De afgelopen weken denderden de consultatiereacties op het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet binnen. De VNG, de branches gespecialiseerde zorg voor jeugd, de Nederlandse ggz, VGN – allemaal erkennen ze hetzelfde startpunt: zo kan het niet langer. Toch bekruipt me, als ik al die brieven naast de memorie van toelichting én de praktijkvoorbeelden leg, vooral één ongemakkelijke vraag: aan welke kant staat deze wet eigenlijk?

Want op papier moet dit wetsvoorstel helpen om de jeugdhulp houdbaar te maken, de druk op het stelsel te verlagen en de hulp te richten op de meest kwetsbare kinderen. In de praktijk dreigt het vooral een nieuwe laag systeem te worden boven op een stelsel dat al kraakt. Meer definities, meer afwegingskaders, meer beschikkingen – maar niet de fundamentele keuzes waar iedereen al jaren om vraagt.

Als je de reacties van VNG, BGZJ, de Nederlandse ggz en VGN naast elkaar legt, is er opvallend veel eensgezindheid. Samengevat zeggen ze drie dingen.

  • De reikwijdte wordt niet wezenlijk afgebakend.
    Begrippen als basishulp en aanvullende jeugdhulp blijven vaag, de echte keuzes worden doorgeschoven naar lagere regelgeving en lokale verordeningen. Daarmee blijft de jeugdhulpplicht in de kern een open einde: brede opdracht, sterke individuele aanspraken, beperkte mogelijkheden voor echte sturing.
  • Postcodezorg en ongelijkheid blijven bestaan.
    Omdat landelijke normen op de kernpunten ontbreken, blijft het voor kinderen en ouders uitmaken in welke gemeente je woont: andere definities, andere drempels, andere uitwerking. De rechtspraak zal straks opnieuw moeten repareren wat politiek en wetgever niet durven kiezen.
  • De uitvoeringslast voor lokale teams en aanbieders wordt zwaarder in plaats van lichter.
    Verplichte meldingen, afwegingskaders, beschikkingen met uren en duur, periodieke heroverweging, trajectduur‑sturing: het klinkt ordelijk, maar het betekent in de praktijk extra administratie en juridisering, juist bij de teams die we zeggen te willen versterken.

Daar bovenop signaleren de reacties nog twee grote gaten: domeinoverstijgend werken is onvoldoende verankerd (Wmo, Zvw, Wlz, onderwijs, bestaanszekerheid), en de rol van Stevige Lokale Teams is wel benoemd maar niet stevig genormeerd in termen van mandaat, expertise en randvoorwaarden.

De reacties hebben dus een duidelijke boodschap: zonder keuzes over wie waarvoor verantwoordelijk is, zonder beperking van individuele aanspraken en zonder serieus doordenken van de sturingslogica blijft het dweilen met de kraan open.

In mijn blogs over de Reikwijdtewet zoom ik vanuit een ander vertrekpunt in: niet vanuit de wetsartikelen, maar vanuit de vraag hoe dit voelt en uitpakt in de leefwereld van gezinnen, professionals en lokale teams.

Dan zie je iets anders gebeuren. De reikwijdte-discussie is dan niet alleen een juridisch vraagstuk, maar vooral een normatieve vraag: wat vinden we met elkaar dat er bij hoort – en wie mag dat bepalen?

  • Waar horen we als samenleving “nee” te zeggen tegen jeugdhulp, niet omdat we kil zijn, maar omdat het gewoon bij leven, opvoeden en onderwijs hoort?
  • Wanneer is de overheid wél aan zet, en vanuit welk domein: jeugdhulp, bestaanszekerheid, onderwijs, volwassen-GGZ?
  • Hoe voorkom je dat een juridische zorgplicht een systeem wordt waarin niemand nog durft te begrenzen, omdat alle risico’s bij de individuele beschikking en de rechter liggen?

De Reikwijdtewet probeert die spanning te vangen met nieuwe begrippen en procedures, maar schuift de echte keuze – de normatieve grens – nog steeds naar voren. Ondertussen neemt de druk op lokale teams en aanbieders toe om “passend” te onderbouwen wat ze doen, terwijl de speelruimte om vanuit relatie en context te werken kleiner wordt.

In eerdere blogs noemde ik dat “de zorgplicht op slot zetten met mooie woorden”: we formuleren doelstellingen waar niemand tegen kan zijn, maar we bouwen er een juridisch en administratief hek omheen dat het in de praktijk juist moeilijker maakt om menselijk te handelen.

En dan ligt er tegelijkertijd die notitie Van Markt naar Mens op tafel: een landelijke transitieagenda voor een effectief sociaal domein. Waar het wetsvoorstel vooral aan de knoppen van regels, definities en procedures draait, laat Van Markt naar Mens zien wat er gebeurt als je aan het fundament morrelt: de sturingslogica.

