Er is een vraag die we in de zorg misschien vaker zouden moeten stellen.

Niet: hoeveel tijd kost deze bewoner? Maar: waarom zijn we zijn aanwezigheid als tijdverlies gaan ervaren?

Dat is de ongemakkelijke vraag die zich aandient bij All of a Sudden, de film van Ryūsuke Hamaguchi. In het verhaal probeert Marie-Lou, directrice van een ouderenzorgvoorziening bij Parijs, een andere manier van zorgen mogelijk te maken. Een manier waarin bewoners niet opgaan in hun zorgbehoefte, maar mensen blijven met wensen, gewoonten en een eigen wil.

Haar overtuiging botst met de organisatie van het werk, financiële belangen en de grenzen van een overbelast team.

Daarmee ligt meteen een wezenlijke spanning op tafel.

Menselijkheid klinkt vanzelfsprekend. Totdat iemand er tijd voor nodig heeft.

Marie-Lou wil werken vanuit Humanitude. Niet alleen de handeling telt, maar ook het contact waarin die handeling plaatsvindt. De ander benaderen als iemand die aanwezig is, die iets ervaart en die niet vanzelfsprekend instemt omdat hij zorg nodig heeft. Hamaguchi omschrijft die inzet als het teruggeven van individualiteit en zeggenschap binnen een systeem dat mensen daarvan kan beroven.

Dat raakt aan een onderscheid dat gemakkelijk uit beeld verdwijnt.

Iemand verzorgen is nog niet hetzelfde als iemand ontmoeten.

Een lichaam kan gewassen zijn terwijl de persoon zich niet gezien voelt. Een dossier kan volledig zijn terwijl een wezenlijke vraag niet is gesteld. Een planning kan kloppen terwijl de dag voor degene om wie het gaat nauwelijks nog als een eigen dag voelt.

Dat maakt protocollen niet overbodig. En een rooster niet verdacht. Zonder organisatie wordt goede zorg afhankelijk van toeval.

Maar organisatie hoort het contact mogelijk te maken. Niet andersom.

Wanneer de bewoner vooral moet meewerken om het werk uitvoerbaar te houden, moeten we ons afvragen wie zich eigenlijk aan wie heeft aangepast.

Het zou gemakkelijk zijn om Marie-Lou tegenover haar medewerkers te plaatsen. De bevlogen vernieuwer tegenover een team dat niet wil veranderen.

Maar juist dat zou een te eenvoudige lezing zijn. De weerstand komt ook van medewerkers die al overbelast zijn. De film plaatst de ambitie van mensgerichte zorg nadrukkelijk tegenover de omstandigheden waarin mensen hun werk moeten doen.

Daar ligt een belangrijke les voor iedereen die in zorg en sociaal beleid over verandering spreekt.

Een beroep op menselijkheid mag geen verkapte opdracht tot zelfopoffering worden.

We kunnen niet blijven zeggen dat professionals meer moeten luisteren, beter moeten aansluiten en langer moeten volhouden, zonder ook te bespreken wat daarvoor moet veranderen. Welke taken kunnen verdwijnen? Waar ontstaat ruimte? Wie draagt verantwoordelijkheid als de beschikbare tijd niet past bij de afgesproken kwaliteit?

Wie alleen het gedrag van medewerkers wil veranderen, laat de inrichting van het werk buiten schot. En wie waardigheid voor bewoners vraagt, zal ook de grenzen van medewerkers serieus moeten nemen.

Naast het verhaal over de zorgvoorziening staat de ontmoeting tussen Marie-Lou en Mari, een Japanse theatermaker met kanker. Hun vriendschap groeit uit tot een gesprek over zorg, sterfelijkheid en de manier waarop mensen voor elkaar aanwezig kunnen zijn.

Die tweede verhaallijn voorkomt dat alles uitsluitend een organisatievraag wordt. Want niet alles wat ertoe doet, laat zich oplossen.

Er is ziekte die niet verdwijnt. Er is verlies waarvoor geen herstelplan bestaat. Er zijn situaties waarin de belangrijkste vraag niet meer is wat iemand kan doen, maar of iemand bereid is te blijven.

