
Geen heilige graal, maar wel de noodzakelijke stap van markt naar mens
Bestuurlijke rust is nog geen maatschappelijke oplossing
Minister Sterk wil de wetten in het sociaal domein niet samenvoegen. Dat is begrijpelijk vanuit bestuurlijke rust, uitvoerbaarheid en de vrees voor nieuwe stelselonrust. Tegelijk blijft daarmee de kernvraag ongemoeid: lossen we met gescheiden wetten ook werkelijk de versnippering op waar inwoners en professionals dagelijks tegenaan lopen?
Volgens berichtgeving van Skipr blijven wetten en budgetten gescheiden, ook al wordt wel gezocht naar meer samenhang in de uitvoering.
Die keuze is bestuurlijk verdedigbaar, maar maatschappelijk onvoldoende. Want voor inwoners maakt het niet uit of hun vraag formeel onder de Jeugdwet, de Wmo, de Participatiewet of schuldhulpverlening valt. Mensen zoeken geen wettelijke route, maar een begrijpelijk, snel en samenhangend antwoord op een probleem dat vaak meerdere kanten tegelijk heeft.
Mensen leven niet in wettelijke hokjes
Wie in het sociaal domein werkt, weet dat problemen zich zelden netjes per wet aandienen. Een gezin komt niet binnen met een zuivere “jeugdhulpvraag”, maar met spanningen thuis, geldzorgen, overbelasting, psychische druk, schoolproblemen of dreigende uitval. Een oudere meldt zich niet alleen met een ondersteuningsvraag, maar vaak ook met eenzaamheid, gezondheidsproblemen, mantelzorgdruk of onzekerheid over inkomen en wonen.
Toch dwingt het huidige stelsel zulke vragen vaak eerst door afzonderlijke wettelijke filters. Dat betekent dat de overheid de samenhang in iemands leven administratief uit elkaar trekt, nog vóór er echt hulp is georganiseerd. Daarmee wordt de systeemwereld leidend gemaakt over de leefwereld, terwijl juist in het sociaal domein het omgekeerde nodig is.
Van markt naar mens vraagt om een ander vertrekpunt
Juist daarom is de beweging ‘van markt naar mens’ zo relevant. Op Verruim de Horizon wordt bepleit dat niet het probleem centraal moet staan, maar het leven; niet de voorziening, maar de relatie; niet het individu als los geval, maar het geheel waarvan iemand deel uitmaakt. De Sociale Bouwmarkt wil volgens diezelfde lijn een verbindende schakel zijn tussen inwoners, aanbieders en systemen en hulpvragen eenvoudiger en menselijker beantwoorden.
Achter die woorden schuilt een fundamentele kritiek op het huidige organiseren. Het sociaal domein is de afgelopen jaren te veel benaderd als een verzameling producten, voorzieningen, contracten en afrekenbare prestaties. Daardoor is er veel aandacht gegaan naar ordening, inkoop en afbakening, maar relatief weinig naar de vraag of het stelsel nog logisch voelt voor mensen die ermee te maken krijgen.
De huidige wetten stimuleren verkokering
Het pleidooi voor één wet voor het sociaal domein is dan ook geen romantisch idee, maar een reactie op een hardnekkig praktijkprobleem. Divosa stelde in 2024 dat de roep om een nabije overheid urgenter is dan ooit en koppelde daaraan expliciet het pleidooi voor één wet voor het sociaal domein. Dat is veelzeggend, omdat juist uitvoeringsorganisaties dagelijks ervaren hoe ingewikkeld het is om inwoners integraal te helpen binnen gescheiden wettelijke kaders.
De huidige wetten stimuleren domeinoverstijgend werken namelijk maar beperkt. Professionals moeten wel integraal kijken, maar worden nog steeds geconfronteerd met verschillende criteria, financieringsstromen, verantwoordingssystemen en bevoegdheden. Zo ontstaat een stelsel waarin samenwerking wordt gepreekt, maar verkokering structureel blijft ingebouwd.
Etikettengedrag is geen bijzaak, maar een systeemfout
Een van de schadelijke gevolgen daarvan is wat vaak etikettengedrag wordt genoemd. Dat betekent dat een hulpvraag het label krijgt dat nodig is om toegang, budget of bevoegdheid te regelen, in plaats van het label dat het best recht doet aan de samenhang van het probleem. Het systeem vraagt dan niet eerst: wat is hier nodig? Het vraagt eerder: onder welk regime kunnen we dit onderbrengen?
Dat lijkt misschien een technisch uitvoeringsvraagstuk, maar het raakt de kern van goed bestuur. Want zodra etiketten belangrijker worden dan levenssituaties, verschuift de aandacht van inhoud naar afbakening. Dan wordt een gezinsvraag gereduceerd tot een jeugdzorgvraag, een bestaansvraag tot een participatievraag, en een sociale crisis tot een optelsom van losse voorzieningen.
Integrale hulp vraagt om integrale wetgeving
Voorstanders van het huidige model zeggen vaak dat goede samenwerking belangrijker is dan nieuwe wetgeving. Daar zit een kern van waarheid in: zonder vakmanschap, vertrouwen en goede lokale samenwerking helpt geen enkele wet. Maar het omgekeerde is ook waar. Wanneer de structuur versnipperd blijft, moeten professionals de samenhang organiseren ondanks het stelsel, in plaats van dankzij het stelsel.