De kern van die agenda is glashelder: het dominante New Public Management‑denken – marktwerking, concurrentie, aanbestedingen, productcodes, controle – past niet bij de complexe, relationele werkelijkheid van het sociaal domein. Het levert administratieve druk, versnippering en wachttijden op, maar geen betere ondersteuning voor gezinnen.

Daar tegenover schetst Van Markt naar Mens een set principes die je bijna één op één kunt leggen op wat we in de Reikwijdte-discussie missen.

  • Vakmanschap met mandaat
    Beroepskrachten in wijkteams, scholen en jeugdhulp krijgen ruimte en verantwoordelijkheid om te doen wat nodig is, binnen een gezamenlijk kader, met goede supervisie en ondersteuning. Geen knip in petten, dossiers en productcodes, maar één verhaal, één plan, één aanspreekpunt.
  • Nabijheid en één team, één budget
    In gemeenten als Veendam (JEP), Peel en Maas (Hendig) en Oss (Ruwaard/Ussen) zien we wat er gebeurt als je aanbieders niet tegen elkaar laat concurreren, maar samen verantwoordelijk maakt binnen één netwerk, één budget, één gebied. Wachttijden verdwijnen, ondersteuning wordt eenvoudiger en de administratieve ballast neemt af.
  • Partnerschap in plaats van aanbesteding
    Geen korte contractcycli en relaties op armlengte, maar meerjarige samenwerking, transparantie over financiën en gezamenlijke sturing op kwaliteit en publieke waarde.
  • Leren in plaats van afrekenen
    Minder sturen op trajectduur en aantallen, meer op gezamenlijke analyse, casusbespreking en het verbeteren van de praktijk.

Van Markt naar Mens is daarmee geen losse inspiratiebundel, maar een ontwerpantwoord op precies de problemen die de reacties op de Reikwijdtewet beschrijven.

Als je de reacties, de blogs en Van Markt naar Mens naast elkaar legt, ontstaat er een opvallend helder drieluik.

  1. De reacties zeggen:
    “Dit wetsvoorstel lost de kernproblemen niet op: geen echte afbakening, geen structurele stelselkeuzes, wel extra regeldruk en onduidelijkheid voor lokale teams.”
  2. De blogs laten zien:
    “Zo voelt dat in het dagelijks leven: gezinnen die door loketten reizen, professionals die meer met het systeem bezig zijn dan met mensen, een zorgplicht die zichzelf vastzet.”
  3. Van Markt naar Mens bewijst:
    “Het kan echt anders: als je het systeem ombouwt van markt naar mens, van transacties naar relaties, van aanbesteding naar partnerschap.”

Die drie samen geven voldoende stof om het gesprek met rijk, VNG en aanbieders op een ander niveau te voeren. Niet alleen over wéér een nieuw afwegingskader, maar over de vraag:

  • Welk mensbeeld en welke sturingslogica spreken we eigenlijk in deze wet uit?
  • Sluit dat aan bij wat we in de praktijk zien werken – of organiseren we nu een nette bestuurlijke schil rond een stelsel dat feitelijk instort?

Dan kun je ook andere eisen aan de wet formuleren. Bijvoorbeeld:

  • Een reikwijdtewet die niet alleen definieert wat jeugdhulp is, maar ook schetst hoe die hulp relationeel en domeinoverstijgend georganiseerd moet kunnen worden, zonder onnodige juridische schotten.
  • Een juridische verankering van lokale teams die hun vakmanschap en mandaat ondersteunt in plaats van opknipt in toeleiding versus uitvoering.
  • Een stelsel waarin basisvoorzieningen, pedagogische basis en domeinen rondom de jeugd (onderwijs, bestaanszekerheid, volwassen-GGZ) expliciet als mede‑dragers van het antwoord worden benoemd, in plaats van als context waar de Jeugdwet “rekening mee houdt”.

Misschien is dat wel de belangrijkste conclusie die je uit deze puzzel kunt trekken. Zolang we de Reikwijdtewet benaderen als een technische exercitie – een verfijning van definities, procedures en afwegingskaders – blijven we binnen dezelfde systeemlogica die het sociaal domein al jaren vastzet.

De consultatiereacties laten zien dat het veld die grens bereikt: zo niet. De praktijkvoorbeelden uit Van Markt naar Mens laten zien dat er echt iets anders mogelijk is, als je durft te kiezen voor relationeel organiseren, vakmanschap met mandaat en partnerschap in plaats van markt.

De échte vraag is dan niet alleen waar we de grens van de jeugdhulpplicht trekken, maar welk verhaal we daar omheen vertellen. Is het verhaal er één van markt, product, traject en controle? Of durven we een wet te maken die past bij het verhaal van mens, relatie, nabijheid en gedeelde verantwoordelijkheid?

Zolang we die vraag niet beantwoorden, zal elke nieuwe reikwijdtewet vooral nieuwe randen om hetzelfde systeem tekenen. Pas als we de stap van markt naar mens ook in onze wetgeving durven zetten, krijgt de horizon van kinderen, ouders en professionals echt lucht.