
Wat ‘Good Boy’ ons laat zien
Er zijn films die je kijkt en weer vergeet, en er zijn films die als een splinter onder je huid blijven zitten. ‘Good Boy’, de nieuwe thriller van Jan Komasa, hoort bij die laatste categorie. Niet alleen omdat hij spannend is, maar omdat hij pijnlijk dicht langs het sociaal domein schuurt.
Een negentienjarige hooligan, Tommy, leeft van drugs, feesten en geweld. Hij wordt ontvoerd na een nacht die uit de hand loopt en wordt wakker in de kelder van een afgelegen huis. Daar wacht geen afkickkliniek, geen jeugdreclassering, geen zorgcoördinator. Daar wacht Chris, zijn vrouw Kathryn en hun jonge zoon Jonathan – vastbesloten om Tommy te “hervormen”. Tot hij breekt. Of ontsnapt.
En precies daar, in die kelder, ligt een ongemakkelijke spiegel voor ons werkveld.
De verleiding van de kelder
De kelder in ‘Good Boy’ is op het eerste gezicht een extreme fantasie: een vader die besluit het zelf maar te doen, omdat “het systeem” heeft gefaald. Geen zachte trajecten, geen wachtlijsten, geen rapportages. Gewoon: ketenen, klassieke muziek, morele lessen, geconcentreerde schaamte. Een particuliere heropvoedingsinrichting met een betonnen vloer.
Maar als je de shockstrip van het genre afpelt, blijft er iets over dat helaas herkenbaarder is dan we willen toegeven: de verleiding om jongeren niet langer als burgers met rechten te zien, maar als te corrigeren objecten. Als projecten. Als risico’s die je moet neutraliseren, liefst voorgoed.
De kelder is dan geen fysieke ruimte meer, maar een metafoor. Voor plekken in het sociaal domein waar de buitenwereld nauwelijks komt, waar de verhoudingen scheef zijn en waar “het is voor je eigen bestwil” het sluitstuk van elk gesprek wordt.
“Voor zijn eigen bestwil”
Chris in ‘Good Boy’ is geen karikaturale schurk in leren jas. Hij is rationeel, ogenschijnlijk welbespraakt, overtuigd van zijn morele gelijk. Hij ziet een jongen die uit de bocht vliegt, en besluit wat velen in talkshows hardop denken: nu is het afgelopen. Iemand moet grenzen stellen.
Die redenering kennen we. In beleidstaal klinkt het subtieler:
- “We moeten strenger durven zijn.”
- “We laten jongeren nu te lang zwemmen.”
- “Zonder stevige kaders verandert er niets.”
Op zichzelf is daar niets mis mee. Grenzen zijn nodig. Maar ‘Good Boy’ legt een nare vraag op tafel: wanneer wordt grenzen stellen een alibi voor machtsuitoefening? Wanneer verandert “voor zijn eigen bestwil” in “voor mijn gemoedsrust”?
In de kelder van Chris is er geen onafhankelijke toets, geen klachtenprocedure, geen advocaat, geen vertrouwenspersoon. Hij is tegelijk aanklager, rechter, behandelaar en bewaker. Dat is precies wat een rechtstaat probeert te voorkomen – en wat in de praktijk van het sociaal domein toch soms door de kiertjes sijpelt.
De onzichtbare ruimtes van ons werk
Elke sector heeft zijn kelders. Ruimtes waar cliënten niet zomaar weg kunnen, waar dossiers meer spreken dan mensen, waar de buitenwereld niet spontaan binnenloopt. Denk aan:
- Gesloten jeugdhulp en besloten behandelgroepen.
- Beschermd wonen-locaties waar “veiligheid” automatisch zwaarder weegt dan zeggenschap.
- Kamertjes waar gesprekken plaatsvinden over verlengen, opschalen, overplaatsen – zonder dat de jongere zelf aanwezig is.
Formeel is alles geregeld. Er zijn wettelijke kaders, inspecties, protocollen. In theorie is de kelder altijd tijdelijk, altijd proportioneel, altijd gericht op terugkeer naar buiten.
Maar ‘Good Boy’ schuift een ongemakkelijke gedachte naar voren: hoe klein is de stap van “tijdelijk beschermen” naar “onbepaalde tijd vasthouden totdat jij vindt dat iemand genoeg veranderd is”? En hoe vaak durven we het onszelf eerlijk af te vragen?
De jongere als bestand
Tommy wordt in de film systematisch geconfronteerd met zijn eigen gedrag. Videobeelden van geweld, verkeersgevaarlijk gedrag, vernederingen van anderen. Informatie, bewijs, data. Hij mag kijken. Maar niet terugpraten.
