Er zijn situaties waarin niemand gemakkelijk een antwoord heeft.

Mensen met ernstige psychische problemen, verslaving, schulden, verlies van woonruimte, zorgmijding, conflicten en soms agressie kunnen vastlopen op een manier die voor henzelf én voor hun omgeving gevaarlijk wordt. Buurtbewoners raken bang. Familieleden zijn uitgeput. Professionals lopen vast. Politie en crisisdiensten worden herhaaldelijk ingezet. Burgemeesters worden aangesproken op openbare orde en veiligheid.

De motie van de gemeente Harlingen over betere zorg voor mensen met zware multiproblematiek raakt aan die harde werkelijkheid. Zij beschrijft hoe mensen die behandeling weigeren, bij extreme overlast soms kortdurend in crisiszorg terechtkomen, maar daarna opnieuw op straat belanden. De gemeente vraagt de VNG daarom om bij kabinet en parlement te pleiten voor juridische en financiële oplossingen, waaronder meer mogelijkheden om mensen langdurig tegen hun wil te behandelen.

Dat is geen lichtvaardige oproep. Wie de gevolgen van ernstige ontregeling van dichtbij ziet, kan niet volstaan met mooie woorden over eigen regie, vrijwilligheid of de kracht van een netwerk. Soms is iemand niet meer in staat om hulp te vragen. Soms is het gevaar voor zichzelf of anderen zo groot dat wegkijken geen optie is.

Maar juist omdat de inzet zo groot is, moeten we een vraag durven stellen die aan de motie voorafgaat.

Niet alleen: wanneer mogen we eerder en langer dwingen? Maar vooral: waarom zijn wij zo vaak pas bereid langdurig naast iemand te blijven staan wanneer die persoon volledig is vastgelopen?

De persoon over wie deze motie gaat, is geen verzameling van afzonderlijke problemen. Geen combinatie van ggz, verslavingszorg, Wmo, openbare orde, huisvesting en justitie. Geen dossier dat van overlegtafel naar overlegtafel reist.

Het gaat om een mens die leeft met een geschiedenis. Misschien met verlies, trauma, een gebroken relatie, uitsluiting, een leven op straat, een huurachterstand, schaamte, eerdere negatieve ervaringen met hulpverlening of een jarenlange strijd met zichzelf en de wereld om hem heen.

Voor die mens zijn psychische kwetsbaarheid, middelengebruik, wonen, inkomen, relaties en veiligheid niet van elkaar te scheiden. Zij vormen één werkelijkheid.

Maar ons stelsel is anders georganiseerd. Wie hulp nodig heeft, komt terecht bij verschillende wetten, loketten, financieringsstromen en organisaties. De ggz kijkt naar behandeling. De gemeente naar ondersteuning en leefbaarheid. De woningcorporatie naar huur en woonoverlast. De politie naar veiligheid en strafbare feiten. De verslavingszorg naar middelengebruik. De maatschappelijke opvang naar onderdak. En vaak heeft ieder deel van het systeem goede redenen om te doen wat het doet.

Alleen: niemand organiseert vanzelf het geheel.

De beweging ‘van markt naar mens’ begint precies daar. Niet bij de vraag welk product, arrangement, bed of juridisch instrument beschikbaar is. Maar bij de vraag wat er in het leven van deze mens gebeurt, wie er nog naast hem staat, wat hem onveilig maakt en wat nodig is om weer enig houvast te krijgen. De inwoner heeft niet in de eerste plaats een product nodig, maar iemand die luistert, overzicht helpt maken en doet wat in die situatie nodig is.

Harlingen benoemt terecht dat een korte crisisinterventie geen duurzaam antwoord is. Iemand kan tijdelijk worden opgenomen, worden beoordeeld, tot rust komen of worden gestabiliseerd. Maar wat gebeurt er daarna?

Is er een plek om te wonen? Is er iemand die de persoon kent en bereikbaar blijft? Is er behandeling die niet pas na een wachttijd begint? Is er begeleiding die niet verdwijnt zodra de acute crisis voorbij lijkt? Is er een omgeving waarin terugval niet onmiddellijk leidt tot uitsluiting, huisuitzetting, een nieuw politiecontact of opnieuw een gang naar de crisisdienst?

Dat zijn geen bijzaken. Zij bepalen of een interventie een begin kan zijn van herstel, of slechts een korte onderbreking van een patroon dat zich daarna opnieuw aandient.

Een systeem dat pas in beweging komt bij extreme overlast of acuut gevaar, organiseert geen preventie. Het organiseert crisisbeheer. En crisisbeheer is vaak duur, onrustig, onmenselijk en uiteindelijk ook onveilig.

De paradox is pijnlijk. Voor langdurige nabijheid, outreachende begeleiding, passende woonvormen, herstelondersteuning en een vast gezicht is vaak te weinig ruimte, tijd of geld. Maar zodra een situatie escaleert, blijken politie, ambulance, crisisdienst, beveiliging, tijdelijke opname en justitie ineens wel beschikbaar.

