
Over stelposten, jeugdzorg en de moed om tekorten niet weg te rekenen
Er zijn van die woorden die onschuldig klinken, maar een hele wereld kunnen verhullen. ‘Stelpost’ is zo’n woord.
Het klinkt als een tijdelijk plankje in een financiële kast. Iets wat later nog wel wordt ingevuld. Een administratieve mogelijkheid, een technische voorziening, een voetnoot voor ingewijden. Maar achter die ene post kunnen grote vragen schuilgaan: over kinderen die op hulp wachten, ouders die vastlopen, professionals die te weinig tijd hebben en gemeenten die verantwoordelijk zijn gemaakt voor taken waarvoor zij structureel te weinig zekerheid krijgen.
In deze begrotingstijd komt die spanning weer scherp naar boven.
De VNG adviseert gemeenten om voor de jaren 2028 tot en met 2030 stelposten op te nemen voor onder meer aanvullende jeugdmaatregelen, het oordeel van de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd en de mogelijke afschaffing van de huishoudelijke hulp. Daar is een begrijpelijke gedachte achter te vinden. Wie taken in medebewind uitvoert, zou niet zelf het financiële risico moeten dragen van rijksbeleid. De Gemeentewet is daar in beginsel helder over.
Maar een beginsel is nog geen begroting.
De wens en de werkelijkheid
De regels voor begroten zijn minder ruimhartig dan de politieke wens. Een stelpost mag niet zomaar worden opgenomen omdat men hoopt, verwacht of bestuurlijk redelijk vindt dat er ooit geld komt. Een raming moet reëel zijn. Onderbouwd. Controleerbaar.
Daar wringt het.
Want wat doe je als je weet dat de kosten in de jeugdzorg verder oplopen, dat het Rijk gesprekken voert, dat compensatie denkbaar is, maar dat die nog niet vaststaat? Dan ontstaat de verleiding om alvast een bedrag in de begroting te zetten. Niet omdat het geld er is, maar omdat het er eigenlijk zou moeten zijn.
Dat is menselijk. Ook bestuurlijk.
Gemeenten willen niet vooruitlopen op bezuinigingen die misschien niet nodig blijken. Zij willen voorkomen dat de druk in de jeugdzorg onmiddellijk wordt afgewenteld op welzijn, sport, cultuur, groen, wonen of de sociale basis. Zij willen kunnen blijven doen wat nodig is voor inwoners.
Maar er bestaat een verschil tussen wachten op een oplossing en doen alsof die oplossing al bestaat. Een tekort dat op papier verdwijnt, is niet altijd een tekort dat in de werkelijkheid is opgelost.
De begroting als verhaal
Een gemeentebegroting is geen neutraal boekwerk. Zij vertelt een verhaal over wat we belangrijk vinden, welke risico’s we durven benoemen en wie uiteindelijk de rekening krijgt.
Te vaak wordt de meerjarenbegroting behandeld als een document dat vooral goed genoeg moet zijn voor de toezichthouder. Als 2027 sluitend is en de jaren daarna nog enigszins toonbaar ogen, kan het bestuurlijke gesprek verder. Maar daarmee wordt de begroting kleiner gemaakt dan zij is.
De gemeenteraad heeft meer nodig dan een groen licht van de provincie. Raadsleden moeten kunnen zien waar de opgaven zich ophopen. Niet alleen in de cijfers van het komende jaar, maar juist ook in de jaren daarna. Zij moeten kunnen begrijpen welke aannames onder een stelpost liggen, wat er gebeurt als compensatie vanuit het rijk uitblijft en welke beleidsvelden dan onder druk komen te staan.
Democratische sturing begint bij een gedeeld beeld van de werkelijkheid.
Dat beeld mag ingewikkeld zijn. Het mag onzeker zijn. Het mag zelfs ongemakkelijk zijn. Maar het moet wel zichtbaar zijn.
Van markt naar mens
In de beweging van markt naar mens gaat het niet om de gedachte dat geld er niet toe doet. Het tegendeel is waar. Juist omdat publieke middelen schaars zijn, moeten we eerlijk zijn over wat er nodig is en over wat er ontbreekt.
