
Een oproep om voortaan te spreken over ‘relationeel geweld’ raakt een gevoelige snaar. Terecht vraagt zij aandacht voor slachtoffers die buiten beeld blijven en voor geweld dat te gemakkelijk wordt aangezien voor een conflict. Maar helpt het om bestaande begrippen af te wijzen? Of moeten we vooral nauwkeuriger leren zien wat zich achter die woorden afspeelt?
Er klinkt urgentie in de oproep van STRGIO. Hulpverleners, politie, justitie en andere professionals wordt gevraagd te stoppen met termen als ‘huiselijk geweld’, ‘partnergeweld’ en ‘dwingende controle’. Die zouden de blik vernauwen, slachtoffers tekortdoen en daders in de kaart spelen. Het voorgestelde alternatief is ‘relationeel geweld’: een begrip dat ook slachtoffers in het bredere netwerk van de pleger zichtbaar moet maken.
Die oproep verdient een serieus gesprek. Niet omdat alle beweringen overtuigen, maar omdat er een belangrijke vraag onder ligt: zien we werkelijk wat slachtoffers meemaken, of zien we vooral wat binnen onze professionele categorieën past?
Juist daarom moeten we zorgvuldig zijn. Met onze woorden, maar ook met de conclusies die we eraan verbinden.
De terechte zorg achter de oproep
Het sterkste punt van de oproep is het verzet tegen een te beperkte blik. De auteur vraagt aandacht voor kinderen die niet slechts omstanders zijn en voor andere mensen in het netwerk van een pleger. Ook waarschuwt de tekst voor een benadering waarin structureel geweld wordt teruggebracht tot een verhaal van twee mensen die elkaar tegenspreken.
Dat is een wezenlijke inzet. Wie alleen vraagt wat er tijdens één incident gebeurde, stelt een andere vraag dan wie onderzoekt hoe iemand langdurig wordt geïsoleerd, geïntimideerd of afhankelijk gemaakt.
Maar precies daar ontstaat ook een merkwaardige tegenstelling. Het begrip ‘coercive control ‘ is juist bedoeld om zulke samenhangende patronen van overheersing te beschrijven. De door de oproep aangehaalde literatuurreview van Beckwith en collega’s bespreekt onder meer isolatie, intimidatie, financieel misbruik, surveillance en misbruik van systemen. Het gaat niet alleen om losse handelingen, maar om hun gezamenlijke uitwerking op de vrijheid van het slachtoffer.
De zorg van de oproep en de bedoeling van het bekritiseerde begrip liggen daarmee dichter bij elkaar dan de tekst doet vermoeden.
Een woord is nog geen werkwijze
De oproep legt een groot deel van het probleem bij de terminologie. Daar zit een begrijpelijke gedachte achter: woorden richten onze aandacht. Maar een begrip en de manier waarop professionals het toepassen zijn niet hetzelfde.
‘Huiselijk geweld’ betekent in de Nederlandse overheidsdefinitie bijvoorbeeld niet uitsluitend geweld tussen partners of geweld dat binnenshuis plaatsvindt. Het betreft geweld door iemand uit de huiselijke kring. Daaronder vallen ook familieleden en huisvrienden; kindermishandeling en ouderenmishandeling worden expliciet genoemd.
Dat garandeert natuurlijk niet dat iedereen die brede blik ook daadwerkelijk hanteert. Het maakt wel verschil voor de diagnose van het probleem. Is de definitie te smal, of wordt een brede definitie in de praktijk te smal gebruikt?
Een nieuw woord kan een gesprek openen. Het is nog geen garantie dat iemand vervolgens anders luistert, doorvraagt of handelt.
Zorgvuldigheid begint ook bij de vertaling
Een concrete bewering in de oproep vraagt om correctie. ‘Dwingende controle’ zou een verkeerde vertaling zijn van ‘coercive control’. Het Engels zou eigenlijk verwijzen naar ‘dwangmatige controle’, alsof de pleger zijn gedrag niet kan stoppen.
Dat is niet de betekenis van ‘coercive’. Het woord verwijst naar het uitoefenen van dwang op een ander. ‘Coercive control’ gaat over controle door dreiging, druk of het veroorzaken van angst, niet over een innerlijke dwang waaraan de pleger zelf onderworpen is.
