
Minder markt, meer mens: tijd voor een ruggengraat in de jeugdzorg
De roep om minder markt en meer mens in de jeugdzorg wordt steeds luider. Ahmed Aboutaleb, sinds vorig jaar voorzitter van Jeugdzorg Nederland, verwoordde het onlangs scherp bij WNL Op Zondag: er is een wildgroei aan zorgaanbieders ontstaan, organisaties halen de krenten uit de pap en de jeugdzorg is nooit zo geprivatiseerd bedoeld. Tegelijkertijd groeit in het veld en in analyses het besef dat we niet nog een ronde moeten doen met kleine reparaties, maar het stelsel zelf anders moeten ordenen: minder markt, minder aanbesteding, meer publieke sturing – en een stevig georganiseerde basis waarvan specialistische jeugdhulp een ondersteunende schil is, geen centrum van het universum.
De wildgroei is geen toeval
De huidige situatie is geen natuurverschijnsel. We hébben de jeugdzorg ingericht als markt, met aanbestedingen, concurrentie en korte contracten. Dat lokt aanbieders uit die slim inspelen op wat rendeert: lichte trajecten, korte interventies, goede marketing, “productieklaar” aanbod. Het lokt géén verantwoordelijkheid uit voor de moeilijke kinderen, de lange adem en de lokale infrastructuur die nodig is om gezinnen echt vast te houden.
Gemeenten zitten ondertussen klem. Elk jaar opnieuw onderhandelen over tarieven, volumes en voorwaarden. Een jungle aan contracten, formats, accountantsverklaringen en verantwoordingslast. Professionals verdwalen in het inkooplandschap en ouders in het aanbod. De wildgroei – naar schatting 8.000 tot 12.000 aanbieders – is daarmee geen incident, maar een logisch gevolg van het systeem dat we zelf hebben gebouwd.
Eerst een stevige basis, dan specialistische schillen
Eén landelijk dekkend landschap van specialistische jeugdhulp kan zinvol zijn, maar alleen als het rust op een stevige, relationele basis in wijken, dorpen en scholen. In die basis zijn sociaal werk, welzijnswerk, vrijwilligersinitiatieven en bewonerscollectieven de as: mensen en structuren die kinderen en gezinnen kennen, nabij zijn en niet verdwijnen als een contract afloopt.
Specialistische jeugdhulp is in dat beeld niet de kern, maar facilitair. Zoals streekziekenhuizen aanvullend zijn op de huisarts, en universitaire klinieken weer aanvullend op de streekziekenhuizen, zo hoort specialistische jeugdhulp aanvullend te zijn op een sterke sociale basis, niet andersom. Een stelsel dat begint bij huisartsen, wijkteams, scholen, buurthuizen en jeugdvoorzieningen, en pas daarboven een landelijke, specialistische laag organiseert, bouwt ruggengraat in plaats van reuzen op drijfzand.
In eerdere beschouwingen op Verruimdehorizon.com heb ik die ruggengraat uitgetekend: geen reuzeninstituten, maar een robuuste basisinfrastructuur die niet bij elk begrotingsgat of aanbestedingsronde omwaait, en waarbij publieke regie richtinggevend is in plaats van marktlogica.
Minder markt, meer horizon
In veel analyses verschijnt zo een ander beeld aan de horizon. Niet 8.000 tot 12.000 aanbieders, maar een beperkt, landelijk dekkend netwerk met stevige publieke regie. Niet eindeloze aanbestedingsrondes, maar langjarige relaties met partijen die samen verantwoordelijkheid dragen voor álle kinderen in een regio, inclusief de complexe casuïstiek en de “niet-rendabele” trajecten.
Dat beeld kent een paar vaste lijnen:
- Zet de maatschappelijke opdracht boven marktlogica: publieke dienstverlening eerst, niet concurrentie.
- Verklein het aantal aanbieders en versterk de basis: wijkteams, onderwijs, preventie en een toegankelijke sociale infrastructuur, met specialistische jeugdzorg waar het echt nodig is.
