Tien studenten wonen samen in een huis aan de Oude Boteringestraat in Groningen. Zij dreigen dat huis te moeten verlaten, niet omdat er sprake is van overlast, onveiligheid of een verpauperde buurt, maar omdat hun woonvorm juridisch niet precies past binnen de lokale regels voor kamerverhuur. De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Elanor Boekholt-O’Sullivan, riep gemeenten deze week op om in zulke situaties pragmatisch te handelen. Wie geen problemen veroorzaakt en al langere tijd samenwoont, zou niet automatisch door handhaving op straat moeten belanden.

Dat is een sympathieke oproep. Maar hij roept ook een ongemakkelijke vraag op. Als de overheid gemeenten vraagt om soepel om te gaan met regels om een redelijke uitkomst mogelijk te maken, zijn die regels dan niet zelf te streng, te grofmazig of te weinig menselijk? En wanneer de menselijke maat afhankelijk wordt van coulance, is dat dan niet precies de bureaucratie waarvan we steeds zeggen dat we ervan af willen?

De Groningse studenten wonen in wat op papier geen gewoon huishouden zou zijn. Een woonvereniging is formeel hoofdhuurder, terwijl de bewoners onderhuren. Daarmee kwalificeert de gemeente de situatie als kamerverhuur waarvoor een vergunning nodig is. De bewoners hebben bezwaar gemaakt tegen de sluiting van hun huis.

Achter deze juridische discussie schuilt een begrijpelijke geschiedenis. Gemeenten willen voorkomen dat woningen worden opgeknipt voor winstmaximalisatie, dat verhuurders regels omzeilen met schijnconstructies, en dat straten veranderen in een aaneenschakeling van slecht beheerde kamerpanden. Bewoners hebben recht op een veilige woning, een leefbare buurt en bescherming tegen huisjesmelkers. Regels voor verkamering zijn dus niet uit de lucht komen vallen.

Maar een regel die bedoeld is om misstanden te bestrijden, kan ook mensen treffen die helemaal geen misstand veroorzaken. Dat lijkt hier het geval. Een bestaand studentenhuis waarin jongeren samen wonen, verantwoordelijkheid dragen en geen overlast veroorzaken, wordt in de praktijk gelijkgesteld aan de constructies waarvoor de regels ooit zijn aangescherpt.

Dat is het moment waarop bestuur moet durven kijken. Niet alleen naar het contract, de huurder op papier of de juiste juridische definitie, maar naar de werkelijkheid achter de voordeur.

De minister zegt: gemeenten hoeven niet star vast te houden aan alle formele eisen. Kijk naar de feitelijke situatie. Is er geen overlast? Is de leefbaarheid niet in het geding? Dan kan een vergunning of een oplossing mogelijk zijn.

Dat is een verstandig uitgangspunt. Maar het is ook een onthullend uitgangspunt. Want wat betekent het eigenlijk wanneer een overheid moet oproepen tot pragmatisme? Blijkbaar is er een regel die in individuele gevallen leidt tot een uitkomst die zelfs de minister niet wenselijk vindt. Blijkbaar is er beleidsruimte nodig om te voorkomen dat een goed functionerende woonvorm verdwijnt. Blijkbaar hangt het lot van bewoners vervolgens af van de vraag of hun gemeente bereid is die ruimte ook werkelijk te gebruiken.

Coulance is waardevol wanneer zich een uitzonderlijke, onvoorziene situatie voordoet. Maar deze situatie is niet uitzonderlijk. De spanning tussen regels voor verkamering, woningdelen, studentenhuizen en schaarse woonruimte is voorspelbaar. Zij speelt in veel steden en zij zal eerder toenemen dan afnemen.

Als een probleem structureel is, hoort de oplossing niet uitsluitend te bestaan uit uitzonderingen. Dan hoort zij thuis in het ontwerp van beleid en regelgeving.

Menselijke maat is niet dat een bestuurder soms een uitzondering toestaat. Menselijke maat is dat het systeem niet eerst onredelijk hoeft te worden voordat er een uitzondering nodig is.

In veel overheidsbeleid klinkt tegenwoordig de belofte van ja, mits. Het is een aantrekkelijke formulering. Niet de regel staat centraal, maar de bedoeling. Niet het verbod, maar de mogelijkheid. Niet wantrouwen, maar een redelijke afweging.

In de praktijk blijft het echter vaak: nee, tenzij. Eerst wordt vastgesteld dat een situatie niet past binnen de regel. Dan volgt een handhavingsdreiging. Vervolgens moeten bewoners aantonen dat zij geen overlast veroorzaken, dat hun woonvorm al lang bestaat, dat zij geen kwaad in de zin hebben en dat sluiting disproportioneel zou zijn.

Dat is geen ja-mits. Dat is een uitzondering moeten verdienen.

Een werkelijk ja-mits-beleid zou anders beginnen. Niet met de vraag: onder welke juridische categorie valt deze woonvorm? Maar met de vraag: welke publieke belangen zijn hier in het geding, en worden die belangen daadwerkelijk geschaad?

Bij studentenhuisvesting kunnen dat heldere vragen zijn:

  • Is de woning brandveilig en bouwkundig verantwoord?
  • Is er sprake van goed verhuurderschap en redelijke huurvoorwaarden?
  • Zijn er concrete, aantoonbare problemen met overlast of leefbaarheid?
  • Is het huis een verkapte verdienconstructie, of een stabiele vorm van samen wonen?
  • Kan een tekortkoming worden hersteld zonder bewoners hun huis uit te zetten?