Dat onderscheid is inhoudelijk belangrijk. Het ene beschrijft wat iemand een ander aandoet. Het andere suggereert iets over het onvermogen van de pleger om zichzelf te beheersen. Wie verantwoordelijkheid scherp wil benoemen, moet die betekenissen niet verwisselen.
Wat de bronnen wel – en niet – zeggen
Ook de wetenschappelijke onderbouwing verdient een nauwkeuriger lezing.
Courtney K. Cross waarschuwt inderdaad dat strafwetten tegen coercive control door gewelddadige partners tegen slachtoffers kunnen worden gebruikt. Dat is een ernstige waarschuwing. Maar haar kritiek betreft de mogelijkheden en beperkingen van het strafrecht. Zij erkent juist het belang van het herkennen van overheersing, financiële controle, isolatie en surveillance.
Kritiek op strafbaarstelling is dus niet hetzelfde als kritiek op het begrip.
De eveneens aangehaalde verklaring van SafeLives verwelkomt wettelijke erkenning van coercive control juist. De organisatie benadrukt daarnaast dat training, middelen en goede uitvoering noodzakelijk zijn. Die bron ondersteunt geen afscheid van de term, maar een zorgvuldige toepassing ervan.
En de literatuurreview van Beckwith en collega’s constateert weliswaar verschillen in definities, maar beschrijft ook gemeenschappelijke kenmerken van het verschijnsel. Dat is aanleiding voor precisie, niet vanzelfsprekend voor vervanging.
Het probleem is daarmee niet dat de oproep bronnen noemt die niets te zeggen hebben. Het probleem is dat er een verdergaande conclusie uit wordt getrokken dan die bronnen dragen.
Een brede paraplu, met ruimte voor verschillen
‘Relationeel geweld’ kan een bruikbaar overkoepelend begrip zijn. Het kan uitnodigen om verder te kijken dan één huishouden of één partnerrelatie. Maar waarom zou die verbreding vereisen dat andere begrippen verdwijnen?
De termen beantwoorden immers verschillende vragen. Partnergeweld benoemt de relatie tussen betrokkenen. Fysiek, seksueel en economisch geweld benoemen vormen van gedrag. Dwingende controle beschrijft een patroon waarin gedragingen gezamenlijk bijdragen aan overheersing en vrijheidsbeperking. Die beschrijvingen kunnen naast elkaar bestaan.
Een brede paraplu is nuttig zolang zij de verschillen eronder niet onzichtbaar maakt.
Ook ‘relationeel’ vraagt om uitleg. Het kan verwijzen naar de context waarin geweld plaatsvindt. Het mag niet worden gelezen als een suggestie dat de verantwoordelijkheid daarom bij ‘de relatie’ ligt. De relevante vraag blijft: wie doet wat, tegen wie, met welke gevolgen en binnen welke machtsverhouding?
Van een taalstrijd naar een gezamenlijke opdracht
De stellige toon van de oproep is begrijpelijk als uiting van urgentie. Toch maakt de boodschap dat professionals met bestaande termen hun onbegrip tonen, het gesprek onnodig moeilijk. Je kunt de ervaringen en zorgen achter de oproep erkennen zonder iedere conclusie over taal of wetenschap te onderschrijven.
Een vruchtbaarder vertrekpunt is ‘precisie’.
Niet alleen vragen welk etiket past, maar onderzoeken welk gedrag plaatsvindt. Niet alleen incidenten registreren, maar nagaan of zij een patroon vormen. Niet alleen naar partners kijken, maar ook naar kinderen en andere betrokkenen. En niet aannemen dat wettelijke erkenning vanzelf bescherming oplevert.
Daar kunnen de oproep en de bekritiseerde literatuur elkaar juist vinden.
Misschien is de belangrijkste vraag daarom niet welk woord alle andere woorden moet vervangen. De belangrijkste vraag is of onze taal ons helpt om scherper te zien – en of we bereid zijn ons handelen aan te passen wanneer dat scherpere beeld daarom vraagt.