De taart samen groter maken!

Samen werken aan effectieve regionale samenwerking

Regionale samenwerking is geen nieuw fenomeen. Het is van alle tijden. Ook zien wij dat ‘de regio’ in toenemende mate de schaal is waar de oplossing voor tal van bestuurlijke en maatschappelijke opgaven wordt gezocht. Al zijn wij het vervolgens niet eens over wie of wat de regio is! Bovendien is de regionale samenwerking vaak verkokerd en gefragmenteerd. Met een lappendeken aan onsamenhangende regio’s en uiteenlopende vormen en coalities als gevolg. Het ontbreken van een eenduidige regionaal bestuurlijke structuur leidt tot gelegenheidsoplossingen waarbij de hiërarchische structuren rond taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden en middelen volstrekt uit evenwicht zijn. Met als resultaat dat de logistieke samenhang met het dagelijkse leven van de inwoners – voor wie wij het allemaal doen – volstrekt zoek is. Dit roept niet alleen bestuurlijke én financiële vragen op. Het vraagt vooral om reflectie die het bestaande denken helpt op te rekken. Zodat ruimte ontstaat om door nieuwe vensters naar het vraagstuk te kijken. Spiegels en vensters dus voor een complex vraagstuk dat veelal en vooral bestuurlijke drukte met zicht brengt en daardoor (?) nog (te) weinig oplost. Urgentie is daarbij geboden.

Dat de regio een belangrijke rol speelt bij het uitvoeren van overheidsbeleid binnen het sociaal domein is evident. Veel decentrale overheidstaken (van bijstand en werk en inkomen tot gezondheidszorg, jeugdhulp, (passend) onderwijs en maatschappelijke ondersteuning) kennen een bereik of een uitvoeringsschaal die het territoir van de meeste gemeenten overstijgt, maar zijn niet in handen gelegd van bijvoorbeeld provincies. Volgens de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) bestaat er bij grote opgaven mede daarom grosso modo brede steun voor regionale samenwerking. Waarbij gemeenten in de regel kiezen voor samenwerkingspartners die geografisch dichtbij zijn (vaak buurgemeenten), en geen gelijksoortige gemeenten die verder weg liggen. Dat zal te maken hebben met de aard van de in samenwerking uitgevoerde taken. Samenwerken is daardoor vooral regionaal samenwerken. Met als knelpunt dat de politieke zeggenschap van gemeenten afneemt, terwijl zij wel financieel en inhoudelijk verantwoordelijk blijven. Voeg daarbij een mismatch tussen opgaven, schaal en bevoegdheden en het ontbreken van een centrale of gezamenlijke visie op regiovorming, en je weet zeker dat de samenwerking zal stranden of verzanden in gedoe.

Samenwerken tussen gemeenten in regionale verbanden is populair. Echter, niet omdat het leuk is. Het is populair omdat het noodzakelijk en onontkoombaar is. Anders gezegd: samenwerken draait en vraagt om belangen. En goed samenwerken vraagt naast het opkomen voor het eigen belang ook het verdedigen van de belangen van de partners! En juist dat blijft vaak onderbelicht of onbesproken. Simpelweg omdat het razend moeilijk is en er veel bij komt kijken.

Samenwerkingsproblemen zijn veelal het gevolg van een gebrek aan gedeelde ambities, verwatering van de potenties van samenwerken, personele instabiliteit, schijnsamenwerking, onderorganisatie, volharden in beelden van de ander, dubbele loyaliteiten en achterbanproblemen en sluimerende machtsspelletjes. En toch, tóch is samenwerken leuk! Mits je de opgave serieus neemt.

Alle gemeenten in een regionaal samenwerkingsverband hebben belangen. Goed samenwerken betekent niet dat zij die belangen opgeven of onuitgesproken laten. Goed samenwerken vereist juist dat die belangen open en bloot op tafel komen. Ten eerste als toetsingskader voor oplossingen, want die moeten recht doen aan alle belangen om iedereen gemotiveerd en betrokken te houden. Ten tweede om een complete verkenning van de synergie tussen partijen mogelijk te maken. Samenwerken is een vindtocht van soms totaal verrassende kansen om van één en één drie te maken.

Samenwerken brengt gedoe met zich mee. Gemeenten geven iets op van zichzelf in de hoop er meer voor terug te krijgen. Dat ‘meer’ moet dan wel reëel zijn en van de grond kunnen komen. Dat begint met een paar boeiende vragen: wat kunnen we samen meer bereiken dan ieder voor zich? Wat vindt ieder van ons echt betekenisvol en passen de antwoorden bij elkaar? Hanteren we dezelfde definities, zodat we het over hetzelfde hebben? Hoe kan elk van ons door de samenwerking ook afzonderlijk beter presteren? Wat wil ieder van ons bewust buiten de samenwerking houden en hoe kunnen we daarmee omgaan?

Publieke samenwerking moet je bovendien professioneel organiseren en structureren. Alle aspecten van het organiseren en structureren komen daarbij in principe om de hoek kijken.