Dat is een andere betekenis van nabijheid dan we vaak in beleid gebruiken. Niet nabij zijn om iemand zo snel mogelijk weer zelfstandig te maken. Maar nabij zijn omdat de ander ertoe doet, ook wanneer zelfstandigheid afneemt.

Vriendschap hoeft geen resultaat te verantwoorden. Misschien maakt juist dat zichtbaar wat in professionele verhoudingen zo gemakkelijk onder druk komt te staan: de mogelijkheid dat een ontmoeting waardevol is zonder dat er iets wordt afgerond.

Een van de inspiratiebronnen van de film is een briefwisseling waarin een filosofe met kanker zich verzet tegen het samenvallen van haar persoon met haar ziekte. Hamaguchi verbindt dat met de vraag hoe mensen hun eigenheid kunnen behouden wanneer zij afhankelijk worden van zorg.

Die vraag reikt verder dan de ouderenzorg.

Ook in het sociaal domein gebruiken we woorden die iets noodzakelijks beschrijven, maar nooit de hele mens bevatten: cliënt, mantelzorger, zorgmijder, jongere met complexe problematiek.

We hebben begrippen nodig om te begrijpen en te organiseren.

Maar een begrip kan ook een grens worden.

Zodra we denken te weten wie iemand is omdat we weten in welke categorie hij valt, verdwijnt de nieuwsgierigheid. Dan vragen we vooral wat bij de indicatie hoort en minder wat voor deze persoon betekenis heeft.

De opgave is daarom niet om alle categorieën af te schaffen.

De opgave is om te voorkomen dat onze categorieën het laatste woord krijgen.

De film speelt in een Franse zorgomgeving. De verbinding met Nederlandse gemeenten, wijkteams, jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning is geen één-op-éénvergelijking. Wel biedt het verhaal een scherpe spiegel voor de manier waarop we ondersteuning willen organiseren.

We spreken graag over de menselijke maat.

Maar wat betekent die belofte als niemand tijd heeft om af te wijken? Als continuïteit steeds opnieuw moet wijken voor een andere planning? Als professionals wel verantwoordelijkheid krijgen voor een goede relatie, maar weinig invloed op de voorwaarden daarvoor?

Dan wordt mensgericht werken een persoonlijke prestatie.

Afhankelijk van die ene medewerker die langer blijft. Die ene leidinggevende die ruimte maakt. Die ene collega die iets opvangt.

Dat kan bewonderenswaardig zijn. Het is alleen nog geen betrouwbare inrichting van zorg.

De stap van markt naar mens vraagt daarom meer dan een vriendelijker houding. Ze vraagt dat we tijd, financiering, personeelsbeleid en verantwoording toetsen aan dezelfde vraag: helpen deze afspraken mensen om goede zorg te geven en te ontvangen?

Niet alles wat meetbaar is, is betekenisloos.

Maar wat betekenisvol is, verdient bescherming –  ook als het niet eenvoudig te tellen valt.

All of a Sudden neemt 196 minuten voor zijn verhaal. Gesprekken krijgen de ruimte; de verhouding tussen de twee vrouwen ontwikkelt zich niet uitsluitend via snelle gebeurtenissen, maar ook via uitwisseling en aandacht.

Daarin schuilt een passende spanning.

Een film over aandacht vraagt zelf om aandacht.

Misschien is dat wel de meest prikkelende gedachte die dit verhaal oproept. Dat tijd niet alleen een kostenpost is, maar ook de ruimte waarin iemand weer een gezicht krijgt. Waarin een medewerker kan begrijpen waarom een bewoner niet wil. Waarin achter weerstand angst zichtbaar wordt. Waarin iemand niet uitsluitend wordt geholpen, maar ook wordt gehoord.

De centrale vraag is dan niet of menswaardige zorg ons iets mag kosten.

De vraag is wat we bereid zijn ervoor te organiseren. Want een mens is geen onderbreking van het werk.

De ontmoeting is het werk.