Ergens tussen een beleidsbrief in Den Haag en een keukentafel in Capelle is “passende zorg” een magisch woord geworden. Het belooft dat iedereen de juiste zorg op de juiste plek krijgt, nu en in de toekomst. Maar in de praktijk zien we iets anders: complexe gezinnen die tussen loketten verdwalen, mensen met psychische problemen die geen passende plek vinden, en gemeenten die met steeds krapper geld en strakkere normen toch maatwerk moeten leveren.

In een nieuw essay op Verruimde Horizon ga ik op zoek naar wat er gebeurt als passende zorg niet langer alleen een ideaal is, maar een harde norm die diep het stelsel in kruipt. Wie beslist straks wat passend is – de professional, de inwoner, het Zorginstituut, de zorgverzekeraar, of het regioplan? En wat betekent dat voor de Jeugdwet, de Wmo en het dagelijks werk in wijkteams, consortia en gemeentelijke toegang?

Geen technisch stuk, maar een verkenning langs drie vragen: waar helpt passende zorg ons echt vooruit, waar schuurt het met de leefwereld, en welke bruggen zijn nodig om te voorkomen dat vooral mensen met complexe levens buiten de norm vallen? Een uitnodiging aan bestuurders, professionals en beleidsmakers om niet alleen te vragen of de zorg passend is, maar ook of het systeem zelf nog past bij de samenleving waarvoor het ooit is opgebouwd.