Waarom tentenkampen vragen om meer dan ontruimen

Er verschijnen op steeds meer plekken tenten in de openbare ruimte. Langs een stadsrand, onder een viaduct, op een braakliggend terrein of, steeds vaker, verscholen tussen de bomen. Wat voor voorbijgangers een ongemakkelijk beeld is, voor bewoners soms een bron van zorg en voor handhavers een openbare-ordevraagstuk, is voor de mensen in die tenten meestal iets veel basalers: de laatste mogelijkheid om ergens te slapen.

Uit onderzoek van RTL Nieuws blijkt dat sinds begin 2025 in dertien gemeenten tentenkampen van dak- en thuisloze mensen zijn gemeld. Sinds 2023 betreft het zeventien gemeenten. Dat cijfer is waarschijnlijk een ondergrens, want gemeenten weten niet altijd dat er tentenkampen zijn of registreren die niet systematisch. In Amsterdam werden in 2025 zeventig tenten ontruimd — een record. Tegelijk benadrukt de gemeente dat een tent niet zomaar mag worden verwijderd: vooraf gaat een juridisch zorgvuldig proces, met termijnen en ruimte voor de betrokken persoon om te vertrekken.

Dat is geen bureaucratische omweg. Het is de erkenning dat achter een tent een mens schuilgaat.

Maar ook dat is niet het hele verhaal. Want waar mensen noodgedwongen buiten verblijven, komen kwetsbaarheid, overlast, veiligheid en natuurbescherming bij elkaar. Wie daar alleen met een veiligheidsbril naar kijkt, ziet een probleem dat moet verdwijnen. Wie uitsluitend met een zorgbril kijkt, kan tekortdoen aan bewoners, bezoekers en aan de kwetsbare natuur waarin mensen soms terechtkomen.

De opgave is dus niet om te kiezen tussen zorg en handhaving. De opgave is om beide met elkaar te verbinden.

De tent is geen oplossing

Een tentenkamp ontstaat zelden omdat iemand het buitenleven verkiest. Vaak is een tent het zichtbare eindpunt van een lange reeks onzichtbare gebeurtenissen: verlies van werk, huisuitzetting, schulden, een relatiebreuk, psychische ontregeling, verslaving, het ontbreken van geldige papieren, een conflict met familie of een moeizame uitstroom uit detentie, jeugdzorg, beschermd wonen of klinische behandeling.

Soms zijn mensen bekend bij hulpverlening, maar is er geen plek die werkelijk past. Soms mijden zij zorg, omdat eerdere ervaringen vooral bestonden uit wachttijden, doorverwijzingen, voorwaarden en teleurstellingen. Soms is er wel opvang, maar is die voor iemand met traumaklachten, verslavingsproblematiek, psychische kwetsbaarheid of een groot wantrouwen jegens instanties juist te druk, te onveilig of te tijdelijk.

Dan wordt de buitenruimte een laatste toevluchtsoord. Niet veilig, niet gezond en zelden vrijwillig, maar wel beschikbaar.

Dat gegeven vraagt om een ongemakkelijke vraag aan overheid en samenleving. Wat zeggen we eigenlijk wanneer een tent in een park, een berm of een bos onze belangrijkste reactie oproept? Zeggen we dan dat iemand een regel overtreedt? Of erkennen we ook dat er kennelijk geen beter alternatief binnen bereik is?

Wie alleen de overtreding ziet, kan een tent laten verwijderen. Wie de mens erachter ziet, begrijpt dat ontruimen zonder perspectief meestal neerkomt op verplaatsen. Van het ene park naar het andere. Van de stadsrand naar het bos. Van een zichtbare plek naar een plek waar iemand nog verder buiten beeld raakt.

In de shit in het Haagse Bos

De verhalen van Staatsbosbeheer maken zichtbaar hoe scherp deze werkelijkheid kan botsen. In het Haagse Bos treffen boswachters geregeld dak- en thuisloze mensen aan die in tenten verblijven. Het gaat om mensen die soms van plek wisselen, soms al bij instanties bekend zijn en soms nergens in beeld lijken te zijn.

Boswachter Mark Kras beschreef in mei 2026 de ontmoeting met een jonge vrouw die met haar gezin in een tent in het Haagse Bos verbleef. Het was geen romantisch beeld van leven in de natuur. Er was afval, menselijke ontlasting en een overlevingsbestaan dat zich afspeelde tussen de bomen. Achter de tent bleek een verhaal schuil te gaan van arbeidsmigratie, verlies van werk en huisvesting, taalbarrières en een laag vertrouwen in overheid en hulpverlening. Pas nadat een hulporganisatie met de vrouw in gesprek ging, kon voorzichtig een opening ontstaan: zij zei dat zij hulp wilde.

