
Waarom hulpmiddelen, jeugdzorg en ondersteuning vragen om publieke regie in plaats van marktwerking
We staan op een kantelpunt in de Wmo: niet alleen in beleid, maar in het ongemakkelijke besef dat we zorg en ondersteuning zijn gaan behandelen als marktproduct – en nu ontdekken dat de rekening wordt betaald in bestaanszekerheid, keuzevrijheid en vertrouwen.
Als de markt al aan tafel zit
Het artikel in Binnenlands Bestuur over de booming Wmo-hulpmiddelenmarkt laat zien hoe ver we inmiddels zijn opgeschoven. De markt voor hulpmiddelen – cruciaal voor mobiliteit, zelfstandigheid en participatie – wordt bijna volledig gedomineerd door vier landelijke spelers. Private equity, schaalvoordelen en rendement hebben er stevig voet aan de grond gekregen.
En ondertussen gebeurt er dit: soms zit de leverancier – of liever: de markt – al aan tafel, nog voordat de inwoner zijn verhaal heeft gedaan. Dan is het contract leidend, niet de context. Het raamwerk, niet de realiteit. Terwijl hulpmiddelen voor veel mensen geen “productcategorie” zijn, maar letterlijk het verschil maken tussen binnen zitten of meedoen, tussen afhankelijk zijn of eigen regie houden.
Op dat moment wordt de vraag urgent: wie stuurt hier eigenlijk? De publieke bedoeling – of het rendement?
Hulpmiddelen als lakmoesproef voor publieke regie
In eerdere blogs heb ik al betoogd dat we af moeten van het idee dat zorg en ondersteuning gewone marktproducten zijn. Dat begon bij de vraag: als we in het openbaar vervoer bereid zijn marktwerking te herzien, waarom durven we in de zorg niet dezelfde vraag te stellen? En later: als je jeugdzorg en de sociale basis serieus neemt als publieke kernvoorzieningen, dan kun je die niet onder hetzelfde aanbestedingsregime hangen als wegenbouw en IT.
De hulpmiddelenmarkt maakt die discussie ineens heel concreet.
Want als hulpmiddelen onderdeel zijn van bestaanszekerheid, zelfstandigheid en menswaardig leven, dan mogen beschikbaarheid, keuzevrijheid en kwaliteit nooit volledig meebewegen met financiële logica. Dan zijn hulpmiddelen geen “inkoopcategorie”, maar publieke infrastructuur. De rolstoel, het loophulpmiddel, het tillift-systeem: het zijn schakels in het dagelijks leven van mensen, niet alleen posten op een offerte.
Daarmee worden hulpmiddelen een lakmoesproef:
- Behandelen we dit als markt, tot het te complex, te geconcentreerd en te duur wordt – en we met de rug tegen de muur staan?
- Of erkennen we dat dit publieke kernfuncties zijn, en organiseren we daar ook publieke regie bij?
Consortia: oplossing of markt 2.0?
Onder mijn eerdere stukken kwam een interessante vraag voorbij: in hoeverre kun je deze analyse doortrekken naar de beweging naar consortia in maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg?
Dat is precies waar het spannend wordt.
Aan de ene kant liggen consortia voor de hand: minder versnippering, meer samenhang, gezamenlijke verantwoordelijkheid. In plaats van vijftig losse contracten een beperkt aantal samenwerkingsverbanden die een gebied integraal bedienen. Dat kan lucht geven in de uitvoering, overzicht in de keten en meer ruimte om vanuit de bedoeling te werken.
Maar er zit een risico onder: een consortium is geen vanzelfsprekende drager van publieke waarden. Je kunt net zo goed uitkomen op “marktconcentratie 2.0”: een paar grote combinaties van partijen die in de praktijk net zo sterk sturen op volume, rendement en risicobeheersing als nu. Dan krijg je:
- Minder aanbieders, maar niet per se meer publieke regie.
- Meer contractmanagement, maar niet per se meer menselijkheid.
- Grotere spelers, maar niet per se minder afhankelijkheid.
De vraag is dus niet: consortia, ja of nee? De echte vraag is: consortia als wat?
- Als nieuwe verschijningsvorm van dezelfde marktlogica.
- Of als instrument om echte publieke regie te organiseren.
Publieke regie betekent andere spelregels
Als we hulpmiddelen, maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg serieus als publieke basisvoorzieningen willen organiseren, dan hoort daar één ongemakkelijke conclusie bij: dan zijn we er niet met “slimmere inkoop” of nóg een handreiking. Dan moeten de spelregels veranderen.
Dat begint bij taal, maar eindigt bij techniek:
- Niet langer doen alsof Wmo-hulpmiddelen, ambulante begeleiding of jeugd-ggz gewone producten zijn op een concurrerende markt.
- Erkennen dat continuïteit, toegankelijkheid, nabijheid en vertrouwen net zo essentieel zijn als kosteneffectiviteit – en vaak belangrijker.
- Organisaties selecteren op hun bijdrage aan een publieke basis, in plaats van op hun vermogen om zich door aanbestedingscircussen te manoeuvreren.
Daarmee verschuift de vraag “wie is de goedkoopste?” naar:
- Wie kan op de lange termijn verantwoordelijkheid nemen voor alle inwoners, ook voor wie niet “rendabel” is?
