Op 7 en 8 oktober organiseert het Ketenbureau i-Sociaal Domein een hackathon over de standaardisering van inkoop en verantwoording binnen de Wmo en Jeugdwet. Een van de teams onderzoekt hoe gemeenten minder uiteenlopende en dubbele gegevens kunnen uitvragen bij zorgaanbieders, zonder grip op kwaliteit, rechtmatigheid en mogelijke zorgfraude te verliezen.

Dat is urgent. Aanbieders die voor meerdere gemeenten werken, moeten nu vaak dezelfde informatie telkens opnieuw aanleveren, maar in verschillende formats en volgens verschillende definities. Veel daarvan is al geregeld in landelijke wet- en regelgeving of kwaliteitsvereisten. Tegelijk hebben gemeenten wél behoefte aan gerichte informatie die helpt om lokale of regionale risico’s tijdig te herkennen.

De vraag voor de hackathon is daarom niet hoe we nóg meer verantwoording organiseren, maar hoe we onderscheid maken tussen noodzakelijke landelijke basisinformatie, zinvolle gemeenschappelijke standaarden en werkelijk relevante lokale aanvullingen. De inzet: minder administratieve herhaling, beter contractmanagement en gerichter toezicht.

De uitdaging die voorligt is op het eerste gezicht technisch: kunnen we gemeentelijke uitvragen bij inkoop en verantwoording van Wmo- en jeugdhulp meer standaardiseren?

Maar onder die technische vraag ligt een principiëler probleem. Gemeenten vragen zorgaanbieders vaak ieder net iets anders. Niet omdat de lokale werkelijkheid altijd zo verschillend is, maar omdat elke gemeente, regio, inkoper, contractmanager, toezichthouder en controller een eigen zekerheid zoekt. De uitkomst is bekend: dezelfde aanbieder vult vergelijkbare informatie telkens opnieuw in, in andere formats, met andere definities, andere bijlagen en andere bewijsstukken.

Dat kost tijd. Tijd van aanbieders, maar ook van gemeenten zelf. En vaak is onvoldoende duidelijk wat er vervolgens werkelijk met al die informatie gebeurt.

De opgave is daarom niet: hoe maken we een nóg vollediger verantwoordingsformat? De opgave is: hoe zorgen we dat alleen die informatie wordt uitgevraagd die werkelijk nodig, bruikbaar en proportioneel is?

Dat vraagt om standaardisering, maar dan wel om standaardisering met discipline.

Een bruikbaar instrument van het Ketenbureau zou niet moeten beginnen met een lange lijst eisen. Het zou gemeenten juist moeten helpen om onderscheid te maken tussen drie verschillende kringen van informatie.

De eerste winst zit dus in wat gemeenten niet meer vragen.

Dat is niet hetzelfde als minder toezicht of naïef vertrouwen. Het betekent dat toezicht gerichter wordt. Niet nog eens vragen of een aanbieder beschikt over documenten, verklaringen of kwaliteitsborging die op grond van landelijke regels al aanwezig moeten zijn en via andere routes gecontroleerd worden. Wel gericht informatie vragen als die nodig is om risico’s in de gemeentelijke contractrelatie te herkennen: bijvoorbeeld opvallende groei, afwijkende declaratiepatronen, instabiele bedrijfsvoering, ondoorzichtige onderaanneming, concentratie van zorg rond een klein netwerk of grote verschillen tussen geleverde inzet, doelgroep en gedeclareerde productie.

De verschuiving moet zijn: van alles willen weten naar weten waarom je iets vraagt.

In mijn blog Standaardiseren zonder Excel-toren stelde ik eerder de vraag of goedbedoelde landelijke instrumenten niet zelf kunnen uitgroeien tot een nieuwe bron van complexiteit. De verleiding is groot om alle denkbare uitzonderingen, producten, verantwoordingswensen en risico’s onder te brengen in één omvangrijk bestand met tabbladen, definities en beslisbomen. Dan is er formeel één standaard, maar praktisch vooral één nieuw systeem dat alleen voor specialisten te begrijpen is.

Dat risico bestaat ook bij deze hackathon.

Een goede standaard voor inkoop en verantwoording is niet de standaard met de meeste velden. Het is de standaard die voor een inkoper, contractmanager, toezichthouder én aanbieder in één oogopslag duidelijk maakt:

  • Wat moet altijd op orde zijn?
  • Waarop toetsen we dat?
  • Welke bron is leidend?
  • Welke informatie vragen we dus niet nogmaals op?
  • Welke aanvullende vraag is mogelijk?
  • Welk risico moet die vraag helpen signaleren?
  • Wat gebeurt er als het antwoord afwijkt?