Samenwerkingsverbanden hebben een missie (waar staan we voor?), een visie (waar gaan we voor?) en een strategie (hoe gaan we dat doen?). Ze beschikken over werkprocessen die moeten aansluiten op de werkprocessen van de partners en daar waarde aan moeten toevoegen. En ze vragen om besturing en afspraken over de verdeling van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden. En ook om afspraken over informatie-uitwisseling, interne en externe communicatie en de verdeling van kosten en opbrengsten. Afhankelijk van het formele karakter van de samenwerking zijn de organisatie en structuur ervan lichter of zwaarder, maar alle genoemde organisatieaspecten verdienen altijd aandacht.

Samenwerken kan inhoudelijk nog zo zinvol zijn, het is een werkwoord en mensen moeten het doen. Mensen van verschillende organisaties uit verschillende organisatieculturen, Meer dan op zich staande organisaties, hebben samenwerkingsverbanden daarom baat bij werken aan vertrouwen en conflicthantering en het denken vanuit verschillende invalshoeken en perspectieven. Het vereist kortom een sfeer waarin, naast de inhoud van de samenwerking, aandacht bestaat voor de mensen die het uiteindelijk moeten doen. Een valkuil bij menige samenwerking is daarbij te veel resultaatgerichtheid waardoor de beoogde samenwerkingsrelatie niet goed van de grond komt. Samenwerking kost tijd en vraagt ruimte voor onzekerheid.

Betere regionale samenwerking begint bij elke gemeente zelf. En het besef dat regio’s belangrijk en bepalend zijn voor het succes van het eigen gemeentelijk beleid voor (o.a.) het sociaal domein.  Om de complexe opgaven binnen het sociaal domein samenhangend en duurzaam te kunnen organiseren, is samenwerken geen keuze, maar een noodzaak. Simpelweg omdat gemeenten, die hun inwoners serieus nemen en de ondersteuning van hun inwoners effectief en samenhangend met de logistiek van het gewone leven willen organiseren, in hun eentje die verantwoordelijkheid niet aankunnen.

Natuurlijk, deze constatering kent (ook) een financiële bron en noodzaak, maar werkt alleen als de inhoud centraal worden gesteld. Er is binnen het sociaal domein nood aan een integrale regionale agenda voor vraagstukken rond wonen, welzijn, zorg en onderwijs, werk en inkomen. Gebaseerd op de erkenning dat de maatschappelijke opgaven op regionaal niveau een proces van de regio zelf is, dat en van onderop (en dus lokaal gefundeerd) komt.

De noodzakelijke samenhang met de logistiek van het dagelijkse leven van de inwoners vraagt bovendien een daarmee congruente indeling van de regio’s. En dus het ‘opschonen’ van de lappendeken van regionale samenwerking binnen het sociaal domein. Anders gezegd: organiseer geen regionale samenwerking rond ‘hokjes’ (jeugdzorg, beschermd wonen, maatschappelijke opvang, werk & inkomen, wonen en zorg, ontwikkeling en onderwijs), maar neem het sociaal domein als basis. De in regionaal verband samenwerkende gemeenten moeten de taken binnen het sociaal domein zoveel mogelijk met dezelfde partners uitvoeren en/of binnen dezelfde buitengrenzen van samenhangende samenwerkingsgebieden. Of, zoals de ROB stelt: “Regionale opgaven moeten in beginsel worden georganiseerd langs een consistente en congruente indeling, tenzij de inhoud zwaarwegende redenen geeft om daarvan af te wijken.”

De kracht van regionale samenwerking schuilt in het eigenaarschap: bestuurslagen die het vermogen en vertrouwen hebben om een opgave of taak uit te voeren, geborgd door passende financiering. Als het gaat om verplichte regionale samenwerking met veel landelijke kaders en weinig beleidsruimte, moet het rijk hiervoor voldoende budget beschikbaar stellen. Als gemeenten of regio’s daar een plusje op willen zetten, moeten ze dat uit eigen middelen betalen.

Samenvattend: gemeenten die werk willen maken van werkzame samenwerking komen zelf met een afwegingskader over taaktoedeling, maatwerk en principes voor het aanpakken van maatschappelijke opgaven op regionale schaal. Zij zoeken de samenwerking op. Juist waar deze lastig lijkt! Geruggensteund door een stelselverantwoordelijke landelijke overheid die duidelijke kaders en voorwaarden schept voor een effectief decentraal bestuur.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte is senior-adviseur bij Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor overheden en organisaties werkzaam binnen het sociaal domein. Meer van zijn blogs en ideeën zijn te vinden op Verruim de horizon, De kracht van het alledaagse en Inspirituals
  • Peter Paul Doodkorte is een van de (acht) regioadviseurs die samen het landelijk werkende Regioteam Opdrachtgever-/opdrachtnemerschap Wmo en Jeugdwet vormen. Het regioteam opereert namens drie organisaties: Programma Inkoop en Aanbesteden Sociaal Domein, het Ketenbureau i-Sociaal Domein en Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd. Hiermee beschikken de regioadviseurs over een breed palet aan producten en diensten, instrumenten, opleidingen en praktijkvoorbeelden. Daarnaast hebben ze via deze drie organisaties toegang tot een groot netwerk van experts, ervaringsdeskundigen en een rechtstreeks lijntje met ‘Den Haag’.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s