociaal werkers zijn geen uitvoerders van een vooraf uitgestippeld systeem. Het zijn vakmensen die, vanuit kennis, beroepsethiek en reflectie, in een concrete situatie moeten kunnen beoordelen wat nodig is.

Dat lijkt vanzelfsprekend. Maar in veel gemeenten en organisaties is het dat allang niet meer.

Neem de professional die een aanvraag voor jeugdhulp afwijst, niet uit onverschilligheid, maar juist omdat de gevraagde voorziening in dit gezin waarschijnlijk niet werkt. Misschien is er iets anders nodig: rust, schuldenaanpak, opvoedsteun zonder nieuw label, herstel van vertrouwen, een vaste volwassene in de omgeving of tijd om weer grip te krijgen.

Maar vervolgens komt er een klacht. Een ouder kent de weg, schakelt een jurist in, trekt aan de bel bij een wethouder. En uiteindelijk wordt de voorziening alsnog toegekend.

Misschien is dat besluit juridisch verdedigbaar. Misschien ook politiek begrijpelijk. Maar de wezenlijke vraag blijft vaak liggen: wat gebeurt hier met het professionele oordeel? En nog belangrijker: wat gebeurt er met het gezin wanneer het systeem vooral reageert op druk, procedure en zichtbare onvrede?

Het is precies deze verschuiving die ons sociaal domein langzaam heeft uitgehold. De professional wordt geacht mee te denken, maar niet te veel. Te signaleren, maar niet te politiek. Maatwerk te leveren, zolang dat binnen het standaardarrangement past. De situatie van een inwoner te zien, maar bij voorkeur wel via een formulier met vooraf bepaalde antwoordmogelijkheden.

Zo wordt hulpverlening een vorm van administratieve volgzaamheid.

Dat betekent niet dat iedere professional maar moet kunnen doen wat hem of haar goeddunkt. Professionele autonomie is niet: ‘ik bepaal het zelf wel’. Het is ook geen romantisch verlangen naar de eenzame hulpverlener die zich boven regels, democratische besluitvorming of rechtsgelijkheid verheven voelt.

Juist het omgekeerde is waar.

Autonomie betekent dat een professional zich gebonden weet aan méér dan de opdracht van de werkgever of de regel van het moment. Aan vakkennis. Aan de beroepscode. Aan mensenrechten. Aan het gesprek met collega’s. Aan de plicht om uit te leggen waarom een besluit, in deze situatie, voor deze persoon of dit gezin, verdedigbaar is.

Daarin zit een belangrijk onderscheid. Niet alle besluiten hoeven hetzelfde te zijn. Mensen zijn niet hetzelfde, levens zijn niet hetzelfde en problemen hebben nooit precies dezelfde oorzaak. Maar de manier waarop een professional tot een besluit komt, moet wel toetsbaar zijn. Niet vanuit willekeur, maar vanuit argumentatie, kennis en gezamenlijke professionele reflectie.

Dat vraagt dus niet om minder professionaliteit, maar om meer professionaliteit.

De beweging ‘Van markt naar mens’ pleit voor een sociaal domein waarin mens- en relatiegericht werken niet een mooie bijzin is, maar het uitgangspunt van de inrichting, financiering en sturing. Marktwerking, productlogica en afrekensystemen hebben volgens deze transitieagenda te vaak geleid tot versnippering, korte relaties en een focus op beheersing in plaats van publieke waarde.

Die analyse raakt aan een ongemakkelijke waarheid.

We kunnen nog zo vaak zeggen dat we ‘de inwoner centraal zetten’, maar zolang de organisatie vooral wordt gestuurd op productie, rechtmatigheid, doorlooptijden, contractafspraken en afvinkbare resultaten, krijgt de inwoner uiteindelijk wat het systeem kan leveren. Niet noodzakelijk wat hij of zij nodig heeft.

En de professional? Die wordt dan de schakel die het systeem moet laten functioneren. Niet de vakmens die samen met inwoners, collega’s en betrokkenen onderzoekt wat recht doet aan de situatie.

