
Over jonge kinderen, publieke ruimte en de kunst om preventie werkelijk dichtbij te organiseren
Er is iets merkwaardigs aan de manier waarop gemeenten naar jonge kinderen kijken. We weten dat de eerste levensjaren ertoe doen. Voor motoriek, gezondheid, zelfvertrouwen, taal, contact met anderen en de gewoonten die iemand later meeneemt. We noemen het de basis van een mensenleven. We spreken over preventie, kansengelijkheid en een sterke sociale basis.
Maar als het over bewegen gaat, vallen juist de jongste kinderen nog opvallend vaak buiten beeld.
Recent onderzoek laat zien dat gemeenten zich voor kinderen van nul tot vier jaar veel minder structureel inzetten dan voor kinderen in de basisschoolleeftijd. Dat is opmerkelijk, maar misschien ook weer niet zo verrassend. De jongste kinderen passen namelijk slecht in onze systemen. Ze gaan nog niet naar school. Ze melden zichzelf niet aan bij een sportvereniging. Ze vullen geen enquête in. Ze dienen geen hulpvraag in. En zolang er geen zichtbare ontwikkelingsachterstand, opvoedprobleem of zorgvraag is, bestaat de kans dat ze bestuurlijk nauwelijks zichtbaar worden.
Dat is precies het probleem.
De wereld op ooghoogte
Voor een kind van twee is bewegen geen beleidsdoel. Het is geen sportprogramma en al helemaal geen prestatie. Bewegen is kruipen over de vloer. Op een muurtje willen klimmen. Met een loopfiets een bocht proberen te maken. Achter een duif aan rennen. Vallen, huilen, lachen en het nog een keer doen.
Een jong kind ontdekt de wereld met zijn lichaam. Het leert waar het eindigt en de wereld begint. Het leert evenwicht, afstand, snelheid en risico. Misschien leert het vooral vertrouwen: in zichzelf, in de ouder die toekijkt en in een omgeving die niet bij voorbaat zegt dat alles gevaarlijk is.
Daarom is de vraag of jonge kinderen voldoende bewegen niet alleen een vraag voor sportbeleid. Het is ook een vraag voor jeugdbeleid, gezondheid, kinderopvang, openbare ruimte, verkeersveiligheid, welzijn en bestaanszekerheid. Een veilige stoep is beweegbeleid. Een speelplek in de buurt is gezondheidsbeleid. Tijd in de kinderopvang om buiten te zijn is ontwikkelingsbeleid. Een ouder die zich welkom voelt bij een laagdrempelige activiteit, zonder eerst te hoeven uitleggen waarom het thuis niet lukt, ervaart iets van de sociale basis waar we zo vaak over spreken.
Voor een jong kind bestaan die beleidskokers niet. Er is alleen de wereld waarin het opgroeit.
De verkeerde reflex
De bestuurlijke reflex is vaak begrijpelijk. Er komt een onderzoek. Er blijken achterstanden of lacunes te zijn. Dan volgt de vraag welk aanbod er moet komen. Een beweegprogramma, een peutergymgroep, een tijdelijke impuls, een buurtsportcoach, een subsidieregeling. En laat duidelijk zijn: zulke initiatieven kunnen van grote waarde zijn. Soms zijn ze precies wat nodig is.
Maar ze zijn niet genoeg wanneer we de onderliggende vraag niet stellen.
Een kind beweegt niet omdat er een regeling bestaat. Het beweegt omdat het dagelijks leven ertoe uitnodigt.
Dat vraagt om een andere blik. Niet eerst: hoeveel deelnemers hebben we bereikt? Maar: welke kinderen en ouders blijven buiten beeld? Niet alleen: welke interventie kopen we in? Maar: kunnen gezinnen veilig en gemakkelijk naar buiten? Niet uitsluitend: hoeveel uur zet een professional zich in? Maar ook: hebben professionals ruimte om te zien wat er in een gezin, een opvanglocatie of een buurt werkelijk nodig is?
Preventie wordt te vaak georganiseerd als iets tijdelijks. Als een project met een begin- en einddatum. Als een activiteit die moet bewijzen dat zij voldoende oplevert. Maar de basis waarop kinderen opgroeien, is geen project. Die basis moet er gewoon zijn.
Niet wachten op een dossier
De beweging van markt naar mens begint niet pas aan de keukentafel van de hulpverlening. Zij begint veel eerder.
Zij begint op het moment dat we besluiten dat een kind niet eerst een casus hoeft te worden om gezien te worden. Dat ouders niet eerst hoeven vast te lopen om ergens terecht te kunnen. Dat een veilige, uitnodigende en beweegvriendelijke leefomgeving geen extraatje is voor gezinnen die het kunnen organiseren, maar een publieke verantwoordelijkheid.
Dat betekent niet dat de gemeente het leven van ouders moet overnemen. Integendeel. Een mensgerichte overheid maakt niet alles overbodig, maar maakt meer mogelijk. Zij zorgt dat professionals elkaar kennen. Dat kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, sociaal werk, sport en de gemeente niet ieder vanuit hun eigen opdracht naar hetzelfde gezin kijken zonder elkaar te vinden. Zij organiseert niet alleen hulp wanneer het misgaat, maar ruimte waardoor minder vaak hulp nodig is.
Dat is een veel bescheidener én ambitieuzer idee van preventie.
Bescheidener, omdat het niet doet alsof we alle problemen kunnen voorkomen. Ambitieuzer, omdat het verder gaat dan een tijdelijk aanbod of een goedbedoelde campagne. Het vraagt om een publieke omgeving die kinderen letterlijk en figuurlijk bewegingsvrijheid geeft.
Een vraag aan gemeenten
Misschien moeten we gemeenten daarom niet als eerste vragen hoeveel beweegactiviteiten zij voor nul- tot vierjarigen aanbieden. Misschien is een andere vraag relevanter.
Stel je een kind van twee voor.
- Kan dat kind veilig naar buiten?
- Is er ruimte om te rennen, te klimmen en te spelen?
- Is er een ouder of andere volwassene die tijd heeft om mee te kijken?
- Is de opvang een plek waar bewegen en ontdekken gewoon onderdeel zijn van de dag?
- Zijn er plekken in de buurt waar ouders elkaar kunnen ontmoeten zonder dat daar een indicatie, een abonnement of een probleem voor nodig is?
Wanneer we die vragen serieus nemen, verschuift ook onze aandacht. Dan gaat het niet langer alleen om sportstimulering. Dan gaat het over de vraag wat voor samenleving we voor jonge kinderen willen zijn.
In het bijgaande essay werk ik die gedachte verder uit. Niet om van ieder kind een sporter te maken. Wel om duidelijk te maken dat een gemeente die preventie en menselijke maat serieus neemt, niet moet wachten tot een kind of gezin vastloopt.
Want een kind dat vrij kan bewegen, leert niet alleen lopen, springen en vallen.
Het leert ook dat de wereld ruimte voor hem heeft.