Dat is een klein detail in een groot maatschappelijk probleem. Maar het is misschien wel het belangrijkste detail. Niet de tent, maar het moment waarop iemand nog bereikbaar blijkt. Niet de vraag hoe snel de plek kan worden leeggehaald, maar de vraag wie vervolgens naast iemand blijft staan.

Staatsbosbeheer bagatelliseert de problemen niet. Langdurig verblijf in natuurgebieden brengt risico’s mee voor de betrokken mensen zelf, voor bezoekers en voor de natuur. Afval en menselijke uitwerpselen vervuilen het gebied. Vuur maken en hout sprokkelen vergroten brandgevaar. Kwetsbare planten en dieren worden verstoord. Bezoekers kunnen zich onveilig voelen. Ook middelengebruik en psychische ontregeling kunnen maken dat een kwetsbare situatie snel escaleert.

Juist daarom is het niet verantwoord om tentenkampen in natuurgebieden als een soort alternatieve woonvorm te laten voortbestaan. Een bos is geen opvanglocatie. Een park is geen beschermd wonen. Een berm is geen woonvoorziening.

Maar het omgekeerde is even waar: een boswachter is geen maatschappelijk werker, een boa is geen behandelaren en een ontruiming is geen woonoplossing.

Niet wegkijken, niet wegjagen

Staatsbosbeheer probeert met deze spanning om te gaan door zorg en handhaving niet tegenover elkaar te zetten. Boswachters benaderen mensen, bieden informatie over hulp en opvang, werken waar mogelijk samen met gemeenten en hulpverleners en maken duidelijk dat overnachten in natuurgebieden niet is toegestaan. Zij zetten in op de-escalatie, laten bij afwezige bewoners meertalige brieven achter en zorgen dat achtergelaten persoonlijke bezittingen niet achteloos verdwijnen. Tegelijk worden locaties na vertrek opgeruimd en wordt gehandhaafd wanneer dat nodig is.

Dat is een belangrijke, maar ook kwetsbare praktijk. Want een terreinbeheerder kan signaleren en begrenzen, maar kan niet compenseren voor een tekort aan woonruimte, wachtlijsten in de ggz, ontoegankelijke opvang of de afwezigheid van passende begeleiding.

Daar zit de kern van het vraagstuk. Het is te gemakkelijk om te spreken over overlast als het systeem dat mensen van loket naar loket stuurt, zelf buiten beeld blijft. Het is ook te gemakkelijk om elke vorm van handhaving als kil of repressief weg te zetten. Bewoners mogen verwachten dat de openbare ruimte veilig en schoon is. Natuurgebieden verdienen bescherming. Boswachters hoeven niet de onmogelijke taak te krijgen om sociale nood, onveiligheid en natuurschade in hun eentje te beheersen.

Een mensgerichte aanpak begint daarom met een dubbele overtuiging: mensen mogen niet aan hun lot worden overgelaten, maar kwetsbaarheid mag ook niet worden geromantiseerd tot een recht om in onveilige en schadelijke omstandigheden te verblijven.

Het systeem achter de tent

Wie vaker schrijft en leest over het sociaal domein, herkent het patroon. Problemen komen zelden alleen. Iemand raakt niet dakloos door één ontbrekend formulier. Iemand belandt niet zomaar in een tent omdat hij of zij geen adres heeft. Meestal is er sprake van een stapeling: geen inkomen, geen netwerk, geen woonplek, geen toegang tot zorg, schulden, verlies van documenten, een psychisch probleem, middelengebruik, schaamte en wantrouwen.

Daarom werkt een systeem dat ieder onderdeel apart organiseert zo slecht. De maatschappelijke opvang kijkt naar een bed. De ggz kijkt naar behandeling. De gemeente kijkt naar Wmo-ondersteuning en openbare orde. De woningcorporatie kijkt naar woonruimte en huurvoorwaarden. De politie kijkt naar veiligheid. De boswachter kijkt naar natuur en terreinregels.

Iedereen doet dan misschien precies wat binnen het eigen mandaat past. En toch blijft de mens tussen de systemen liggen.

Die werkelijkheid werd eerder op deze site zichtbaar in ‘Onder de radar’, over een man die na detentie met een forensische indicatie zonder passende plek terechtkwam in de maatschappelijke opvang. Formeel was er een regeling, een indicatie en een verantwoordelijke partij. Praktisch was er geen voorziening beschikbaar. Het gevolg: een persoon met complexe problematiek zonder passende begeleiding, een opvang die niet voor die situatie is toegerust en een gemeente die uiteindelijk de gevolgen moet opvangen.