Dat zien we ook terug in nieuwe wetgeving rond meervoudige problematiek. Het wetsvoorstel Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein moet gemeenten juist helpen om bij mensen en gezinnen met meerdere problemen tot een gecoördineerde aanpak te komen en gegevens makkelijker uit te wisselen. Dat is nuttig en nodig, maar het bevestigt tegelijk dat de bestaande ordening onvoldoende aansluit op de werkelijkheid van inwoners.
Repareren is iets anders dan hervormen
Het probleem van reparatiewetgeving is dat zij verbinding probeert te maken tussen gescheiden systemen, terwijl de onderliggende verkokering overeind blijft. Dat helpt in de praktijk soms beslist vooruit, maar het blijft uiteindelijk sleutelen aan de verbindingen tussen afzonderlijke kamers. De vraag dringt zich dan op of het huis zelf nog wel logisch is ingericht.
Een goed debat over één wet voor het sociaal domein moet daarom niet blijven steken in de vraag of samenvoegen ingewikkeld is. Natuurlijk is dat zo. Maar hervormen is juist nodig wanneer de bestaande complexiteit zichzelf blijft reproduceren. Anders organiseren we telkens tijdelijke oplossingen voor structurele onlogica.
Eén wet is geen uniforme mal
Tegenstanders van samenvoeging vrezen soms dat één wet automatisch leidt tot centralisme of eenheidsworst. Die zorg moet serieus worden genomen, maar is niet doorslaggevend. Een samenhangend wettelijk kader hoeft niet te betekenen dat elke gemeente, elk huishouden en elke professional in precies dezelfde mal wordt geduwd.
De gedachte op Verruim de Horizon over de beweging “van mal naar bouwwerk” helpt hier. Een bouwwerk heeft dragende principes, richting en samenhang, maar laat tegelijk ruimte voor verschil, maatwerk en aanpassing. Precies zo zou een wet voor het sociaal domein eruit moeten zien: helder in de basis, mensgericht in de uitvoering en niet dichtgetimmerd vanuit wantrouwen.
Professionele ruimte vraagt om systeemruimte
In het debat over het sociaal domein valt vaak het begrip professionele ruimte. Daarmee wordt bedoeld dat professionals voldoende ruimte moeten hebben om op basis van hun vakmanschap en de concrete situatie afgewogen beslissingen te nemen. Maar professionele ruimte blijft kwetsbaar zolang de systeemruimte ontbreekt.
Je kunt van lokale teams niet verwachten dat zij integraal, relationeel en nabij werken, terwijl zij voortdurend terugvallen op gescheiden wetten, verschillende verantwoordingslijnen en sectorale budgetten. Dan wordt “ruimte” al snel een vorm van improviseren onder hoge druk. Een overheid die de menselijke maat serieus neemt, moet ook de institutionele voorwaarden scheppen om menselijk te kunnen handelen.
De echte vraag is: durven we kiezen voor één sociaal domein?
Daarom is de fundamentele vraag niet alleen óf wetten formeel moeten worden samengevoegd. De echte vraag is of politiek en bestuur durven te kiezen voor één sociaal domein als inhoudelijk uitgangspunt. Durven we ondersteuning, participatie, opvoeden, bestaanszekerheid, schulden en sociale redzaamheid niet langer te behandelen als losse beleidskokers, maar als verbonden onderdelen van een menswaardig bestaan?
Zolang dat antwoord ontwijkend blijft, blijft integraal werken vooral een opdracht aan de uitvoering. Dan vragen we van professionals wat het stelsel zelf nog niet aandurft. Dat is niet redelijk, en op termijn ook niet houdbaar.
Van schotten beheren naar samenhang organiseren
De beweging van markt naar mens maakt duidelijk dat het hier om meer gaat dan wetstechniek. Het gaat om een andere manier van kijken naar publieke verantwoordelijkheid. Minder nadruk op transacties, losse voorzieningen en bestuurlijke afbakening; meer nadruk op relaties, nabijheid, begrijpelijkheid en publieke eenvoud.
Precies daarom past een wet voor het sociaal domein in een bredere heroriëntatie van de overheid. Niet omdat wetten op zichzelf warm of menselijk zijn, maar omdat zij de spelregels bepalen waarbinnen menselijkheid mogelijk wordt gemaakt of juist wordt belemmerd. Als de overheid echt wil dat inwoners één samenhangende benadering ervaren, dan moet zij ophouden een versnipperd systeem als vanzelfsprekend te behandelen.
Geen heilige graal, wel een noodzakelijke richting
Eerlijk is eerlijk: één wet voor het sociaal domein lost niet alles op. Zij neemt personeelstekorten niet weg, maakt schaarste niet ongedaan en garandeert ook niet automatisch betere hulp. Ook een nieuw wettelijk kader kan bureaucratisch uitpakken als de onderliggende bestuurscultuur niet verandert.
Maar dat alles maakt het idee niet minder relevant. Juist omdat één wet geen tovertruc is, moet zij worden gezien als een richtinggevende keuze: weg van schotten, weg van etiketten, weg van een marktlogica die hulp in stukken knipt, en op weg naar een sociaal domein waarin de leefwereld van inwoners weer het beginpunt wordt. In die zin is één wet misschien niet de heilige graal, maar wel een noodzakelijke stap van markt naar mens.