Het Ketenbureau zou daarom niet alleen een template, maar vooral een beslis- en afwegingskader moeten ontwikkelen. Een standaard als rekenkern en ordeningsprincipe, met eenvoudige toepassingsvormen voor verschillende gebruikers en zorgvormen. Dat sluit aan bij de gedachte van één standaard met meerdere toegankelijke front-ends: dezelfde begrippen en logica, maar niet voor iedereen dezelfde technische of administratieve schil.

De toets moet steeds zijn: kan iemand die niet dagelijks in formats en spreadsheets leeft begrijpen wat hij moet aanleveren, waarom dat nodig is en wat ermee gebeurt?

In Tussen denken en doen ligt te vaak een formulier schreef ik dat bureaucratie zelden plotseling ontstaat. Zij groeit laag voor laag: na een incident, een fout, een klacht, een politieke vraag of een accountantsbevinding volgt een extra veld, verklaring, controle of bewijsstuk. Elk afzonderlijk lijkt het verdedigbaar; samen vormen ze een verantwoordingsmachine die losraakt van het primaire werk.

Juist fraude- en risicosignalering zijn gevoelig voor deze reflex. De maatschappelijke druk om zorgfraude tegen te gaan is terecht. Fraude ondermijnt publieke middelen, eerlijke aanbieders en het vertrouwen van inwoners. Maar er is ook een ongemakkelijke waarheid: een brede, generieke gegevenshonger is niet automatisch effectieve fraudepreventie.

Een uitvraag die iedereen veel extra werk oplevert, maar nauwelijks onderscheid maakt tussen normaal en afwijkend gedrag, levert vooral administratie op. Bovendien kan een overdaad aan gegevens het zicht juist vertroebelen: relevante signalen verdwijnen in de hoeveelheid.

Daarom zou een template niet alleen moeten vragen: “Welke informatie kunnen we opvragen?” Maar eerst en vooral:

  1. Welk concreet risico willen we herkennen of beheersen?
  2. Welke gegevens zijn daarvoor minimaal noodzakelijk?
  3. Welke gegevens zijn al beschikbaar via landelijke verplichtingen, bestaande registraties of eerdere contractinformatie?
  4. Wie beoordeelt het signaal?
  5. Welke vervolgactie is denkbaar?
  6. Wanneer stoppen we met deze uitvraag als deze geen bruikbare signalen blijkt op te leveren?

Dat laatste punt is cruciaal. Iedere aanvullende vraag zou een horizon-clausule moeten hebben: na bijvoorbeeld één contractjaar wordt beoordeeld of de vraag aantoonbaar informatie, signalen of betere besluitvorming heeft opgeleverd. Zo niet, dan verdwijnt zij.

Dat is geen administratieve luxe, maar professioneel contractmanagement.

Mijn concrete voorstel voor het hackathonteam is om naast een standaardtemplate ook een korte verplichte toets te ontwerpen: de gemeentelijke uitvraagtoets.

Een gemeente die een aanvullende eis, verklaring, bijlage of periodieke rapportage wil opnemen, doorloopt dan maximaal zes vragen.

Zo’n toets voorkomt niet alle lokale verschillen. Dat moet ook niet het doel zijn. Gemeenten mogen en moeten ruimte houden om in te spelen op reële lokale omstandigheden: regionale beschikbaarheid van specialistische zorg, specifieke kwetsbaarheden, samenwerking met lokale sociale basis, lokale toegangsvormen of aantoonbare patronen van onrechtmatigheid.

Maar lokale ruimte is iets anders dan lokale willekeur.

De aanvullende gemeentelijke module zou zo beperkt mogelijk moeten zijn en vooral gericht op signalen die gemeenten redelijkerwijs zelf moeten kunnen duiden. Denk niet aan een algemene “fraudelijst”, maar aan een beperkte set risicodomeinen.

Het sleutelwoord is hier: signaal. Een afwijking is geen fraude. Een hoog zorgvolume is geen bewijs van verkeerd handelen. Een onderaannemer is niet per definitie verdacht. Signalen moeten aanleiding zijn voor professionele duiding, wederhoor en proportionele opvolging — niet voor automatische uitsluiting, stigmatisering of een nieuwe registratielast voor iedere aanbieder.

