
Zorgfraude in de Jeugdwet en de Wmo is een hardnekkig en ongemakkelijk onderwerp. Het raakt publieke middelen, bestuurlijk vertrouwen en de kwaliteit van ondersteuning voor jeugdigen en inwoners die juist afhankelijk zijn van betrouwbare zorg. Toch blijft de discussie vaak steken in twee uitersten: aan de ene kant forse schattingen over de omvang van fraude, aan de andere kant de reflex om vooral nog meer te controleren, te registreren en te verantwoorden. Juist tussen die uitersten ligt de echte opgave.
De kern van het probleem is dat we wel weten dat fraude voorkomt, maar niet exact weten hoe groot het probleem is. De genoemde percentages en bedragen zijn meestal schattingen, gebaseerd op deelonderzoeken, rekenkamerstudies, meldingen en praktijkervaring. Dat maakt de cijfers niet waardeloos, maar wel voorzichtig te hanteren. Het betekent vooral dat schijnzekerheid moet worden vermeden: wie doet alsof de omvang exact bekend is, loopt het risico te snel naar generieke maatregelen te grijpen die het hele veld belasten.
Dat is een belangrijk punt, want de huidige aanpak wringt op meerdere manieren. Gemeenten, zorgkantoren, toezichthouders en rijksoverheid kijken vaak ieder vanuit hun eigen rol naar een deel van het probleem. Daardoor blijven signalen versnipperd en worden patronen te laat zichtbaar. In de praktijk leidt dat tot een hardnekkige bestuurlijke reflex: wat niet scherp zichtbaar is, wordt gecompenseerd met extra papierwerk, extra bewijslast en extra controle. Dat treft niet alleen de malafide aanbieder, maar vooral ook de grote groep integere aanbieders die hun werk zorgvuldig probeert te doen.
Daar komt bij dat fraude niet alleen een systeem- of geldprobleem is. De gevolgen landen direct bij jeugdigen en inwoners. Als zorg niet werkelijk wordt geleverd, als begeleiding instabiel is of als een voorziening vooral op papier bestaat, raakt dat de veiligheid, continuïteit en het vertrouwen van mensen die juist afhankelijk zijn van hulp. Fraude is dus ook schade aan de leefwereld van cliënten: aan hun ontwikkeling, hun dagelijkse stabiliteit en hun vertrouwen dat de overheid en de zorg hen beschermen.
Daarom vraagt een serieuze aanpak om meer dan strengere handhaving alleen. Nodig is een stelsel dat fraude moeilijk maakt, zonder goede zorg onnodig te verzwaren. Dat betekent: beter zicht op aanbieders en zorglocaties, duidelijke meldplicht, risicogericht toezicht, goede informatie-uitwisseling en een scherp onderscheid tussen echte risico’s en reguliere professionele praktijk. In dat perspectief kan een landelijk register van zorgaanbieders en zorglocaties een belangrijke rol spelen. Niet als extra bureaucratische laag, maar als instrument om overzicht te creëren, versnippering tegen te gaan en toezicht slimmer te organiseren.
Voor gemeenten, zorgkantoren, toezichthouders en rijksoverheid ligt hier een gezamenlijke opgave. Op korte termijn gaat het om slimmer signaleren, sneller delen van informatie en gerichter ingrijpen. Op langere termijn gaat het om een andere inrichting van het stelsel, waarin zicht, spreiding, verantwoording en bescherming van jeugdigen en inwoners beter met elkaar in balans zijn. Dan kan fraude harder worden bestreden, terwijl integere aanbieders juist minder onnodige last ervaren.
Onderstaand essay verkent die spanning. Het laat zien waarom de schattingen over fraude met zorggeld serieus genoeg zijn om actie te vragen, maar te onzeker om er blind beleid op te bouwen. Het laat ook zien waarom het perspectief van de jeugdige of inwoner centraal moet staan, en waarom een slimme, structurele aanpak uiteindelijk effectiever is dan een steeds zwaarder controleregime. De vraag is dus niet alleen hoe we fraude bestrijden, maar vooral hoe we een stelsel bouwen waarin fraude veel minder kans krijgt.