Een verkenning van het liber amicorum voor Nicole Vettenburg en de verbinding met ons denken over het sociaal domein

Soms vallen wetenschappelijke inzichten en praktijkervaringen samen op een manier die je doet schrikken van herkenning. 

Het liber amicorum “Maatschappelijk engagement: een besef van kwetsbaarheid” (2012), samengesteld ter ere van criminologe en sociaal agoog Nicole Vettenburg, is zo’n moment. Meer dan dertig collega-onderzoekers uit België en ver daarbuiten reflecteren op haar levenswerk – en lezen we hun bijdragen vandaag, dan herkennen we onze eigen worsteling met het sociaal domein.

Vettenburg ontwikkelde de ‘theorie van maatschappelijke kwetsbaarheid’: jongeren uit kwetsbare posities plegen meer probleemgedrag niet omdat ze zelf tekort schieten, maar omdat ze in hun contact met maatschappelijke instituties – school, welzijn, justitie, arbeidsmarkt – telkens opnieuw de negatieve aspecten ondergaan (controle, sancties, uitsluiting) en minder genieten van het positieve aanbod. Herhaaldelijke ervaringen van discriminatie en stigmatisering maken dat ze geen kans krijgen om positieve, stabiele banden met de samenleving te ontwikkelen.

Klinkt bekend? Dat moet ook. Want wat Vettenburg beschrijft in criminologische termen, zien wij dagelijks in het sociaal domein: systemen die bedoeld zijn om te ondersteunen, eindigen in het versterken van precies die kwetsbaarheid die ze zouden moeten doorbreken.

Een van de meest indringende bijdragen in het liber amicorum heet letterlijk “De tragiek van het preventiedenken”. De auteurs – Maria Bouverne-De Bie, Rudi Roose, Thomas Maeseele en Michel Vandenbroeck – leggen de vinger op een pijnlijke paradox.

Preventie ontstaat vanuit een goedbedoeld engagement: laten we problemen voorkomen voordat ze escaleren. Laten we risicofactoren in kaart brengen en daar tijdig op interveniëren. Maar wat gebeurt er in de praktijk? De focus op risico’s leidt tot een technische benadering waarin mensen gereduceerd worden tot hun risicoprofiel. De verwachting dat we welbepaalde negatieve effecten kunnen beheersen suggereert dat wie tóch in de problemen komt, daar zelf verantwoordelijk voor is – want de juiste interventies waren er toch?

Zo verschuift de aandacht van structurele oorzaken naar individuele tekortkomingen. Een alleenstaande moeder die de klok rond werkt en haar gezin moeilijk onder controle houdt, krijgt een oudertraining aangeboden. Dat ze uitgeput is door onzekere arbeidscontracten en onbetaalbare kinderopvang – die structurele factoren blijven onderbelicht. De interventie legt de verantwoordelijkheid bij haar, terwijl de echte oorzaken onaangeroerd blijven.

Het liber amicorum noemt dit geen incident, maar een natuurlijke voorkeur in preventiewerk: persoonsgerichte acties zijn overzichtelijk, resultaten zijn snel zichtbaar, de professional heeft controle. Structuurgerichte preventie – onderhandelen met woningcorporaties, vechten voor rechtvaardige regelgeving, lobbyen voor betere arbeidsvoorwaarden – vergt andere competenties, veel geduld, en de effecten manifesteren zich traag of helemaal niet.

Herkennen we deze spanning niet ook in ons sociaal domein? Waar dashboards groen kleuren terwijl gezinnen vastlopen? Waar we mensen meten, wegen en in hokjes plaatsen, maar vergeten te vragen wat het systeem zélf met hen doet?

De verbinding met onze eigen analyse in “Van markt naar mens” dringt zich op. 

Vettenburg pleit voor wenselijke preventie: niet elke preventie is goed, alleen die welke emancipatorisch werkt en zowel op personen als op structuren ingrijpt. Preventie die niet alleen traint en vormt, maar ook kritisch kijkt naar de instituties die kwetsbaarheid creëren. Preventie die mensen niet reduceert tot hun problemen, maar erkent als dragers van betekenis, als burgers met rechten.