Dat is waarom de beweging van markt naar mens ook een beweging van controle naar vertrouwen moet zijn. Niet blind vertrouwen. Niet vrijblijvend vertrouwen. Maar georganiseerd vertrouwen: professionele ruimte, gekoppeld aan vakmanschap, tegenspraak, leren en publieke verantwoording.

Verruim de Horizon heeft eerder betoogd dat jeugdzorg, maatschappelijke ondersteuning en hulpmiddelen geen gewone marktproducten zijn, maar publieke kernvoorzieningen. Dat vraagt om langjarige, relationele vormen van samenwerking in plaats van steeds opnieuw concurreren om opdrachten.  Maar dezelfde redenering geldt binnen organisaties en gemeenten: ook de professional mag niet worden behandeld als een leverancier die slechts volgens specificatie levert.

Er is nog een reden waarom professionele autonomie zo belangrijk is.

Een goede sociaal werker kijkt niet alleen naar de voorziening waar iemand voor aanklopt. Die ziet ook wat daarachter schuilgaat. De alleenstaande moeder die niet alleen opvoedvragen heeft, maar ook voortdurend bang is haar woning kwijt te raken. De jongere die niet alleen “gedragsproblemen” heeft, maar geen plek heeft waar hij zich veilig en gezien voelt. De man die een budgetcoach krijgt aangeboden, terwijl zijn inkomen simpelweg te laag is om van rond te komen.

Daar begint professioneel weerwerk.

Niet door overal een politiek debat van te maken. Wel door te durven benoemen wanneer een individuele oplossing een collectief probleem maskeert. Wanneer zelfredzaamheid een beleidswoord wordt voor mensen die het zonder passende steun moeten uitzoeken. Wanneer een netwerkkaart wordt ingevuld terwijl iemand in werkelijkheid nauwelijks nog mensen heeft op wie hij kan terugvallen.

Wie begint bij de straat, de keukentafel en het dagelijks leven, ziet iets anders dan wie begint bij de productcode. Sociale verbondenheid, een toegankelijke buurt, een vaste plek om binnen te lopen, bestaanszekerheid en duurzame relaties zijn geen zachte randvoorwaarden. Zij vormen de basis waarop mensen overeind blijven.

Maar juist die werkelijkheid laat zich niet volledig vangen in een stappenplan.

De oproep is daarom niet alleen aan sociaal werkers. Natuurlijk moeten professionals hun vak kennen, hun beroepscode gebruiken, collega’s opzoeken en moed tonen wanneer regels onrechtvaardig uitpakken.

Maar gemeenten, bestuurders en werkgevers hebben minstens zo veel te doen.

Zij moeten stoppen met professionele ruimte te belijden en haar vervolgens weg te organiseren in protocollen, verantwoordingsformats en dichtgetimmerde contracten. Zij moeten ruimte niet zien als een risico dat zoveel mogelijk moet worden beheerst, maar als een noodzakelijke voorwaarde voor goed werk.

Dat vraagt om andere vragen aan professionals.

Niet alleen: ‘Is het protocol gevolgd?  Maar ook: ‘Wat zag je gebeuren?   Niet alleen: ‘Welke voorziening is ingezet?’  Maar ook: ‘Wat hielp deze inwoner werkelijk verder?’

Niet alleen: ‘Hoe borgen we gelijke behandeling?’  Maar ook: ‘Doen we in deze situatie daadwerkelijk recht?’

Van markt naar mens is dus niet alleen een debat over aanbesteding, bekostiging of bestuurlijke schaal. Het gaat over het herstel van een fundamentele verhouding: tussen inwoner, professional en overheid.

Een overheid die de mens centraal wil zetten, moet ook durven vertrouwen op de vakmens die naast die mens staat.

Want een sociaal domein waarin professionals alleen ruimte hebben zolang zij precies doen wat het systeem al had bedacht, is misschien goed georganiseerd.

Maar het is nog niet menselijk.