“Hij weet heel goed dat het niet mag.”

Het is een zin die snel valt wanneer het over jongeren gaat die anderen bedreigen, liegen, vernielen, stelen, pesten, slaan of zich op een andere manier over grenzen heen bewegen. De zin klinkt soms verbijsterd. Soms moedeloos. Soms boos. En vaak zit er een conclusie in verstopt: als iemand weet wat goed en kwaad is en tóch doorgaat, dan zal er wel iets fundamenteels ontbreken.

Respect bijvoorbeeld. Inlevingsvermogen. Opvoeding.

Of, nog harder: een geweten.

Het is een begrijpelijke gedachte. Wie schade ondervindt van het gedrag van een ander, heeft weinig aan ingewikkelde verklaringen. Slachtoffers, ouders, professionals en omstanders hebben recht op bescherming. Grenzen zijn geen kil beleidsinstrument, maar een vorm van zorg. Je kunt niet samenleven zonder duidelijk te maken waar de grens ligt. Ook jongeren niet.

Maar misschien moeten we soms toch iets langer stilstaan bij die ene, harde conclusie: hij heeft geen geweten.

Want wat weten we eigenlijk over het geweten? Is het iets dat iemand wel of niet bezit? Een innerlijke verkeersregelaar die altijd op tijd op rood springt? Of is het iets kwetsbaarders? Iets dat zich ontwikkelt in relaties, in ervaringen van gezien worden, gecorrigeerd worden, erbij horen en opnieuw mogen beginnen?

Nieuw onderzoek van psycholoog Julia Tiemersma (UVA) nodigt uit om daar anders naar te kijken. Niet zachter in de zin van grenzelozer. Wel zorgvuldiger. Niet om gedrag weg te poetsen, maar om beter te begrijpen wat er gebeurt wanneer een jongere precies kan vertellen dat iets fout is, en toch opnieuw over de schreef gaat.

Wij zijn erg gehecht geraakt aan het idee dat kennis vanzelf tot gedrag leidt. Wie weet dat slaan niet mag, slaat niet. Wie begrijpt dat liegen vertrouwen beschadigt, liegt niet. Wie ziet dat een ander pijn heeft, stopt.

Maar zo werkt een mens niet altijd.

Ook volwassenen weten vaak precies wat verstandig, vriendelijk, gezond of rechtvaardig is. Toch eten we te veel, drinken we te veel, zeggen we dingen die we betreuren, kijken we weg wanneer iemand hulp nodig heeft of houden we vast aan een oordeel dat we eigenlijk allang zouden moeten herzien. Weten is belangrijk. Maar weten alleen is niet voldoende.

Misschien geldt dat nog sterker voor jongeren die opgroeien in onveiligheid, afwijzing, chaos of emotionele eenzaamheid. Voor hen kunnen denken, voelen en handelen soms ieder hun eigen richting op gaan.

Een jongere kan geraakt zijn door het verdriet van zijn moeder, maar haar toch uitschelden. Een meisje kan achteraf werkelijk schrikken van wat zij heeft gedaan, maar de volgende dag opnieuw in de aanval gaan. Iemand kan oprecht zeggen: “Ik wilde het niet”, en tegelijk weinig woorden hebben voor wat er in de minuten daarvoor gebeurde.

Dat is niet vanzelfsprekend manipulatie. Het is ook niet automatisch onschuld. Het kan betekenen dat verschillende vermogens die samen het geweten vormen, elkaar op het moment dat het ertoe doet niet meer weten te vinden.

Tiemersma beschrijft het geweten niet als één eigenschap die je kunt afvinken. Niet: wel geweten of geen geweten. Niet: goed mens of slecht mens.

In haar onderzoek gaat het om een samenspel van empathie, zelfbewuste emoties zoals schuld en schaamte, en moreel redeneren. Iemand moet de ander kunnen zien, kunnen voelen dat er iets misging, kunnen nadenken over de gevolgen van zijn handelen én de innerlijke onrust die dat oproept kunnen verdragen. Pas wanneer die dingen enigszins samenwerken, ontstaat er ruimte om stil te staan, verantwoordelijkheid te nemen en eventueel iets te herstellen.

Dat is misschien een belangrijk inzicht voor iedereen die met jongeren werkt.

Want een jongere die geen sorry zegt, heeft niet per definitie geen spijt. Een jongere die lacht wanneer iets misgaat, hoeft niet noodzakelijk ongevoelig te zijn. Lachen kan ook een paniekreactie zijn. Stoer doen kan een vorm van bescherming zijn. Weglopen kan betekenen dat schuld of schaamte te groot is geworden om nog bij te kunnen blijven.

Natuurlijk: soms wordt verantwoordelijkheid ontweken. Soms wordt pijn bewust toegebracht. Soms moet de samenleving stevig ingrijpen. Maar juist dan is het van belang om niet te snel te denken dat we met één verklaring klaar zijn.

Wie iemand vastzet als gewetenloos, hoeft niet langer nieuwsgierig te zijn.

Er zit een groot verschil tussen schuld en schaamte.

Schuld zegt: ik heb iets gedaan dat niet goed was. Daarin zit, hoe ongemakkelijk ook, nog een opening. Als ik iets heb gedaan, kan ik misschien ook iets rechtzetten. Ik kan excuses maken. Ik kan schade herstellen. Ik kan leren om het de volgende keer anders te doen.