Dat mechanisme zien we ook rond tentenkampen. De plek buiten wordt een noodoplossing voor alles wat binnen de systemen niet lukt. De openbare ruimte wordt dan niet alleen letterlijk, maar ook bestuurlijk de plek waar onopgeloste problemen samenkomen.

Samenwerking is geen vergaderwoord

Samenwerking klinkt in beleidsstukken vaak vriendelijk en vanzelfsprekend. In de praktijk betekent het iets veel concreters: professionals die elkaar kennen, informatie kunnen delen binnen duidelijke kaders, elkaar vroegtijdig inschakelen en niet stoppen bij de grens van het eigen domein.

Bij een tentenkamp is een gezamenlijke aanpak nodig van ten minste gemeente, maatschappelijke opvang, straatteam, ggz, verslavingszorg, wijk-GGD, woningcorporatie, politie, handhaving en – in natuurgebieden – terreinbeheerder of boswachter. Niet om een grote keten rond iemand op te tuigen, maar om te voorkomen dat iedereen een stukje van de werkelijkheid ziet en niemand het geheel.

Daarbij zijn enkele uitgangspunten essentieel.

  • Begin met contact. Een handhaver of boswachter die rustig aanspreekt, uitlegt wat wel en niet kan en zichtbaar maakt welke hulp beschikbaar is, kan een eerste ingang bieden. Zeker voor mensen die zorg mijden, kan een respectvolle ontmoeting bepalend zijn.
  • Zorg voor één herkenbaar aanspreekpunt. Niet vijf telefoonnummers, drie aanmeldformulieren en een onduidelijke overdracht, maar één persoon of team dat verantwoordelijk blijft voor het vervolg.
  • Maak een alternatief werkelijk beschikbaar. Een aanbod dat op papier bestaat maar voor iemand feitelijk niet toegankelijk is, is geen alternatief. Sommige mensen hebben baat bij reguliere nachtopvang; anderen hebben een kleinschalige, prikkelarme, medisch begeleide of langduriger woonvoorziening nodig.
  • Handhaaf voorspelbaar en proportioneel. Bij brandgevaar, ernstige vervuiling, intimidatie, gevaar voor anderen of aantasting van kwetsbare natuur moet de overheid optreden. Maar ook dan hoort duidelijk te zijn wat de reden is, welke termijn geldt, welke hulp wordt aangeboden en wat er met persoonlijke bezittingen gebeurt.
  • Bescherm natuur zonder mensen uit te wissen. Wie in het bos slaapt, beschadigt soms natuur; wie iemand uitsluitend uit het bos verwijdert zonder vervolg, vergroot mogelijk diens kwetsbaarheid. Beide waarheden moeten tegelijk kunnen bestaan.
  • Leer van elke verplaatsing. Als dezelfde mensen steeds op nieuwe plekken terugkeren, is dat geen succes van handhaving maar een signaal dat de geboden oplossing niet passend of niet beschikbaar was.

Aan welke kant van de mens?

In het debat over dakloosheid en openbare orde sluipt gemakkelijk een harde taal binnen. Over tentjes die “weg moeten”, over mensen die “overlast veroorzaken”, over zichtbare ellende die het straatbeeld aantast. Die woorden zijn soms begrijpelijk, maar ze kunnen ook verhullen dat wij het probleem vooral willen verplaatsen omdat wij het niet willen zien.

Tegelijk heeft zachte taal geen waarde als zij onveiligheid, vervuiling en natuurvernietiging ontkent. Wie zich inzet voor mensen in kwetsbare posities, hoeft niet te doen alsof alle situaties zonder grenzen kunnen worden opgelost. Integendeel: juist een menswaardige benadering vraagt om veiligheid, duidelijkheid en bescherming – ook voor omwonenden, bezoekers, professionals en de natuur.

De vraag is dus niet of regels moeten gelden. De vraag is wat regels mogelijk maken wanneer iemand nergens anders heen kan.

Op Verruim de Horizon kwam eerder de vraag langs aan welke kant van de mens het systeem staat. Die vraag blijft ook hier relevant. Niet omdat de overheid alle problemen onmiddellijk kan oplossen, maar omdat zij wel kan besluiten mensen niet te reduceren tot een overlastmelding, een boeterapport of een tent die uit het zicht moet verdwijnen.

De tent in het bos is geen individueel falen. Zij is een signaal. Een signaal van een samenleving waarin wonen, zorg, bestaanszekerheid, veiligheid en natuurbeleid te vaak als gescheiden werelden worden behandeld. Wie dat signaal serieus neemt, kiest niet voor gedogen of wegjagen, maar voor een aanpak waarin handhaven altijd verbonden is met een daadwerkelijke uitweg.

Een bos blijft een bos. Een straat blijft een straat. Maar niemand zou er hoeven wonen omdat alle andere deuren dicht zijn.