
Inclusie begint niet bij een regenboogvlag
Er zijn cijfers die je leest, opslaat en weer vergeet. En er zijn cijfers die blijven hangen, omdat ze iets blootleggen wat we misschien liever niet onder ogen zien.
De acceptatie van homoseksualiteit onder Nederlandse jongeren is in vier jaar tijd scherp gedaald. Bij jongens in het voortgezet onderwijs nam een positieve houding af van 40 procent in 2021 naar 22 procent in 2025. Onder meisjes daalde die van 78 naar 51 procent. Tegelijkertijd daalde het aandeel jongeren dat denkt dat een homoseksuele of lesbische leerling op school open kan zijn van 60 naar 45 procent.
Dat zijn geen abstracte percentages. Achter ieder cijfer zit een klaslokaal. Een kleedkamer. Een groepsapp. Een gang in de pauze. Een jongere die eerst om zich heen kijkt voordat die iets vertelt over verliefdheid, identiteit of thuis. Of die besluit niets te zeggen, omdat zwijgen veiliger lijkt dan gezien worden.
Wie deze cijfers uitsluitend leest als een probleem van ‘homoacceptatie’, ziet te weinig. Dit gaat over de kwaliteit van onze samenleving. Over de vraag of we nog werkelijk ruimte maken voor verschil. En vooral: over de eenvoudige, fundamentele mogelijkheid om te mogen zijn wie en wat je bent.
De sfeer is geen bijzaak
We praten in het sociaal domein graag over preventie, veerkracht, mentale gezondheid en kansengelijkheid. Terecht. Maar die woorden krijgen pas betekenis in de dagelijkse omgeving van kinderen en jongeren.
Een veilige school is niet alleen een school waar een protocol in een la ligt. Het is een plek waar je niet voortdurend hoeft te scannen: kan ik dit zeggen, kan ik zo lopen, mag ik hier verliefd zijn, wordt er gelachen als mijn naam, kleding, geloof, lichaam, accent, gezin of identiteit afwijkt van wat anderen als normaal hebben leren zien?
De HBSC-monitor laat zien dat leerlingen school al langere tijd minder leuk vinden. De sfeer tussen klasgenoten is minder positief geworden en jongeren rapporteren vaker pesten. Daarnaast is de schooldruk hoog: ruim de helft van de meisjes en meer dan een derde van de jongens in het voortgezet onderwijs ervaart veel druk door schoolwerk. Bij meisjes heeft 43 procent emotionele problemen, tegenover 29 procent in 2017.
Dat maakt de dalende acceptatie van seksuele diversiteit des te zorgelijker. Uitsluiting komt zelden alleen. Zij nestelt zich in een bredere sfeer van prestatiedruk, onzekerheid, polarisatie en het voortdurende oordeel van anderen. Een jongere die al moeite heeft om overeind te blijven, kan weinig hebben aan de geruststellende mededeling dat er formeel toch een vertrouwenspersoon is.
De vraag is dus niet alleen of jongeren diversiteit accepteren. De vraag is: welke sfeer maken wij met elkaar normaal?
Het publieke gesprek komt de klas binnen
Jongeren groeien niet op in een vacuüm. Zij luisteren naar de taal van volwassenen, kijken naar wat in politiek en media wel of niet wordt tegengesproken en ontmoeten online een eindeloze stroom aan beelden, meningen en vooroordelen.
Dat betekent niet dat sociale media, influencers, religie, opvoeding of onderwijs op zichzelf de verklaring vormen voor deze ontwikkeling. Het HBSC-onderzoek kan geen oorzakelijk verband vaststellen. Dat onderscheid is belangrijk: een dalende acceptatie laat zich niet herleiden tot één schuldige, één platform of één groep jongeren.
Maar we hoeven ook niet te doen alsof de publieke toon er niet toe doet. Wanneer seksuele diversiteit telkens opnieuw als een controversieel onderwerp wordt neergezet, wanneer desinformatie ongeremd circuleert en wanneer mensenrechten worden behandeld als een debatstelling, sijpelt dat door in de omgang van alledag.
Dan wordt ‘homo’ weer een scheldwoord. Dan wordt een regenboogvlag niet een teken dat iedereen welkom is, maar een aanleiding voor conflict. Dan verandert Paarse Vrijdag van een uitnodiging tot solidariteit in een cultureel mijnenveld. En dan moet een jongere die afwijkt van de norm niet alleen zichzelf ontdekken, maar ook voortdurend verdedigen.
Dat is een zware opdracht voor iemand van veertien.
Diversiteit is geen themaweek
Diversiteit wordt nog te vaak benaderd als iets dat je er af en toe bij doet. Een les in november. Een vlag in december. Een gastspreker tijdens een projectweek. Allemaal waardevol, maar niet voldoende.
Inclusie is geen evenement. Het is de dagelijkse praktijk van taal, aandacht, grenzen stellen en ruimte bieden. Het zit in wie er voorkomt in lesmateriaal, in boeken, op posters en in voorbeelden. In de vraag of een docent ingrijpt wanneer iemand “homo” als scheldwoord gebruikt. In de manier waarop een professional reageert als een jongere een andere naam of aanspreekvorm wil gebruiken. In de vraag of er op school, bij sport, in de jeugdvoorziening en thuis iemand is die niet meteen oordeelt, maar eerst luistert.