Dit interactionistische perspectief – problemen ontstaan noch louter bij het individu, noch louter in structuren, maar in hun wisselwerking – vormt het wetenschappelijk fundament onder onze praktijkkritiek. Want precies dat missen we in het huidige sociaal domein: de erkenning dat systemen zelf deel van het probleem kunnen zijn.

Het liber amicorum waarschuwt dat de uitbreiding van preventie tot een professionele praktijk kan leiden tot overmatige interventionisme, psychologisering van sociale problemen, en het onzichtbaar maken van structurele ongelijkheid. Lees: marktwerking, aanbestedingen, prestatie-indicatoren en controle-cyclussen. Hulp opgeknipt in producten, mensen gereduceerd tot casussen.

Vettenburg’s analyse dat kwetsbare mensen geen maatschappelijke hulpbronnen vinden maar barrières ontmoeten, herkennen we één-op-één: het systeem helpt niet, het belemmert. Niet de voorziening maar de relatie maakt het verschil – maar de relatie is weggeorganiseerd.

Het liber amicorum biedt ook hoop, en daar ligt de verbinding met onze eigen koers.

Vettenburg’s werk laat zien dat emancipatie het kompas moet zijn: interventies moeten mensen vrijheid geven om zich te ontplooien, maar dit vereist ook solidaire structuren. Niet het aanpassen van mensen aan systemen, maar het inrichten van systemen als publieke infrastructuur voor het gewone leven.

Haar praktische initiatieven – zoals Majong, het forum dat onderwijs en welzijn verbindt, en het Jeugdonderzoeksplatform – tonen hoe wetenschappelijke inzichten vertaald kunnen worden naar concrete samenwerking. Niet vanuit controle of afrekenbaarheid, maar vanuit gedeeld engagement voor kinderen en jongeren.

Het liber amicorum pleit voor pedagogisch handelen als sociaal handelen: samen bezinnen over onze culturele identiteit, de werkelijkheid bevragen, naar nieuwe definities zoeken. Niet problemen vooraf bepalen en dan beheersen, maar in dialoog ontdekken wat er speelt en wat er nodig is. Niet uitvoeren van protocollen, maar vakmanschap dat kan schakelen tussen regels en relaties, tussen wettelijke grenzen en menselijke maat.

Dit is geen naïef idealisme. Het is een realistisch alternatief voor systemen die vastlopen in hun eigen bureaucratie. Het is een wetenschappelijk onderbouwd pleidooi voor wat wij steeds vaker horen van professionals in het veld: geef ons ruimte voor de relatie, vertrouw op ons vakmanschap, laat ons werken aan wat mensen nodig hebben in plaats van wat het systeem voorschrijft.

De titel van het liber amicorum – “Maatschappelijk engagement: een besef van kwetsbaarheid” – raakt de kern. 

Engagement begint met het besef dat we allen kwetsbaar zijn. Dat systemen kwetsbaar zijn, instituties kwetsbaar zijn, professionals kwetsbaar zijn. Dat we nooit alles kunnen voorkomen, nooit alle risico’s kunnen beheersen, nooit perfecte interventies kunnen ontwerpen.

Maar juist in dat besef ligt ook de mogelijkheid voor echte verbinding. Want wie erkent kwetsbaar te zijn, kan ook de kwetsbaarheid van de ander zien. Niet als risicofactor die beheerst moet worden, maar als menselijke conditie die om solidariteit vraagt.

Het sociaal domein heeft geen behoefte aan meer preventieprotocollen, meer prestatie-indicatoren, meer controle. Het heeft behoefte aan maatschappelijke hulpbronnen die mensen werkelijk ondersteunen in hun oriëntatie op de samenleving. Aan professionals die ruimte krijgen voor vakmanschap. Aan systemen die ingericht zijn op menselijke maat, niet op marktlogica.

Aan een horizon die zich verruimt.

Het liber amicorum “Maatschappelijk engagement: een besef van kwetsbaarheid” (Academia Press, 2012) is een wetenschappelijke bundel ter ere van Nicole Vettenburg, met bijdragen van meer dan dertig onderzoekers over jeugdcriminaliteit, maatschappelijke kwetsbaarheid, preventie, onderwijs en sociaal werk. Het boek biedt zowel diepgaande theoretische reflectie als concrete praktijkvoorbeelden – en blijkt na veertien jaar pijnlijk actueel.