- Wie denkt niet alleen in eigen contract, maar in keten en gebied?
- Wie organiseert zeggenschap en maatwerk, in plaats van alleen volume en standaardisering?
Consortia kunnen daar heel goed bij passen – maar dan als vorm van gedeelde publieke verantwoordelijkheid, niet als schaalstrategie van aanbieders.
Wat de Tweede Kamer moet doen
Deze omslag kunnen gemeenten niet alleen maken. Er is een politieke opdracht.
De Tweede Kamer kan drie cruciale bewegingen in gang zetten:
- De zorg- en ondersteuningsfuncties herdefiniëren als publieke kernvoorziening
Door in wetgeving en debatten expliciet te maken dat Wmo-hulpmiddelen, maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg geen gewone marktproducten zijn, maar diensten met een bijzondere publieke status. Dat schept ruimte om andere eisen te stellen dan “gelijke behandeling van alle aanbieders” en “maximale concurrentie”.
- Ruimte creëren voor andere contractvormen dan klassieke aanbesteding
Door het kabinet opdracht te geven om alternatieven uit te werken: langjarige, relationele contracten; publiek-publieke samenwerking; ruimte voor non-profit structuren; gebruik van Europese uitzonderingsmogelijkheden voor sociale diensten. Zodat gemeenten niet gedwongen blijven tot het jaarlijkse aanbestedingsritueel, maar een duurzame basis kunnen bouwen.
- Grenzen stellen aan afhankelijkheid van een paar grote spelers
Door onderzoek en regulering rond marktconcentratie en private equity in essentiële ketens als hulpmiddelen en specialistische zorg. Met aandacht voor:
- Maximale afhankelijkheid van enkele partijen;
- Transparantie over winst, risico’s en zeggenschap;
- Borging van publieke waarden in de contractuele spelregels.
Kortom: de Kamer moet durven zeggen dat de markt hier een bijrol heeft, geen hoofdrol.
Wat de VNG moet doen
De VNG zit in een unieke positie tussen landelijke politiek en lokale praktijk. Als we de zorgmarkt écht willen ombouwen naar een publieke basis, kan de VNG niet neutraal blijven in de markt-vs-publieke-regie-discussie.
Een aantal concrete rollen:
- Een uitgesproken koers kiezen: minder markt, meer basis
Niet alleen technische handreikingen schrijven, maar een duidelijke inhoudelijke lijn innemen: Wmo, maatschappelijke ondersteuning, hulpmiddelen en jeugdzorg zijn publieke kernopgaven, en horen daarom niet primair in een aanbestedingsframe. Van daaruit kun je gemeenten helpen om anders te organiseren en anders te contracteren.
- Gemeenten ondersteunen bij publieke consortia in plaats van marktconsortia
Dat betekent modellen ontwikkelen en delen voor consortia:
- Waarin publieke waarden expliciet zijn verankerd;
- Waarin langjarige wederkerige relaties centraal staan;
- Waarin ook ruimte is voor kleine en lokale partijen, juist omdat nabijheid en relatie belangrijk zijn;
- Waarin ketenregie, gezamenlijke verantwoordelijkheid en de sociale basis als ruggengraat zijn georganiseerd.
- Een gezamenlijke agenda richting Den Haag en Brussel trekken
De VNG kan de dagelijkse knelpunten van gemeenten vertalen naar een politieke agenda:
- Waar lopen we vast in aanbestedingsregels?
- Waar maakt marktconcentratie ons kwetsbaar?
- Welke juridische en financiële ruimte hebben we nodig voor échte publieke regie?
Daarmee wordt de VNG een actieve bondgenoot voor gemeenten die niet “gewoon willen inkopen”, maar een basis willen bouwen.
Goed opdrachtgeverschap als systeemvraag
In de dagelijkse praktijk praten we over goed opdrachtgeverschap vaak in termen van vaardigheden: scherp specificeren, goede dialoog, slim contracteren. Dat is nodig, maar niet genoeg.
Misschien is de kern van goed opdrachtgeverschap in het sociaal domein wel deze:
- Dat je durft te zeggen: wij kopen geen dozen in, wij ondersteunen mensen.
- Dat je beseft: als hulpmiddelen, ondersteuning en jeugdzorg dragers zijn van bestaanszekerheid, dan hoort daar een ander stelsel bij dan een gewone markt.
- Dat je je verantwoordelijkheid niet beperkt tot “de beste deal binnen de regels”, maar juist de regels zelf ter discussie durft te stellen.
De vraag is dan niet meer alleen: doen we het goed binnen dit systeem? Maar vooral: klopt het systeem nog met wat we willen zijn als publieke sector?
De hulpmiddelenmarkt laat zien wat er gebeurt als we die vraag te lang uitstellen. De beweging naar consortia biedt een kans om het nu anders te doen. De echte keuze ligt niet bij één gemeente, één contract of één hulpmiddel. Die ligt bij hoe we zorg en ondersteuning durven zien: als markt of als publieke basis.
En precies daar hebben Tweede Kamer en VNG iets te doen.
Zou jij – in jouw gemeente of organisatie – de stap durven zetten van “slimmer inkopen” naar “een basis bouwen”?