De praktische kennis hierover is er. COC Nederland wijst er bijvoorbeeld op dat scholen een positieve norm moeten stellen, duidelijke grenzen moeten trekken tegen pesten en discriminatie, diversiteit niet als uitzondering maar als vanzelfsprekendheid moeten tonen en structureel ruimte moeten geven aan leerlingen om zichzelf te ontdekken. Een open debat organiseren over de rechten van een minderheid is daarbij geen neutrale onderwijsvorm: het kan juist negatieve opvattingen extra ruimte geven en sociale onveiligheid versterken.
Daar zit een belangrijke les in voor iedereen die met jongeren werkt. Menswaardigheid is geen stelling waarover de meerderheid stemt. De vrijheid om jezelf te zijn is geen gunst die je pas krijgt als de omgeving je voldoende sympathiek vindt.
Van tolereren naar behoren
Misschien is ‘acceptatie’ ook een te bescheiden woord. Acceptatie kan afstandelijk klinken: ik heb er geen probleem mee dat jij bestaat. Maar wie wil er slechts gedoogd worden?
Inclusie begint waar mensen niet hoeven te bewijzen dat zij erbij mogen horen. Waar een jongen niet eerst hoeft uit te leggen waarom hij van een jongen houdt. Waar een meisje niet wordt teruggebracht tot haar uiterlijk. Waar een non-binaire jongere niet telkens opnieuw de eigen identiteit hoeft te verdedigen. Waar een kind met een beperking, een andere religieuze achtergrond, een armer gezin of een andere huidskleur niet wordt gezien als afwijking van de norm, maar als onderdeel van de werkelijkheid die wij samen zijn.
Dat vraagt om een verschuiving van tolereren naar behoren.
Niet: “Wij laten jou ook toe.” Maar: “Jij hoort hier. Zoals je bent.”
Dat is geen zachte boodschap. Het is een sociale norm. Een norm die we moeten uitspreken, voorleven en beschermen. Juist wanneer dat ongemakkelijk is. Juist wanneer ouders, collega’s, bestuurders of volgers op sociale media vragen of het niet allemaal wat minder kan.
Want minder zichtbaarheid is zelden minder uitsluiting. Meestal betekent het dat uitsluiting weer gemakkelijker onzichtbaar wordt.
De opdracht is dichtbij
De grote woorden zijn snel gevonden: democratie, vrijheid, rechtsstaat, emancipatie. Maar de opdracht begint dichtbij. In de klas. In de wijk. In de sportkantine. Aan de keukentafel. Bij de balie van het wijkteam. In de jongerenruimte. In de gemeenteraad.
Voor scholen betekent dit: maak sociale veiligheid zichtbaar, concreet en consequent. Niet alleen met regels, maar met handelingsvaardige docenten, inclusief lesmateriaal, een stevig antipestbeleid en ruimte voor bijvoorbeeld een Gender and Sexuality Alliance (GSA). Zulke groepen kunnen jongeren steun, informatie, invloed op beleid en een gevoel van thuis bieden.
Voor gemeenten betekent dit: behandel inclusie niet als een communicatiethema, maar als een publieke opdracht. Verbind jeugdbeleid, onderwijs, welzijn, sport, veiligheid en de sociale basis. Zorg dat lokale organisaties die werken aan ontmoeting, weerbaarheid en veilige plekken niet ieder jaar opnieuw om hun bestaansrecht hoeven te vechten.
Voor professionals betekent dit: wees niet neutraal waar iemand wordt gekleineerd. Vraag, luister, leer en spreek aan. Niet omdat je alle woorden altijd meteen goed moet kennen, maar omdat je bereid bent verantwoordelijkheid te nemen voor een omgeving waarin niemand kleiner gemaakt wordt.
En voor ons allemaal betekent het: wees de volwassene die een jongere niet vergeet.
De jongere die stilvalt als het gesprek over liefde gaat. De jongere die lacht om een nare grap omdat tegenspreken te veel kost. De jongere die nog niet weet welke woorden passen. De jongere die vooral wil weten of er plek is.
Die plek maken we niet met een slogan. We maken haar in duizend kleine, gewone handelingen. Door te zeggen: hier hoef jij niet te passen in mijn beeld. Hier mag jij mens zijn.
Want dat is uiteindelijk waar inclusie over gaat: niet over het verdragen van verschil, maar over het beschermen van ieders recht om er volledig te zijn.
Wat nu te doen
- Scholen: spreek consequent elke vorm van uitsluiting, pesten en discriminerend taalgebruik aan; maak sociale veiligheid een dagelijkse opdracht van het hele team, niet alleen van één bevlogen docent.
- Gemeenten: borg inclusie in jeugd-, onderwijs-, welzijns- en veiligheidsbeleid, inclusief financiering voor laagdrempelige ontmoetingsplekken en lokale lhbtiqa+-initiatieven.
- Jeugd- en welzijnsprofessionals: bied een luisterend oor zonder aannames, ken de lokale steunmogelijkheden en help jongeren waar nodig naar een veilige plek of vertrouwd persoon.
- Bestuurders en politici: wees zorgvuldig met woorden. Maak van de bestaansrechten van minderheden geen speelbal in het publieke debat.
- Ouders en omstanders: stel vragen, luister zonder direct te corrigeren en laat merken dat thuis en in de omgeving geen voorwaarde geldt om geliefd en welkom te zijn.