Schaamte zegt iets anders: ik ben niet goed.

En wie zichzelf vooral als slecht, mislukt, lastig of onherstelbaar beschadigd ervaart, kan gaan vluchten. In agressie. In ontkenning. In onverschilligheid. In stoer gedrag. Of in een houding waarin niets meer lijkt te raken, omdat geraakt worden te gevaarlijk is.

Dat maakt schaamte niet onbelangrijk. Schaamte laat zien dat wij niet onverschillig zijn voor de blik van de ander. Dat we willen meetellen. Dat we ergens willen horen. Maar schaamte die te groot wordt, sluit de deur naar herstel.

Daar ligt misschien een moeilijke opdracht voor ouders, leraren, jongerenwerkers, hulpverleners, wijkteammedewerkers en jeugdbeschermers. Hoe spreek je een jongere aan op wat hij heeft gedaan, zonder hem te reduceren tot wat hij heeft gedaan?

Hoe zeg je: “Dit mag niet. Dit heeft iemand pijn gedaan. Hier moet iets gebeuren.” En tegelijk: “Jij bent niet voor altijd de som van je slechtste moment.”

Dat is geen softe pedagogiek. Het is misschien wel de moeilijkste vorm van begrenzen.

In het onderzoek van Tiemersma werd bij 88 klinisch verwezen jongeren gekeken naar traumatische jeugdervaringen en naar de samenhang tussen empathie, zelfbewuste emoties en moreel redeneren. Zwaardere traumatische belasting bleek samen te hangen met méér inconsistentie tussen die onderdelen: er waren dus niet noodzakelijk geen gevoelens, geen inzicht of geen moreel besef, maar die vermogens kwamen minder goed bij elkaar. Emotionele verwaarlozing liet daarbij de sterkste samenhang zien, gevolgd door emotioneel en seksueel misbruik.

Dat vraagt om precisie.

Trauma veroorzaakt niet automatisch geweld. Niet iedere jongere met ingrijpende ervaringen gaat grenzen over. En niet ieder grensoverschrijdend gedrag is terug te voeren op traumatische gebeurtenissen. Wie die simpele lijn trekt, doet zowel jongeren als slachtoffers tekort.

Maar het onderzoek maakt wel aannemelijk dat vroege ervaringen van onveiligheid, vernedering, afwijzing of emotionele verwaarlozing kunnen doorwerken in de manier waarop iemand zichzelf en anderen beleeft. Wie niet heeft geleerd dat gevoelens welkom zijn, dat grenzen betrouwbaar zijn en dat fouten niet meteen tot uitsluiting leiden, kan later moeite hebben om innerlijke onrust te herkennen en om te zetten in herstelgericht gedrag.

Dan wordt de vraag niet alleen: hoe stoppen we het gedrag? Maar ook: welke verbinding is hier ooit onder druk komen te staan?

De verbinding tussen hoofd en hart. Tussen schaamte en verantwoordelijkheid. Tussen de ander pijn doen en werkelijk kunnen toelaten dat die ander pijn heeft. Tussen een fout maken en geloven dat je daarna nog iemand kunt zijn die ertoe doet.

In de praktijk knippen we problemen vaak op. Een training agressieregulatie hier. Een gesprek over normen daar. Een sanctie ergens anders. Een behandeling voor trauma bij weer een andere professional. Een veiligheidsplan in een dossier. Een school die vooral wil dat het weer rustig wordt.

Allemaal begrijpelijk. Allemaal soms nodig. Maar een jongere leeft niet in losse hoofdstukken.

Hij of zij leeft met een lichaam dat alarm slaat, met herinneringen die zich niet altijd als herinnering aankondigen, met een zelfbeeld dat wankelt, met een groep die status belooft en met volwassenen die soms komen en gaan. Dan is het niet voldoende om één vaardigheid sterker te maken, als de verbinding tussen die vaardigheden ontbreekt.

Misschien is dat wel de meest hoopvolle gedachte uit dit onderzoek. Niet dat wij eindelijk een instrument hebben om precies vast te stellen wat er in een jongere mis is. Maar dat wij preciezer kunnen kijken naar wat er nog wél is.

Empathie kan er zijn. Schuldgevoel kan er zijn. Moreel besef kan er zijn. Een verlangen om goed te doen kan er zelfs zijn. Alleen: het komt er niet altijd uit op het moment dat de spanning oploopt.

Wie daar oog voor krijgt, kijkt anders. Niet minder kritisch, maar minder definitief. Niet met minder aandacht voor veiligheid, maar met meer aandacht voor ontwikkeling. Niet vanuit de vraag hoe wij een jongere onder controle krijgen, maar vanuit de vraag hoe wij kunnen helpen om wat van binnenuit elkaar is geraakt weer enigszins bijeen te brengen.

Misschien begint herstel daar wel.

Niet bij de geruststellende gedachte dat sommige jongeren nu eenmaal geen geweten hebben. Maar bij de lastiger, menselijker vraag of hun geweten soms uit de pas loopt – en of er nog iemand is die hen helpt om de maat terug te vinden.