Dan moet de vraag niet alleen zijn hoe wij zwaarder kunnen ingrijpen. De vraag moet ook zijn waarom gewone, betrouwbare en professionele nabijheid kennelijk pas beschikbaar komt wanneer iemand een crisis is geworden.

Dat betekent niet dat dwang nooit nodig is.

Er zijn momenten waarop iemand door ernstige ontregeling niet meer in staat is om de gevolgen van zijn handelen te overzien. Er zijn situaties waarin gevaar voor de persoon zelf of voor anderen zó groot is dat ingrijpen noodzakelijk is. Een samenleving die mensen dan aan hun lot overlaat, is niet mensgericht. Zij is onverschillig.

Maar dwang is geen neutraal zorginstrument. Het is een ingrijpende vorm van macht. Zij raakt aan lichamelijke integriteit, vrijheid, privacy, wonen, relaties en het recht om zelf richting te geven aan het eigen leven.

Daarom is het niet genoeg om te zeggen dat iemand “zorg weigert”. Zorgmijding heeft vaak een geschiedenis. Wie herhaaldelijk is doorverwezen, afgewezen, onbegrepen, gestigmatiseerd of van loket naar loket gestuurd, leert soms dat hulpverlening vooral iets is wat je overkomt. Wie geen woning heeft, geen inkomen, geen veilige relatie of geen vertrouwen in professionals, zal een behandelvoorstel niet vanzelf ervaren als een kans.

Vrijwilligheid bestaat bovendien niet omdat een organisatie haar zo noemt. Zij bestaat alleen wanneer iemand werkelijk kan kiezen, begrijpt wat er gebeurt, alternatieven kan bespreken en een nee kan zeggen zonder dat dit automatisch wordt uitgelegd als bewijs van onwil of gevaar.

Juist bij mensen met ernstige multiproblematiek is die grens kwetsbaar. De druk kan groot zijn: meewerken aan behandeling, anders raakt u uw woning kwijt; instemmen met begeleiding, anders volgt een maatregel; deelnemen aan overleg, anders worden zorgen opgeschaald.

Soms zijn stevige voorwaarden onvermijdelijk. Maar dan moeten we eerlijk zijn over wat er gebeurt. Geen verhullende taal van vrijwilligheid wanneer de vrijheid feitelijk verdwenen is. Geen informele drang zonder duidelijke grondslag. Geen langdurige inperking zonder onafhankelijke toetsing, begrijpelijke uitleg, rechtsbijstand, periodieke evaluatie en een concreet perspectief op herstel.

Rechtsbescherming is geen lastige vertraging van noodzakelijke hulp. Zij is de voorwaarde waaronder ingrijpen niet verandert in willekeur.

Het is verleidelijk om te zeggen dat deze groep “te complex” is voor de bestaande zorg. Maar misschien is niet de mens te complex. Misschien is onze organisatie van zorg, wonen, veiligheid en ondersteuning te versnipperd.

We hebben hulp opgedeeld in producten, budgetten, indicaties, diagnoses, trajecten, contracten en domeinen. Vervolgens verwachten we dat juist de mensen die het meest ontregeld zijn, zelf de samenhang organiseren tussen al die werelden.

Wanneer dat niet lukt, volgt een herkenbare reeks:

  • Eerst is er een afzonderlijke hulpvraag.
  • Dan ontstaan er meerdere problemen naast elkaar.
  • Vervolgens komen verschillende organisaties in beeld.
  • Daarna volgen afstemming, casusoverleg en procesregie.
  • Wanneer de situatie verder escaleert, volgt crisisinterventie.
  • En als ook dat niet werkt, groeit de roep om meer juridische mogelijkheden tot dwang.

Die roep is begrijpelijk. Maar zij kan ook verhullen dat de gewone basis onder iemands leven al veel eerder is weggevallen.

De beweging ‘van markt naar mens’ vraagt niet om minder professionele zorg, minder verantwoordelijkheid of minder publieke bescherming. Zij vraagt om een andere ordening van die verantwoordelijkheid: van losse transacties naar duurzame relaties; van product naar bedoeling; van wachten op escalatie naar vroegtijdige en betrouwbare aanwezigheid; van afzonderlijke systeemverantwoordelijkheid naar gezamenlijke publieke verantwoordelijkheid.

Dat vraagt om een andere bestuurlijke reflex. Niet: welke organisatie is nu aan zet? Maar: wie blijft verantwoordelijk totdat deze mens weer werkelijk verder kan?

De tegenstelling tussen veiligheid en vertrouwen is vals.

Ook de tegenstelling tussen bescherming en vrijheid is te eenvoudig. Iemand beschermen kan betekenen dat je tijdelijk ingrijpt wanneer ernstig gevaar dreigt. Maar bescherming kan nooit alleen bestaan uit beheersing, toezicht, behandeling onder druk of tijdelijke opname.

Beschermende nabijheid begint veel eerder.

