
Veertig jaar na de geboorte van haar levenloze zoon houdt Liesbeth haar gestorven kleindochter vast. Het verdriet is niet kleiner. Maar deze keer mag het er zijn. Wat haar verhaal ons vertelt over verlies, erkenning en de moed om niet weg te kijken.
Er ligt een groene doek klaar.
Dat detail uit het interview met Liesbeth Theunisse in het Nederlands Dagblad blijft bij me hangen. Nog voordat haar zoon Rien in februari 1985 wordt geboren, ligt de doek er al. Hij komt levenloos ter wereld, wordt erin gewikkeld en weggehaald. Liesbeth krijgt haar eigen kind niet te zien.
Haar man Dick vindt hem later in een kamertje. Hij vouwt de doek open. Zo ziet hij zijn zoon alsnog.
Veertig jaar later overlijdt hun kleindochter Sifra, eveneens vlak voor haar geboorte. Opnieuw die ontreddering. Opnieuw de vraag waarom dit hun gezin overkomt. Maar dit keer kunnen Liesbeth en Dick hun kleinkind vasthouden. Sifra komt thuis, waar ze een week blijft. Wanneer Liesbeth ’s nachts langs haar loopt, raakt ze even een handje of voetje aan.
Tussen die groene doek en die uitgestoken vinger ligt een wereld van verschil.
Niet omdat de dood minder ingrijpend is geworden. Wel omdat er deze keer ruimte is voor erkenning: dit is een kind, dit zijn haar ouders, dit is hun verdriet. En niemand hoeft te doen alsof het er niet is.
Verdriet achter een gesloten deur
Het zou gemakkelijk zijn om vanuit het heden te oordelen over de mensen van toen. De verpleegkundige die de meegebrachte kleertjes niet nodig vond. De kerk die niemand naar de begrafenis stuurde. De bekende die zich na het bericht van Riens dood terugtrok en letterlijk de deur sloot.
Liesbeth doet dat zelf niet. Ze spreekt over onvermogen en over het ontbreken van kennis.
Die mildheid verdient aandacht. Ze maakt het mogelijk om iets te begrijpen zonder de gevolgen ervan te vergoelijken.
Misschien dachten mensen dat niet zien het afscheid gemakkelijker zou maken. Misschien ontbraken hun de woorden. Misschien schrokken zij zo van het verdriet dat zij alleen nog afstand konden nemen. We weten niet wat ieder van hen bewoog.
Wat we in Liesbeths verhaal wel zien, is wat er bij haar achterbleef. Zij wilde over Rien praten. Maar waar kon ze met zijn naam, zijn geboorte en haar gemis naartoe?
Een kind verliezen is al onvoorstelbaar. Vervolgens geen ruimte vinden om over dat kind te spreken, maakt de eenzaamheid nog groter.
Je hoeft het niet te kunnen oplossen
Juist bij groot verdriet kunnen we verlegen raken met onze rol. We zoeken iets verstandigs om te zeggen. Iets troostends, liefst iets wat de ander een beetje verder helpt.
Maar wat zeg je tegen ouders van wie het kind niet meer leeft?
Misschien begint nabijheid bij het loslaten van de gedachte dat je iets moet oplossen.
Je kunt het kind niet terugbrengen. Je kunt de toekomst die de ouders voor zich zagen niet herstellen. Je kunt ook niet bepalen wanneer het verdriet minder zou moeten worden.
Wat je wel kunt doen, is blijven.
Luisteren zonder haast. De naam van het kind durven noemen. Vragen of ouders iets willen vertellen, zonder een antwoord te verlangen. Erkennen dat er iemand ontbreekt.
In het verhaal van Liesbeth zit een klein, beslissend moment. Zij en Dick zien samen de film Romeo, over ouders die een doodgeboren jongetje krijgen. Na afloop pakt hij haar vast en zegt: ‘Nu begrijp ik je.’
Er is niets opgelost. Rien komt niet terug. Maar er is iets tussen hen geopend wat eerder gesloten bleef.
Soms begint troost niet met een antwoord, maar met het gevoel dat iemand eindelijk naast je staat.
Ook een naam heeft ruimte nodig
Vijfendertig jaar na zijn geboorte laten Liesbeth en Dick Rien registreren bij de gemeente. In het interview vertelt zij hoe belangrijk dat voor hen was: bijna niemand wist van hem.