Dat zijn vragen die recht doen aan de bedoeling van regulering. Zij beschermen de buurt, de bewoners en de woningmarkt, zonder iedere afwijkende woonvorm automatisch als probleem te behandelen.

De discussie speelt bovendien tegen de achtergrond van een groeiend tekort aan studentenhuisvesting. Volgens de Landelijke Monitor Studentenhuisvesting bedroeg het tekort in 2025 al 21.500 woonruimten. Zonder stevige uitbreiding van het aanbod kan dat tekort in de komende jaren verder oplopen. Tegelijk neemt het aanbod van particuliere studentenkamers af, onder meer doordat panden worden verkocht of een andere bestemming krijgen.

Dat betekent niet dat iedere vorm van kamerverhuur maar moet kunnen. Woningnood is geen vergunning om slechte huisvesting, excessieve huren of overlast te accepteren. Juist in een schaarse markt moet de overheid scherp zijn op uitbuiting en kwaliteitsverlies.

Maar schaarste vraagt wel om onderscheidingsvermogen. Het sluiten van een bestaand studentenhuis zonder aantoonbare problemen lost geen woonprobleem op. Het verschuift het. Tien bewoners moeten elders een kamer zien te vinden in een markt waar kamers nauwelijks beschikbaar zijn. De buurt wordt er niet vanzelf rustiger van. De woningmarkt wordt er niet ruimer van. En de geloofwaardigheid van de overheid wordt er ook niet groter van.

De vraag is dus niet: moeten regels wijken voor woningnood? De vraag is: kunnen regels onderscheid maken tussen hetgeen zij terecht willen bestrijden en hetgeen zij onbedoeld kapotmaken?

De minister legt de verantwoordelijkheid nadrukkelijk bij gemeenten. Zij maken de regels, zij kennen de wijk en zij moeten per geval beoordelen wat redelijk is. Dat is begrijpelijk. Wonen is lokaal. De druk op een straat in Groningen is niet dezelfde als die in Utrecht, Amsterdam of een middelgrote gemeente waar een studentencomplex aan de rand van de stad ligt.

Toch is lokale ruimte niet automatisch hetzelfde als rechtvaardigheid.

Wanneer de ene gemeente een bestaand studentenhuis legaliseert en de andere gemeente sluiting doorzet, ontstaat een verschil in rechtsbescherming dat moeilijk uit te leggen is. Dan wordt de postcode bepalend voor de vraag of een goed functionerende woonvorm mag blijven bestaan.

Decentralisatie betekent niet dat iedere gemeente opnieuw moet uitvinden wat proportionaliteit, redelijkheid en menselijke maat betekenen. Gemeenten hebben ruimte nodig voor lokale afwegingen, maar bewoners hebben ook recht op heldere beginselen die overal gelden.

Een landelijk kader hoeft niet voor te schrijven hoeveel studenten in welk huis mogen wonen. Het kan wel vastleggen dat handhaving proportioneel moet zijn, dat herstel voor sluiting gaat en dat bestaande woonvormen zonder aantoonbare schade niet zomaar verdwijnen.

De overheid hoeft niet minder streng te zijn waar strengheid nodig is. Malafide verhuurders, onveilige panden, intimidatie van huurders en commerciële constructies die buurten onder druk zetten, vragen om stevige handhaving. Daar mogen gemeenten niet wegkijken.

Maar handhaving is geen doel op zichzelf. Zij is een middel om publieke waarden te beschermen.

Dat vraagt om een andere volgorde. Niet: eerst sluiten en dan bekijken of er misschien ruimte is. Maar: eerst vaststellen welk probleem moet worden opgelost, vervolgens bezien welke oplossing proportioneel is, en pas als herstel of legalisatie onmogelijk is, grijpen naar het zwaarste middel.

Voor bestaande studentenhuizen zou dat kunnen betekenen:

  • Inventariseer welke huizen al jaren functioneren zonder aantoonbare problemen.
  • Bied een realistisch traject voor legalisatie, veiligheidstoetsing of herstel.
  • Geef bewoners en verhuurders duidelijkheid over de voorwaarden.
  • Richt handhavingscapaciteit op panden waar werkelijk sprake is van onveiligheid, uitbuiting of ernstige overlast.
  • Voorkom dat studenten de rekening betalen van een juridisch probleem dat zij niet zelf hebben veroorzaakt.

Dat is niet slap. Dat is precies wat een betrouwbare overheid zou moeten doen: duidelijk zijn over grenzen, scherp zijn op misstanden en redelijk zijn waar regels onbedoeld gewone mensen raken.

Het Groningse studentenhuis is geen klein incident. Het laat zien hoe gemakkelijk een overheid kan verdwalen in haar eigen instrumenten. Een regel wordt aangescherpt om ongewenst gedrag tegen te gaan. Daarna blijkt die regel ook situaties te raken die niemand werkelijk wil beëindigen. Vervolgens komt de oproep om “pragmatisch” te zijn.

Maar pragmatisme mag niet de nooduitgang worden van een te strak systeem.

De vraag aan gemeenten is dus niet alleen of zij in dit geval soepel willen zijn. De vraag aan overheid en wetgever is fundamenteler: waarom moeten inwoners hopen op soepelheid om een redelijke uitkomst te krijgen?

Regels zijn nodig. Zij beschermen kwetsbare huurders, buurten en publieke waarden. Maar zodra regels vooral mensen moeten beschermen tégen de toepassing van diezelfde regels, is niet de uitzondering het probleem. Dan verdient de regel zelf opnieuw aandacht.