  • Bij een outreachend team dat niet verdwijnt wanneer iemand een afspraak mist.
  • Bij een vaste professional die niet alleen coördineert, maar een relatie onderhoudt.
  • Bij een woning die niet steeds opnieuw op het spel staat.
  • Bij toegankelijke ggz en verslavingszorg die naast elkaar werken in plaats van elkaar doorverwijzen.
  • Bij herstelondersteuning waarin ook ervaringskennis, familie en naasten een plek krijgen – zonder hen verantwoordelijk te maken voor wat professionals en overheid moeten dragen.
  • Bij praktische hulp rond inkomen, schulden, administratie, daginvulling en sociale contacten.
  • Bij professionals die mandaat krijgen om te doen wat nodig is, zonder eerst langs vijf loketten te hoeven voor toestemming.
  • En bij bestuurders die niet pas vragen naar een oplossing wanneer een incident de krant haalt, maar investeren in de sociale infrastructuur die escalatie minder waarschijnlijk maakt.

Dat is niet soft. Het is juist de meest serieuze vorm van veiligheidsbeleid.

Want wie veiligheid uitsluitend organiseert rond crisis, risico en handhaving, komt altijd te laat. Wie veiligheid organiseert rond bestaanszekerheid, een plek om te wonen, toegankelijke zorg, menselijke relaties en professionele continuïteit, verkleint de kans dat mensen volledig ontsporen.

De oproep van Harlingen aan de VNG verdient daarom een bredere vertaling dan alleen: creëer meer juridische ruimte voor langdurige gedwongen behandeling.

De VNG zou kabinet en parlement moeten vragen om een samenhangend programma voor mensen die op het snijvlak leven van ggz, verslaving, wonen, veiligheid en sociaal domein. Niet als nieuw tijdelijk project, maar als een structurele publieke opdracht.

Dat vraagt in ieder geval om:

  • Voldoende beschikbaarheid van langdurige, outreachende en integraal werkende zorg voor mensen met ernstige psychische kwetsbaarheid en verslaving.
  • Passende woonvormen met begeleiding, herstelmogelijkheden en continuïteit, zodat ontslag uit crisiszorg niet opnieuw betekent: terug naar straat, overlast en uitsluiting.
  • Financiering die samenwerking en langdurige betrokkenheid mogelijk maakt, in plaats van organisaties vooral te betalen voor afzonderlijke prestaties en korte trajecten.
  • Een vaste, herkenbare professional of een klein vast team dat niet verdwijnt bij overgang tussen zorg, wonen, justitie en gemeentelijke ondersteuning.
  • Ruimte voor professionals om praktisch te handelen, te schakelen tussen domeinen en te investeren in vertrouwen.
  • Betere toegang tot onafhankelijke cliëntondersteuning, familievertrouwenspersonen en ervaringsdeskundigheid.
  • Heldere wettelijke kaders voor situaties waarin dwang werkelijk noodzakelijk is, met onafhankelijke toetsing, rechtsbescherming, proportionaliteit, periodieke herbeoordeling en een expliciet herstelperspectief.
  • Bestuurlijke afspraken waarin gemeenten, ggz, verslavingszorg, zorgverzekeraars, woningcorporaties, politie, justitie en rijksoverheid niet naar elkaar verwijzen, maar samen verantwoordelijk zijn.

Daar ligt de werkelijke opgave.

Niet alleen regelen dat we eerder kunnen dwingen als het misgaat. Maar organiseren dat wij eerder blijven wanneer iemand dreigt te verdwijnen uit beeld.

De motie uit Harlingen stelt een ongemakkelijke vraag aan politiek, bestuur en zorg: wat doen we met mensen die hulp nodig hebben, maar niet of niet meer kunnen aansluiten bij hoe die hulp is georganiseerd?

Het antwoord kan niet zijn dat we hen laten verkommeren in een cirkel van overlast, crisis, tijdelijke interventie en terugval. Maar het antwoord kan evenmin zijn dat wij structurele tekorten in zorg, wonen en nabijheid oplossen door vooral de mogelijkheden tot dwang te verruimen.

Wie werkelijk van markt naar mens wil bewegen, moet de volgorde omkeren.

Eerst de vraag: wat is nodig om iemand een bewoonbaar leven terug te geven? Eerst investeren in relaties, wonen, bestaanszekerheid, herstel en professionele continuïteit. Eerst zorgen dat iemand niet door systemen hoeft te reizen, maar dat systemen zich rond de werkelijkheid van die persoon organiseren. En pas wanneer ernstig gevaar dat onvermijdelijk maakt: zorgvuldig, toetsbaar en tijdelijk ingrijpen. Niet om iemand onder controle te krijgen, maar om ruimte te maken voor bescherming, herstel en een leven dat weer van iemand zelf kan worden.

Want een mens die ontregeld raakt, vraagt niet om een systeem dat pas verschijnt wanneer hij gevaarlijk wordt.

Hij vraagt om een samenleving die eerder ziet, eerder blijft en niet wegloopt wanneer het moeilijk wordt.