
Er zijn van die woorden die in beleid vanzelfsprekend zijn geworden, maar in het leven van mensen iets heel anders betekenen. ‘Activering’ is zo’n woord. ‘Participatie’ ook. En misschien nog wel meer: ‘zelfredzaamheid’. Op papier klinken het als redelijke begrippen. Wie wil er nu niet dat mensen meedoen, richting vinden, op eigen kracht verder kunnen? Maar wie langer kijkt, ziet dat deze woorden allang niet meer onschuldig zijn. Ze ordenen hoe we naar mensen kijken. Ze bepalen wie als kansrijk geldt en wie als probleem verschijnt. Ze maken van maatschappelijke breuken persoonlijke opgaven.
Juist bij jongeren wordt dat zichtbaar.
De jongere die zich meldt voor bijstand verschijnt in het publieke debat zelden als iemand die gevormd is door de manier waarop onze samenleving werk, wonen, onderwijs en zorg heeft ingericht. Vaker verschijnt hij als raadsel. Waarom lukt het hem niet? Waarom sluit hij niet aan? Waarom pakt hij zijn kansen niet, juist nu overal personeel wordt gezocht?
Die vraag is inmiddels zo vertrouwd geraakt dat nauwelijks nog opvalt hoe eenzijdig zij is. Want achter die vraag ligt al een hele wereld besloten. Een wereld waarin de arbeidsmarkt in beginsel toegankelijk heet. Waarin kansen beschikbaar zouden zijn. Waarin de belangrijkste hindernis dus wel in de persoon zelf moet liggen: te weinig motivatie, te weinig discipline, te weinig inzet, te weinig veerkracht.
Maar misschien moeten we de vraag omdraaien.
Misschien is de werkelijke vraag niet waarom sommige jongeren niet aanhaken, maar wat voor samenleving het is waarin aanhaken alleen lukt voor wie al over voldoende rust, steun, gezondheid, geld en houvast beschikt. Misschien moeten we niet beginnen bij het vermeende tekort van de jongere, maar bij de ordening van het systeem dat hem opvangt, beoordeelt en zo vaak weer terugstuurt.
Want dat is wat er gebeurt.
Achter de taal van kansen ligt een werkelijkheid van flexwerk, tijdelijke contracten, oproepdiensten, schulden, psychische druk, afgebroken opleidingen, versnipperde hulp en smalle loketten. Achter de taal van maatwerk ligt vaak een stelsel dat vooral leert selecteren, afbakenen en vertragen. Achter de taal van eigen kracht ligt een samenleving die haar collectieve draagkracht stukje bij beetje heeft afgebouwd.
Daarmee is de jonge bijstandsgerechtigde niet de uitzondering op een verder gezond systeem. Hij is juist de plek waar het systeem zichtbaar wordt. Niet in zijn beloften, maar in zijn grenzen. Niet in zijn beleidsdoelen, maar in zijn uitwerking. Niet in de abstractie van cijfers en regelingen, maar in het leven van iemand die steeds opnieuw moet bewijzen dat zijn onzekerheid echt is.
Dat is ongemakkelijk. Ook omdat het haaks staat op een hardnekkig verhaal van deze tijd: dat van de krappe arbeidsmarkt. Er zouden banen genoeg zijn. Er zouden kansen genoeg zijn. En dus lijkt elke vorm van afhankelijkheid bijna verdacht. Maar “werk genoeg” blijkt in de praktijk iets anders dan “plek genoeg”. De arbeidsmarkt vraagt niet zomaar om mensen. Zij vraagt om direct inzetbare, belastbare, beschikbare en soepel invoegbare mensen. Wie wankelt, vertraagt of begeleiding nodig heeft, merkt hoe smal die toegang in werkelijkheid is.
En zelfs wie wél binnenkomt, is er nog niet. Voor veel jongeren is werk allang geen vanzelfsprekende route meer naar bestaanszekerheid. Het is vaak werk zonder bodem: losse uren, wisselende inkomsten, voortdurende beschikbaarheid, geen rust, geen opbouw, geen perspectief. Niet werk tegenover uitkering, maar werk én onzekerheid. Niet meedoen als toegang tot stabiliteit, maar meedoen onder voorwaarden die instabiliteit juist verlengen.
Precies daar raakt de vraag naar jongeren in de bijstand aan een bredere vraag over de staat van het sociaal contract.
Wat is sociale zekerheid nog waard wanneer zij pas in beeld komt nadat iemand eerst alles heeft geprobeerd, alles heeft uitgelegd en alles heeft bewezen? Wat blijft er over van bescherming wanneer die steeds afhankelijker wordt van voorwaarden, tempo, toetsing en bestuurlijke leesbaarheid? En wat zegt het over een samenleving als juist jonge mensen al vroeg leren dat inkomen voorlopig is, hulp tijdelijk, en rust pas beschikbaar komt nadat zij hun bruikbaarheid voldoende hebben aangetoond?
Wie deze vragen serieus neemt, kan niet volstaan met meer activering, betere afstemming of slimmere uitvoering alleen. Natuurlijk doet uitvoering ertoe. Natuurlijk zijn professionals, gemeenten, scholen, werkgevers en gezinnen allemaal van betekenis. Maar onder die praktijk ligt een fundamentelere kwestie: welk mensbeeld sturen we eigenlijk het systeem in?
Zolang de markt de maat blijft van menselijke waarde, zullen jongeren die niet direct meekunnen te gemakkelijk verschijnen als achterstand, risico of afwijking. Zolang beleid vertrekt vanuit de vraag hoe iemand zo snel mogelijk passend gemaakt kan worden voor arbeid, blijft buiten beeld wat nodig is om een leven überhaupt weer dragend te maken.
Daarom is de beweging die nu nodig is niet alleen bestuurlijk, maar ook moreel. Minder markt, meer mens. Niet eerst de regeling, maar eerst het leven. Niet eerst de vraag hoe iemand moet aansluiten, maar eerst de vraag wat ontbreekt om niet verder weg te zakken. Niet eerst productie, maar eerst bestaanszekerheid. Niet eerst controle, maar eerst nabijheid.
Dat vraagt niet om zachtheid, maar om scherpte. Om preciezer te kijken naar wat jongeren werkelijk dragen en wat wij als samenleving op hen afschuiven. Om te erkennen dat onzekerheid niet alleen een individueel lot is, maar ook een bestuurlijk geproduceerde werkelijkheid. Om te zien dat achter iedere jonge bijstandsgerechtigde niet alleen een persoonlijk verhaal schuilgaat, maar ook een politieke keuze over wat wij nog collectief willen dragen.
Het essay dat hierop volgt vertrekt vanuit precies die vraag. Niet om jongeren opnieuw te beschrijven als doelgroep, probleemcategorie of bestuurlijke opgave, maar om hun positie te lezen als symptoom van iets groters. Van een arbeidsmarkt die flexibiliteit verheerlijkt. Van een verzorgingsstaat die bescherming voorwaardelijker heeft gemaakt. Van een samenleving die afhankelijkheid alleen nog duldt wanneer zij snel weer verdwijnt.
Misschien is dat uiteindelijk de kern.
De jonge bijstandsgerechtigde staat niet buiten de samenleving. Hij staat er middenin. Op het punt waar arbeid, beleid, moraal en bestaanszekerheid elkaar raken. Op het punt waar zichtbaar wordt hoeveel onzekerheid een samenleving bereid is normaal te noemen. En op het punt waar de vraag zich aandient of we nog in staat zijn de volgorde om te keren: van systeem naar leven, van controle naar vertrouwen, van markt naar mens.
Want daar begint iedere verruimde horizon.