Dat is ook in het belang van gemeenten. Wie signalering verwart met bewijs, bouwt een systeem dat juridisch kwetsbaar, bestuurlijk onzorgvuldig en relationeel schadelijk wordt.

De kern van dit vraagstuk is uiteindelijk niet alleen informatievoorziening. Het gaat om bestuurscultuur.

Gemeenten zijn na de decentralisaties dichter bij inwoners en aanbieders komen te staan. Dat biedt mogelijkheden voor maatwerk, nabijheid en verbinding met de lokale sociale basis. Maar het heeft ook geleid tot een versnipperd landschap van contracten, formats, productcodes, verantwoordingseisen en controlelogica. De belofte van nabijheid dreigt daardoor soms te kantelen in een veelheid aan lokale systemen. De eerdere blogs op Verruim de Horizon beschrijven precies die spanning: standaardisering kan nodig zijn om onnodige variatie weg te nemen, maar mag niet ontaarden in een systeem dat vooral zichzelf in stand houdt.

De kritische vraag voor de hackathon is daarom: Willen we een instrument dat gemeenten helpt om méér informatie te verzamelen, of een instrument dat hen helpt om betere keuzes te maken over welke informatie zij niet langer hoeven te vragen?

Mijn voorkeur is duidelijk het tweede.

Want een zorgaanbieder die in tien gemeenten werkt, zou niet tien keer dezelfde basale kwaliteit, bedrijfsvoering en rechtmatigheid hoeven te bewijzen in tien verschillende taalvormen. De energie die daarmee vrijkomt, kan naar betere zorg, betere bedrijfsvoering, betere samenwerking en – waar nodig – gerichter toezicht.

En gemeenten zelf zijn daar ook bij gebaat. Minder administratieve ruis betekent meer tijd voor inhoudelijk contractmanagement: het gesprek over bereikbaarheid, wachttijden, continuïteit, kwaliteit, passende zorg, samenwerking rond inwoners en de feitelijke werking van het lokale stelsel.

Mijn inbreng zou ik als volgt kunnen samenvatten:

“Laten we niet beginnen met de vraag welke gegevens gemeenten nog zouden willen hebben. Laten we beginnen met de vraag welke gegevens aanbieders aantoonbaar níet meer hoeven aan te leveren, omdat ze al landelijk geregeld zijn of omdat niemand er in de praktijk iets mee doet.

Vervolgens maken we een kleine, heldere basisstandaard voor wat iedere gemeente werkelijk nodig heeft. Alleen daarbovenop kan een gemeente aanvullende vragen stellen, mits die een concreet lokaal risico adresseren, proportioneel zijn, een eigenaar hebben en na verloop van tijd opnieuw worden beoordeeld.

Zo maken we van standaardisering geen nieuwe Excel-toren, maar een instrument voor gerichte eenvoud, beter toezicht en meer ruimte voor de bedoeling.”

Als het team aan het einde van de hackathon met vier producten komt, is er volgens mij iets waardevols bereikt:

  1. Een landelijke basismatrix
    Per onderwerp: wettelijke of landelijke grondslag, leidende bron, wat de gemeente niet opnieuw hoeft uit te vragen en welke minimale contractinformatie wel relevant is.
  2. Een beperkte set standaardvragen
    Eenduidig geformuleerd, met vaste definities, antwoordcategorieën en een afgesproken frequentie. Niet per gemeente opnieuw uitgevonden.
  3. Een aanvullende risicomodule
    Geen generieke fraudelijst, maar een beperkte set proportionele signalen waarvoor gemeenten een heldere toelichting, opvolgingsroute en waarborg voor zorgvuldige interpretatie hanteren.
  4. Een uitvraagtoets met schrapmechanisme
    Elke aanvullende eis krijgt een risico-onderbouwing, een eigenaar, een gebruiksdoel, een proportionaliteitstoets en een evaluatiemoment. Als de opbrengst niet aantoonbaar is, vervalt de vraag.

Dat zou een instrument zijn dat het Ketenbureau niet alleen adviserend, maar ook richtinggevend maakt. Niet door gemeenten hun lokale verantwoordelijkheid af te nemen, maar door hen te helpen die verantwoordelijkheid beter uit te oefenen: minder dubbel werk, meer gezamenlijke taal, gerichter toezicht en meer ruimte voor de zorg en ondersteuning waar het uiteindelijk om gaat.