Op papier lijkt zo’n registratie een administratieve handeling. Voor deze ouders raakt zij aan iets wezenlijks. Hun zoon krijgt alsnog een zichtbare plaats in de vastlegging van hun gezin.
Daar ligt ook een les voor publieke dienstverlening.
Achter een verzoek aan een loket kan een levensverhaal schuilgaan dat niet op het formulier past. Een registratie kan voor de medewerker een procedure zijn en voor de inwoner de erkenning van tientallen jaren gemis.
Dat vraagt niet om grootse gebaren. Wel om aandacht voor de betekenis van wat iemand komt vragen.
Wie uitsluitend de handeling ziet, mist soms de mens die ervoor aan het loket staat.
Nieuw verdriet maakt het oude niet ongedaan
Wanneer Sifra overlijdt, is er veel wat er bij Rien niet was. Tijd om haar vast te houden. Nabijheid van familie. Meeleven en pastorale zorg. Liesbeth vertelt dat dit voor haar veel heeft goedgemaakt.
Dat is iets anders dan dat het oude verdriet verdwijnt.
Sifra’s dood brengt ook de pijn om Rien opnieuw naar boven. Liesbeth staat niet alleen bij het verlies van haar kleindochter, maar opnieuw bij dat van haar zoon. Wat zij nu mag meemaken, maakt voelbaar wat zij toen heeft gemist.
Daarom zou het te eenvoudig zijn om dit verhaal te lezen als een geruststellend bewijs dat we het tegenwoordig beter doen.
Voor deze familie is er veel veranderd in de omgang met het verlies. Dat doet ertoe. Maar goede zorg maakt een verschrikkelijke gebeurtenis niet minder werkelijk. Zij kan wel voorkomen dat mensen er ook nog alleen voor komen te staan.
Geen verklaring, wel nabijheid
Ook het geloof krijgt in het interview geen eenvoudige rol. Liesbeth vertelt over haar boosheid op God. Haar dochter en schoonzoon vinden juist vertrouwen in het overgeven van Sifra aan God.
Die ervaringen staan naast elkaar.
We hoeven ze niet glad te strijken tot één verhaal over hoe een mens hoort te rouwen of geloven. Boosheid is niet minder echt dan vertrouwen. En vertrouwen maakt het gemis niet ongedaan.
Misschien vraagt werkelijke nabijheid precies dat: verdragen dat de ander woorden gebruikt die jij niet zou kiezen. Of helemaal geen woorden heeft.
Niet uitleggen waarom dit moest gebeuren. Niet haastig betekenis geven aan wat voor de ander vooral verbijstering is.
Maar aanwezig blijven, ook waar je zelf geen antwoord hebt.
De deur openhouden
Rien en Sifra hebben ieder hun eigen plaats in het leven van dit gezin. Niet alleen door hun dood, maar ook doordat zij zoon, dochter, broer en kleindochter zijn.
Hun bestaan valt niet samen met de duur ervan.
Dat is wat ik uit Liesbeths verhaal meeneem. We kunnen het verlies niet ongedaan maken. We kunnen wel zorgvuldig omgaan met de ruimte eromheen. In een ziekenhuis, een geloofsgemeenschap, een gemeentehuis. Maar net zo goed aan de keukentafel of bij een onverwachte ontmoeting.
Daar hoeven we niet altijd de juiste woorden voor te hebben.
Wel de bereidheid om een naam te horen. Een herinnering nog eens te beluisteren. Niet terug te deinzen wanneer een gesprek verdrietig wordt.
En de deur open te houden.
Aanleiding voor deze blog is het interview van Annemarie van Heijningen met Liesbeth Theunisse, ‘Liesbeths zoon werd stilgeboren, veertig jaar later haar kleindochter óók. Wat was er nu anders?’, gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 31 oktober 2026.
Een groene doek in 1985. Een liefdevolle aanraking in 2025. Daartussen ligt veertig jaar — en een wereld van verschil in hoe we omgaan met stilgeboorte en verdriet.
Zie ook
Wat blijft, is jouw naam
Hoe geef je woorden aan het gemis van een kind dat je nauwelijks hebt mogen vasthouden? Dit gedicht, geïnspireerd op het verhaal van Liesbeth, haar zoon Rien en haar kleindochter Sifra, gaat over lege armen, blijvende liefde en de betekenis van iemand die luistert. Over de nabijheid waarin een naam weer mag klinken.