Marktlogica probeert tekorten vaak te vertalen in een beheersingsvraagstuk. Kan het goedkoper? Kunnen we strakker inkopen? Kunnen we volumes beperken, toegang aanscherpen, contracten heronderhandelen? Soms zijn dat terechte vragen. Maar zij zijn nooit voldoende.
Want achter een financieel tekort in de jeugdzorg zit geen abstract product dat duurder is geworden. Daar zit een kind dat niet goed mee kan komen op school. Een gezin waarin problemen zich opstapelen. Een ouder die mantelzorg, werk en opvoeding niet meer kan combineren. Een jeugdprofessional met een caseload die geen ruimte laat om op tijd nabij te zijn. Een wijkteam dat probeert te voorkomen dat kleine problemen grote problemen worden.
Als we alleen naar de begroting kijken als een optelsom van kostenposten, verliezen we gemakkelijk uit het oog wat die posten in het dagelijks leven betekenen.
Van markt naar mens betekent daarom: niet beginnen met de vraag welke uitgave omlaag kan, maar met de vraag welke menselijke werkelijkheid aandacht vraagt. Niet de financiële techniek als vertrekpunt nemen, maar de publieke opdracht.
Dat maakt de begroting niet eenvoudiger. Wel eerlijker.
Laat zien waar het schuurt
Misschien is de oplossing minder spectaculair dan we soms denken.
Maak het begrotingsjaar dat voor toezicht bepalend is structureel en reëel sluitend. Gebruik geen creatieve stelposten om een tekort weg te werken dat feitelijk nog niet is gedekt. Maar laat vervolgens in de jaren daarna gewoon zien waar de druk zit.
Laat zien welke kosten worden verwacht. Welke maatregelen gemeenten zelf nemen. Welke verbeteringen in de jeugdzorg mogelijk zijn, en welke niet. Laat zien waar de afhankelijkheid van het Rijk begint. Benoem welke bedragen nog onzeker zijn. En leg uit waarom gemeenten, zolang gesprekken lopen, ervoor kiezen om niet direct te bezuinigen op voorzieningen die inwoners nodig hebben.
Dat is geen teken van bestuurlijke zwakte. Het is een teken van bestuurlijke volwassenheid.
Onderbouwde stelposten kunnen daarin een plaats hebben. Maar geef ze dan ook een duidelijke, herkenbare plek. Maak inzichtelijk waarop zij zijn gebaseerd. Benoem of de toezichthouder ze accepteert. Geef aan welk risico resteert. En bespreek het vooraf met de provincie, in plaats van achteraf te ontdekken dat een financieel beeld alsnog wordt gecorrigeerd.
Een raad hoeft niet tegen onzekerheid te worden beschermd. Zij moet juist in staat worden gesteld om er politieke betekenis aan te geven.
Geen geruststellend verhaal
De verleiding is groot om in een begroting vooral geruststelling te organiseren. Een sluitend meerjarenbeeld oogt degelijk. Het geeft het gevoel dat de zaken onder controle zijn. Maar schijnzekerheid is een slechte raadgever, zeker in het sociaal domein.
Wie tekorten onzichtbaar maakt, verplaatst het probleem. Naar een later jaar. Naar een volgende raad. Naar uitvoerende organisaties. Naar professionals. Of uiteindelijk naar inwoners die merken dat ondersteuning minder beschikbaar, minder toegankelijk of minder menselijk wordt.
Dat is precies wat we zouden moeten willen voorkomen.
De vraag is dus niet alleen of een stelpost financieel mag. De diepere vraag is wat wij bereid zijn te laten zien. Durven we te erkennen dat de publieke opdracht soms groter is dan de financiële ruimte? Durven we dat open op tafel te leggen? Durven we vervolgens, met raad, inwoners, professionals en maatschappelijke organisaties, het gesprek te voeren over wat nodig is?
Een begroting die dat gesprek mogelijk maakt, is misschien minder geruststellend.
Maar wel waarachtiger.
En misschien is dat, in een tijd waarin zoveel onzeker lijkt, de meest betrouwbare vorm van bestuur: niet doen alsof het probleem er niet is, maar het met open vizier onder ogen zien.