
Over FACT, bemoeizorg en de noodzaak van ononderbroken verantwoordelijkheid in wonen, zorg en veiligheid.
De notitie Blijvend nabij van de Nederlandse ggz raakt een pijnlijke werkelijkheid: te veel mensen met een ernstige psychische aandoening raken uit beeld op de momenten waarop zij juist het meest kwetsbaar zijn. Bij ontslag uit een kliniek, bij uitstroom uit beschermd wonen, na detentie, bij woningverlies of wanneer een crisis dreigt, blijkt de hulp vaak niet mee te reizen.
De Nederlandse ggz doet in de notitie vijf samenhangende voorstellen voor een werkende keten van wonen, zorg en veiligheid. Dat is nodig en welkom. Het rapport maakt helder dat psychiatrische zorg niet los kan worden gezien van bestaanszekerheid, een passende woning, begeleiding, veiligheid en langdurige nabijheid. Ook de cijfers zijn confronterend: naar schatting zijn 62.500 mensen met een ernstige psychische aandoening onvoldoende in beeld bij de ggz. Tegelijk stokt de uitstroom uit beschermd wonen door een groot tekort aan passende woningen.
Maar deze analyse roept ook een vraag op die niet kan worden omzeild: lossen we versnippering op door opnieuw een voorziening, taak of overlegstructuur naast de bestaande infrastructuur te zetten?
In het bijzonder geldt dat voor het voorstel om bemoeizorg breed beschikbaar te maken en deze goed te laten aansluiten op FACT en ForFACT. Natuurlijk is actieve, vasthoudende zorg onmisbaar voor mensen die zelf geen hulp vragen of in een crisis dreigen te raken. Maar FACT was ooit juist bedoeld als een outreachende, flexibele en multidisciplinaire werkwijze rond mensen met ernstige psychische kwetsbaarheid. Als bemoeizorg en FACT vervolgens via “koppelafspraken” met elkaar verbonden moeten worden, dreigt de bekende systeemlogica opnieuw de overhand te krijgen: ieder heeft een eigen opdracht, eigen financiering en eigen toegang — en de inwoner moet de overgang ertussen zien te overleven.
Het essay “Blijvend nabij vraagt om meer dan een nieuwe schakel” bouwt voort op de notitie en stelt daarom een eenvoudige, maar veeleisende norm centraal: de ondersteuning mag veranderen van vorm, maar de verantwoordelijkheid voor de mens mag niet verdwijnen.
Dat betekent niet dat één organisatie alles moet doen. Psychiatrie, bemoeizorg, beschermd wonen, wijkteams, woningcorporaties, verslavingszorg, politie, reclassering en gemeenten hebben allemaal een eigen deskundigheid en taak. Maar er moet wel één herkenbare, doorlopende verantwoordelijkheid zijn: een vaste professional of een vast team dat niet afhaakt zodra een beschikking, behandeling, opname of financieringsstroom eindigt.
De echte toets is dan niet of er convenanten, koppelafspraken of warme overdrachten bestaan. De vraag is: heeft iemand na ontslag werkelijk een plek om te wonen? Is er binnen korte tijd contact? Is inkomen geregeld? Is begeleiding bereikbaar? En wie blijft verantwoordelijk als dat alles nog niet op orde is?
Wonen speelt daarin een sleutelrol. Een woning is voor veel mensen niet de beloning ná herstel, maar de voorwaarde óm herstel mogelijk te maken. Zonder woonzekerheid, bescherming tegen uitbuiting en voldoende nabijheid wordt zorg te gemakkelijk een tijdelijke onderbreking van een terugkerende crisis.
Het essay pleit daarom voor een beweging van ketensamenwerking naar borging: minder vertrouwen op losse schakels en tijdelijke projectlogica, meer gezamenlijke resultaatverantwoordelijkheid. Niemand zou zorg, beschermd wonen, forensische zorg of detentie mogen verlaten zonder reële vervolgzorg, onderdak en een partij die blijft totdat de landing daadwerkelijk is gelukt.