
Af en toe kom je een tekst tegen die iets doet met je innerlijke kompas. De oratie van Jan‑Kees Helderman de kwesties in het sociaal domein en een pleidooi voor een pragmatisch reveille (2022; zie onder de blog) – is er zo één.
Wie zijn rede naast mijn blogs op Verruim de Horizon legt, ontdekt opvallend veel resonantie. En precies daar waar het botst, wordt het interessant.
Van verzorgingsstaat naar plein van ontmoeting
Helderman begint bij het grote verhaal: de verschuiving van onze naoorlogse verzorgingsstaat naar wat hij de sociale investeringsstaat noemt. Geen stelsel meer dat alleen uitkeert als het misgaat, maar een die probeert sociaaleconomische uitval te voorkomen. Met gemeenten als spil en het sociaal domein – Jeugdwet, Wmo, Participatiewet – als laagveen waarin alles samenkomt.
Op Verruim de Horizon begin ik zelden bij dat stelsel. Ik begin bij de wasserette op de hoek, het buurtrestaurant, het plein waar kinderen spelen en ouderen een praatje maken. In “De verkeerde afslag in het sociaal domein” schreef ik: een zorgzame samenleving begint niet bij regels, regelingen of indicaties, maar bij publieke ruimte, ontmoeting en betrokkenheid.
Helderman en ik kiezen een ander startpunt, maar lopen al snel hetzelfde pad op. Hij noemt het de sociale basis en de leefomgeving, ik heb het over “zorg om de hoek”. In beide verhalen is preventie geen beleidsparagraaf, maar een kwestie van plekken, relaties en nabijheid.
Het polycentrisch labyrint en de administratieve put
Helderman beschrijft het sociaal domein als een “polycentrisch labyrint”: meerdere leefwerelden, stapels regels en financieringsstromen, gefragmenteerde kennis en macht. Een ecosysteem waarin iedereen verantwoordelijk is, en daardoor soms niemand echt.
In mijn blogs komt datzelfde labyrint terug in andere woorden. In “Van wurging naar omhelzing” schrijf ik over gemeenten die allemaal net iets andere verantwoordingscriteria hanteren, met exploderende bureaucratische lasten als gevolg. In “Maak werk van reductie van gedoe” vraag ik waarom we professionals eerst door een administratieve storm laten lopen, voordat ze bij de inwoner aan tafel kunnen zitten.
We kijken naar hetzelfde verschijnsel: een systeem dat zoveel energie opzuigt, dat er te weinig overblijft voor het werk waar het echt om draait.
NPM, bezuinigingsreflex en moreel scepticisme
Helderman legt een directe lijn naar New Public Management: sturen op afstand, strak contracteren, aanbestedingslogica. Zijn analyse is helder: we zijn daarmee probleemoplossend én empathisch vermogen kwijtgeraakt.
Op Verruim de Horizon zie je die kritiek terug in minder academische taal. In “De verkeerde afslag in het sociaal domein” noem ik de reflex om opnieuw op het sociaal domein te bezuinigen een vorm van maatschappelijke zelf‑amputatie: wie denkt te besparen door te snijden in nabijheid en publieke ruimte, plant de kiem voor de volgende kostenexplosie. In “De beweging naar voren” waarschuw ik dat een mooi preventieverhaal kan verworden tot de volgende beleidsparagraaf, gestuurd door dezelfde oude systeemlogica.
Helderman waarschuwt voor een ondermijnend moreel scepticisme: het gevoel dat het toch allemaal geen zin heeft, dat elke poging tot verandering eindigt in nog meer regels of een autoritaire tegenreactie. Mijn eigen irritatie met weer een nieuw landelijk programma dat vooral papier oplevert, heeft daar veel mee te maken.
Pragmatisme, “experimentalist governance” en de beweging naar voren
Interessant wordt het waar Helderman zijn alternatief schetst. Hij grijpt terug op het pragmatisme van Dewey en werkt, samen met Sabel en Zeitlin, aan wat zij “experimentalist governance” noemen. Kort samengevat:
- Begin bij concrete problemen van burgers en professionals.
- Formuleer gezamenlijk ambities.
- Geef lokale partijen ruimte om te handelen.
- Borg casuïstiek, monitoring en reflectie om stap voor stap te leren en bij te sturen.
Utrecht wordt in zijn verhaal een voorbeeld van een lerend jeugdstelsel: geen blauwdruk, maar een cumulatie van institutionele keuzes die logisch op elkaar voortbouwen.
Wie mijn stukken over “Van visie via uitvoering tot verantwoording” leest, hoort daar een echo in. Ik pleit er al langer voor om visie, uitvoering, governance en verantwoording als één beweging te zien. Niet eerst dikke nota’s, dan een aanbesteding en pas daarna de praktijk. Maar samen ontwerpen, samen uitvoeren, samen leren – in cycli.
Mijn “beweging naar voren” is in die zin een praktische vertaling van wat Helderman op academisch niveau beschrijft. Waar hij spreekt over inquiry en reflexiviteit, schrijf ik over het ritme van casuïstiekbesprekingen, lerende tafels, en de moed om verantwoording eenvoudiger en relationeler te maken.
Waar wringt het?
Er zijn ook verschillen die blijven schuren – en dat is gezond.
Helderman werkt sterk vanuit de logica van instituties en stelsels. Zijn remedies bewegen zich vaak op het niveau van governance‑architectuur en contractvormen. Dat is nodig, maar het risico is dat de taal weer ver af komt te staan van de wijk.
Ik schrijf nadrukkelijk vanuit de straat, de keukentafel, het buurthuis. Mijn wantrouwen jegens “nog een programma” of “nog een stelselherziening” is mede gevoed door de praktijk. Soms voel ik bij academische analyses de neiging om hardop te vragen: en wie gaat het nu gewoon anders doen, morgen om 9 uur, bij mevrouw Jansen?
Andersom kan mijn verhalende stijl de vraag oproepen: hoe veranker je dit in structuren, zodat het geen incidentenpolitiek wordt maar duurzame verandering? Helderman biedt daar juist taal en denkkaders voor.
Naar een verruimd pragmatisme
Wat mij aanspreekt, is dat zijn pragmatische reveille en mijn pleidooi om de horizon te verruimen, elkaar kunnen versterken. Noem het een verruimd pragmatisme in het sociaal domein:
- Waarin we accepteren dat we de toekomst niet kunnen dichtregelen,
- Waarin we het sociaal domein dichtbij en relationeel organiseren,
- Waarin we governance opnieuw ontwerpen rondom leren in plaats van afrekenen,
- En waarin we de taal van Dewey, WRR en governmentality voortdurend toetsen aan het verhaal van die ene inwoner tussen wet en huiskamer.
Misschien is dat wel de echte reveille: niet nóg een keer wakker schrikken van een incident of een bezuinigingsbrief, maar samen besluiten om wakker te blíjven. In de wijk, in de raadszaal, in de collegekamer én in de bestuurskundige literatuur.
Daar, ergens tussen Lorenzetti’s fresco’s en het buurtrestaurant op de hoek, ligt de ruimte om het anders te doen.