
The Plague
The Plague is geen film over een mysterieuze ziekte op een waterpolokamp. Het is een film over de angst om buiten de groep te vallen – en over de wreedheid die ontstaat wanneer kinderen leren dat je erbij hoort door iemand anders buitenspel te zetten.
Er zijn van die films die beginnen met een omgeving die bijna onschuldig lijkt. Een zomer. Een zwembad. Chloorlucht. Natte handdoeken op een bankje. Jongens die elkaar uitdagen, plagen, duwen, lachen. Waterpolo, een teamsport waarin je samen vooruit moet.
Maar onder het water is er geen vaste grond.
In The Plague, het speelfilmdebuut van de Amerikaanse schrijver-regisseur Charlie Polinger, arriveert de twaalfjarige Ben op een waterpolokamp in de zomer van 2003. Hij komt te laat in een wereld die al gevormd is. De groep kent elkaar. De rollen zijn verdeeld. Er is een leider, Jake. Er zijn jongens die meegaan in zijn tempo. En er is Eli: de jongen die apart staat, die een huiduitslag heeft en door de anderen wordt behandeld alsof hij besmettelijk is. Alsof hij niet alleen puistjes en eczeem heeft, maar een plaag met zich meedraagt.
Ben wil vooral één ding: erbij horen.
Wie ooit twaalf is geweest, weet dat dit geen klein verlangen is. Het is een levensvoorwaarde. Erbij horen betekent dat je niet alleen hoeft te zijn aan tafel, onder de douche, in de slaapzaal of op de rand van het zwembad. Erbij horen betekent dat er om jou gelachen wordt, en niet om jou. En juist daarom is uitsluiting zo effectief: niemand hoeft je letterlijk te slaan om je het gevoel te geven dat je nergens veilig bent.
Een plaag van uitsluiting
De “plaag” in de film is een verzinsel van de groep. Eli zou anderen kunnen besmetten door aanraking. Wie te dicht bij hem komt, zou hetzelfde lot kunnen treffen: lichamelijk, geestelijk, sociaal. Het is een kinderlijk verhaal, maar kinderen kunnen bloedserieus zijn wanneer een verhaal hun angst ordent.
Een mythe wordt een regel.
Een regel wordt een ritueel.
Een ritueel wordt een waarheid.
Eli trekt zich terug, doucht alleen en gaat steeds meer geloven dat er werkelijk iets fundamenteel mis met hem is. Ben voelt soms mededogen voor hem. Hij ziet dat Eli niet gevaarlijk is. Maar mededogen is op dit kamp een risico. Wie Eli verdedigt, kan zelf de volgende worden. Wanneer Ben bij de populaire jongens wil horen, wordt hij langzaam medeplichtig aan de vernedering van iemand die hij eigenlijk niet wil vernederen.
Dat maakt The Plague meer dan een film over pesten. De film kijkt niet alleen naar de dader en het slachtoffer, maar naar de grote, vaak zwijgende middengroep. Naar de kinderen die weten dat iets niet klopt, maar bang zijn om zelf buiten de kring te vallen. Naar de prijs van erbij horen.
In die zin is het geen kinderfilm, hoewel kinderen het verhaal dragen. Het is een film die volwassenen iets laat terugzien wat zij misschien liever vergeten: hoe nauw angst, schaamte, nieuwsgierigheid en wreedheid in de overgang van kind naar puber soms bij elkaar liggen.
Het zwembad als systeem
Het waterpolokamp is een schitterend en beklemmend decor. Boven water lijkt alles overzichtelijk: banen, doelen, een coach, een team. Maar onder water trekken benen aan elkaar, verdwijnen blikken uit zicht en kun je niet goed horen wat er gebeurt. De sport wordt daarmee een treffende metafoor voor de sociale wereld van de jongens. Naar buiten toe heet het teamwork. Van binnen gaat het om overleven.
Polinger filmt die wereld met een uitgesproken horrorsfeer. Het zwembad, de galmende gangen, de groepsdouches, de donkere slaapzalen en de natte huid worden onderdeel van Bens groeiende angst. Geluiden zwellen aan, mist kruipt door ruimtes, een klein puistje kan veranderen in een bewijsstuk. De vraag of de plaag werkelijk bestaat, verschuift daardoor langzaam van feit naar beleving: als iedereen zegt dat jij vies, raar of gevaarlijk bent, wat ga je dan op een dag zelf zien wanneer je in de spiegel kijkt?