Dat is de logica van veel systemen in het sociaal domein:
- Incidenten en vergrijpen worden zorgvuldig vastgelegd en gewogen.
- Risicotaxaties en scores bepalen toegang, zwaarte en duur van trajecten.
- De jongere staat in het dossier vooral als optelsom van wat misging.
In ‘Good Boy’ wordt dat onbarmhartig uitvergroot. De “behandeling” bestaat uit een eindeloze herhaling van de boodschap: jij bent gevaarlijk, jij bent fout, jij moet anders worden. Er is geen ruimte voor context, geen vraag naar geschiedenis, geen erkenning van verlies, trauma of armoede.
De kelder van het sociaal domein is de plek waar een mens gereduceerd wordt tot risico-profiel. Waar het verhaal achter het gedrag niet langer relevant lijkt, omdat de urgentie van beheersing alles overstemt.
De familie als miniatuur van de staat
Interessant aan ‘Good Boy’ is dat Komasa geen instelling kiest, maar een gezin. De kleinste maatschappelijke eenheid, ooit bedoeld als bron van veiligheid. De familie van Chris staat model voor een beschermend systeem dat zo graag wil beschermen, dat het gaat bezitten.
In het sociaal domein zien we dezelfde spanning:
- De staat die zegt te beschermen, maar ondertussen diep de haarvaten van gezinnen binnendringt.
- Instellingen die veiligheid bieden, maar bestaande kwetsbaarheden soms juist verankeren.
- Professionals die oprecht willen helpen, maar ook sturen, controleren en corrigeren.
De familie in de film is tegelijk huis en inrichting, thuis en detentie. Dat maakt ‘Good Boy’ zo ongemakkelijk herkenbaar: het laat zien hoe dun de lijn is tussen zorg en dwang, tussen nabijheid en opsluiting, tussen begeleiding en beheersing.
Wie heeft de sleutel?
De kernvraag die de film uiteindelijk stelt, is confronterend in haar eenvoud: wie heeft de sleutel van de kelder, en wie controleert diegene?
In het sociaal domein kun je die vraag vertalen naar concrete praktijken:
- Wie beslist over gesloten plaatsing of vrijheidsbeperking – en op basis van welke informatie?
- Hoe vaak laten we jongeren zelf aan het woord in overleggen waarin over hen besloten wordt?
- Welke ruimtes in ons werk blijven voor ouders, jongeren, raadsleden, pers en burgers feitelijk onzichtbaar?
Misschien is de meest ongemakkelijke versie van die vraag: in hoeverre zijn we als sector zó gewend geraakt aan bepaalde vormen van insluiting dat we ze niet meer als “kelder” herkennen, maar als normaal instrument?
Van film naar zelfonderzoek
‘Good Boy’ is geen beleidsfilm, geen pamflet, geen genuanceerde documentaire over het jeugdstelsel. Het is een thriller. Het overdrijft, het stapelt, het sluit je op in een benauwde fictieve wereld.
Maar juist daardoor biedt de film iets wat beleidsnota’s zelden leveren: lichamelijk ongemak. Je voelt de machteloosheid, de vernedering, de claustrofobie. Je kan wegkijken, maar niet echt ontsnappen.
Dat is precies het startpunt voor eerlijk zelfonderzoek. Niet vanuit schuld en schaamte, maar vanuit de moed om te vragen:
- Waar lijken wij meer op Chris dan ons lief is?
- Welke routines, gebouwen, regels of overtuigingen functioneren als onze kelder?
- En wat betekent “beschermen” als we erkennen dat wijzelf óók een bron van gevaar kunnen zijn?
Een uitnodiging om af te dalen
De kelder van het sociaal domein is geen fysieke plek, maar een verzameling praktijken, overtuigingen en blinde vlekken. ‘Good Boy’ vraagt ons niet om die kelder dicht te metselen, maar om er met elkaar bewust in af te dalen. Met het licht aan. Met anderen erbij. Met vragen in plaats van antwoorden.
Want zolang we doen alsof die kelder niet bestaat, laten we de macht over aan degene die het hardst roept dat hij het beste met de ander voorheeft. En als deze film iets duidelijk maakt, dan is het dat juist dát het moment is waarop we extra argwanend zouden moeten worden.
Misschien is dat wel de spannendste beweging die het sociaal domein kan maken: niet nóg een programma, nóg een maatregel, nóg een strengere aanpak. Maar de bereidheid om onze eigen kelders onder ogen te zien – en samen te besluiten welke deuren daar echt nog op slot mogen blijven.