Er is iets vreemds aan de hand met passende zorg. Hoe beter we haar organiseren, hoe vaker mensen vertellen dat ze zich zoek raken. De indicaties kloppen, de beschikkingen zijn op orde, de rapportages keurig ingevuld – en toch zit er aan de keukentafel iemand tegenover ons die zegt: “Ik ben vooral heel moe.”  

Moe van loketten, moe van wisselende gezichten, moe van telefoontjes en brieven die net langs de echte vraag heen gaan. Moe van een stelsel dat zegt: u krijgt passende zorg, terwijl het leven zelf iets anders terugzegt.

In het sociaal domein gebruiken we de juiste woorden. We hebben het over de leefwereld, over doen wat nodig is, over nabijheid en vertrouwen. We beloven dat de mens centraal staat. Maar wie een paar dagen meeloopt met gezinnen, jongeren of professionals, ziet hoe vaak de praktijk op iets anders draait.  

Niet het leven, maar het stelsel bepaalt de route. Niet het verhaal van een gezin, maar de vraag onder welke regeling het valt. Niet de relatie, maar de planning. En niet de betekenis van wat er gebeurt in huis, op school of in de buurt, maar de meetlat van wat we kunnen tellen.  

Dat is geen verwijt aan individuele professionals. Integendeel. De meeste mensen in het sociaal domein zijn juist aan het werk gegaan omdat ze naast mensen willen staan, niet naast systemen. Maar het systeem is hardnekkig. Het trekt de aandacht naar zichzelf toe. Het maakt van alledaagse werkelijkheid een administratieve puzzel.

Wat gebeurt er als we de volgorde omdraaien? Niet: “wat hebben wij in de aanbieding?”, maar: “hoe ziet een gewone dinsdag er hier uit?” Niet: “welke voorziening past bij uw vraag?”, maar: “waar breekt uw dag, waar slaat de spanning toe, waar zit de schaamte?”  

Aan de keukentafel krijgt die vraag meteen kleur. Daar is geen “casus”, maar een gezin. Geen “complexe problematiek”, maar een moeder die slecht slaapt, een kind dat stilletjes uit beeld glijdt, een vader die zich groter voordoet dan hij zich voelt. Dáár, in dat concrete, rommelige, soms pijnlijke leven, wordt beslist of zorg passend is.  

En precies daar schuift een ander kompas in beeld: verruimd pragmatisme. Geen nieuw modewoord, geen methodiek met stappenplan, maar een manier van kijken die de volgorde herstelt: eerst leven, dan stelsel. Eerst relatie, dan regeling. Eerst betekenis, dan meetlat.

Wie eerlijk terugkijkt op momenten waarop er wél iets kantelde, ziet vaak hetzelfde patroon. Het zat zelden in het formulier. Het zat bijna nooit in de productcode. Het zat in mensen.  

In de buurman die elke avond even aanbelt en vraagt of de jongen meegaat een rondje fietsen. In de juf die net iets langer blijft zitten na schooltijd. In de jeugdprofessional die niet wegloopt als het ingewikkeld wordt, maar zegt: “Ik blijf erbij, ook als we het nog niet weten.”  


Die alledaagse magie is geen romantische versiering van het stelsel. Ze ís het stelsel, als we tenminste durven erkennen wat er werkelijk werkt. Passende zorg ontstaat niet boven het hoofd van mensen, maar tussen hen. Relatie is geen zachte randvoorwaarde, maar de drager van verandering.

De vraag is: op wie richten we ons kompas? Op systeemrust, of op levensrust? Op sluitende dashboards, of op gezinnen die weer adem krijgen?  

Verruimd pragmatisme kiest nadrukkelijk voor dat laatste. Niet omdat regels, budgetten en verantwoording overboord kunnen, maar omdat ze hun plaats moeten weten. Het stelsel is gereedschap, geen doel. De meetlat is hulpmiddel, geen norm voor wat waardevol is.  

Dat vraagt iets van gemeenten, van aanbieders, van professionals én van bestuurders. Van de manier waarop we inkopen tot de manier waarop we rapporteren. Van de woorden die we in beleidsstukken gebruiken tot de ruimte die we professionals gunnen om mens te zijn vóórdat ze uitvoerder zijn.  


Maar het begint eenvoudig. Met een andere vraag aan die keukentafel:  “Wat zou het voor jullie betekenen als het over drie maanden hier thuis merkbaar lichter is? En wat heb je dáárvoor nodig?”  

Als we dat soort vragen weer serieus nemen, schuift er iets. Dan gaan we minder praten over passende zorg, en meer luisteren naar wanneer zorg als passend wordt ervaren.

Het essay Verruimd pragmatisme verkent precies die beweging. Het duikt dieper in de omgekeerde wereld van het sociaal domein, beschrijft de drie kernbewegingen van verruimd pragmatisme en laat zien wat dit concreet vraagt van gemeenten, aanbieders, professionals en bestuurders.  

Niet als theoretisch betoog op afstand, maar langs scènes uit de praktijk: aan de keukentafel, in wijkteams, in beleidsvergaderingen en aan de bestuurstafel. Zodat één vraag weer centraal komt te staan: Merkt de mens om wie het gaat er iets van, dat het systeem beweegt?