De film gebruikt body horror niet als goedkoop effect. Lichamen veranderen nu eenmaal rond die leeftijd. Puistjes, zweet, haar, schaamte, seksualiteit, onhandigheid: de puberteit kan voelen als een vreemd lichaam dat je ineens moet bewonen. Polinger zegt daarover dat deze schemertijd tussen kind-zijn en puberteit op zichzelf al iets monsterlijks heeft. Niet omdat kinderen monsters zijn, maar omdat zij in een lichaam terechtkomen waarvan de regels ineens veranderen.
Dat is precies waar de film wringt. De jongens maken Eli tot “de zieke”, maar hun angst gaat eigenlijk over henzelf. Over het eigen lichaam. Over de kans om uitgelachen te worden. Over onzekerheid die zo groot is dat iemand anders klein maken even de enige manier lijkt om zelf te kunnen bestaan.
De afwezige volwassene
Joel Edgerton speelt coach Daddy Wags, een volwassen man die het goed bedoelt maar de dynamiek nauwelijks begrijpt. Hij geeft peptalks, probeert Ben moed in te spreken en wil een veilige coach zijn. Maar hij komt te laat, ziet te weinig en zijn woorden landen niet waar de angst zit.
Dat is pijnlijk herkenbaar.
Volwassenen zien pesten vaak pas wanneer het zichtbaar en luidruchtig is: een duwpartij, een scheldwoord, een kind dat huilt. Maar uitsluiting werkt meestal subtieler. Een stoel die niet wordt vrijgehouden. Een naam die steeds opnieuw wordt nagedaan. Een groep die wegloopt als iemand erbij komt. Een lach die stopt zodra een volwassene binnenstapt.
In The Plague zijn de ouders ver weg en blijven de volwassenen grotendeels aan de rand van de wereld van de jongens. De plekken waar het werkelijk gebeurt – in douches, slaapzalen, gangen en in de korte stiltes tussen jongens – vallen buiten hun blikveld. Toch zegt Polinger iets belangrijks over die beperktheid: een volwassene hoeft niet altijd de oplossing te hebben om betekenisvol te zijn. Alleen al proberen contact te maken kan ervoor zorgen dat een kind zich minder alleen voelt.
Voor iedereen die werkt met jeugd, onderwijs, sport of sociaal domein is dat misschien de moeilijkste les. Niet: welke interventie lost dit volledig op? Maar: wie ziet het kind dat steeds stiller wordt? Wie blijft naast hem zitten als de groep al heeft besloten wie er niet bij hoort? Wie durft de cultuur van de groep bespreekbaar te maken, voordat de uitsluiting vanzelfsprekend wordt?
Niemand wil de volgende zijn
Jake, de jongen die de groep aanvoert, is niet het stereotype van de grote, domme pestkop. Hij is juist charmant, populair en sociaal behendig. Hij weet hoe hij een kwetsbaarheid moet aanwijzen zonder openlijk hard te hoeven schreeuwen. Dat maakt hem invloedrijk. De anderen lachen niet alleen uit angst; zij lachen ook omdat ze bij hem willen horen.
Daarmee weigert de film een comfortabele scheiding tussen goede en slechte kinderen. Ben is gevoelig en angstig, maar ook bereid mee te doen wanneer zijn positie in de groep op het spel staat. Jake is wreed, maar niet als een karikatuur zonder menselijkheid. Eli is kwetsbaar, maar heeft ook zijn eigen verbeelding en eigenaardigheden. Iedereen probeert op zijn manier een plek te verwerven in een systeem dat maar één regel lijkt te kennen: zorg dat jij niet degene bent die wordt aangewezen.
Die dynamiek verdwijnt niet vanzelf als we ouder worden.
Ook volwassenen vormen groepen door te bepalen wie er niet bij past. We doen het in organisaties, op sociale media, in de politiek, in buurten, op scholen en soms ook in zorg- en hulpverleningssystemen. Niet altijd door iemand letterlijk uit te sluiten, maar door taal. Door etiketten. Door het snelle oordeel dat iemand “lastig”, “onveilig”, “niet gemotiveerd” of “niet passend” is.
De plaag is dan geen ziekte. De plaag is het verhaal dat een groep over iemand vertelt – totdat die persoon het zelf gaat geloven.
The Plague kreeg na de première in Cannes een staande ovatie van elf minuten en werd daar gepresenteerd in de sectie Un Certain Regard. De film duurt 98 minuten en wordt gedragen door Everett Blunck als Ben, Kayo Martin als Jake, Kenny Rasmussen als Eli en Joel Edgerton als coach Daddy Wags.
Maar het belangrijkste aan deze film is niet de ontvangst, de vorm of zelfs de beklemmende sfeer. Het is de vraag die hij achterlaat.
Niet: waarom zijn kinderen zo gemeen?
Maar: wat gebeurt er met een groep wanneer niemand meer durft te zeggen dat dit niet normaal is?