- Werk met langjarige, voorspelbare afspraken in plaats van korte contractcycli, zodat aanbieders en gemeenten kunnen investeren in kwaliteit, opleiding en samenwerking.
- Organiseer schaal waar nodig (landelijk of regionaal voor specialistische functies), maar houd relaties, zeggenschap en besluitvorming zo lokaal mogelijk in de sociale basis.
Het interview van Aboutaleb geeft daar taal aan in de publieke arena. Mijn persoonlijke beschouwingen op Verruimdehorizon.com voegen er denklijnen, historie en ontwerpprincipes aan toe. Samen vormen ze geen losse flarden, maar een consistent verhaal: het is tijd om afscheid te nemen van de jeugdzorg als markt en toe te werken naar een publiek georganiseerde basis met een goed geordend, landelijk dekkend specialistisch landschap daarboven.
Europa beweegt – laten wij dat ook doen
Op Europees niveau ligt er een belangrijke kans. In de evaluatie van de aanbestedingsrichtlijnen klinkt al langer de vraag of het verstandig is om sociale diensten, Wmo en jeugdzorg onder exact hetzelfde aanbestedingsregime te laten vallen als wegenbouw en IT. Die twijfel is niet nieuw – ook in Nederland is eerder uitgesproken dat Europese aanbestedingsregels goede inkoop van zorg kunnen belemmeren, en dat het beter is om Jeugdwet- en Wmo-diensten buiten de reikwijdte van de richtlijn te brengen.
Precies dáár ligt nu een momentum. Als we de stelselvraag serieus nemen – minder markt, meer mens – dan hoort daar ook een heldere positie bij richting Europa: zorg en ondersteuning zijn publieke kernopgaven, geen gewone marktproducten. Dat vraagt om meer ruimte voor publieke organisatievormen, samenwerking en langjarige afspraken, zonder telkens het wapen van de aanbesteding te hoeven trekken, en met expliciete erkenning dat continuïteit van de basisinfrastructuur net zo belangrijk is als scherpe tarieven.
Overheden, laat deze kans niet voorbijgaan
Dan komt de vraag: wie pakt die ruimte? Wie vertelt, namens gemeenten, het verhaal dat we in talkshows, rapporten en lokale praktijken al zien ontstaan?
Juist hier hebben Kabinet, Twee Kamer en VNG een sleutelrol. De VNG als koepel die de dagelijkse knelpunten van gemeenten als geen ander kent, de politieke taal kan spreken richting kabinet en Kamer en de stem van Nederland als decentrale overheid kan laten horen in Brussel. In recente publicaties onderstreept de VNG al dat scherpe keuzes nodig zijn om de groei van individuele jeugdhulp te keren en dat overformalisering van de pedagogische en sociale basis de transformatie kan remmen.
Toch is het nog opvallend stil als het gaat om een uitgesproken, principiële koers voor minder markt in de jeugdzorg. Er zijn natuurlijk trajecten, commissies, werkgroepen en overleggen. Maar wat ontbreekt, is een helder, publiek kompas: een duidelijke boodschap dat gemeenten een ander stelsel willen – met een sterke sociale basis en een soberder, publiek gereguleerd specialistisch landschap – en dat de Europese aanbestedingslogica daar niet langer leidend in kan zijn.
Mijn oproep aan de het Kabinet, de Tweede Kamer en VNG is daarom deze: laat deze kans niet voorbijgaan. Gebruik het momentum dat nu ontstaat door de woorden van de voorzitter van Jeugdzorg Nederland, door rapporten van inspecties en rekenkamers, door analyses uit de praktijk en door de evaluatie van de Europese aanbestedingsrichtlijnen. Formuleer met en voor gemeenten een duidelijke stelling:
- Dat jeugdzorg en Wmo geen klassieke marktproducten zijn;
- Dat gemeenten ruimte nodig hebben om zorg en ondersteuning publiek en relationeel te organiseren, in plaats van via terugkerende aanbestedingsrondes;
- Dat de Europese regels die ruimte moeten ondersteunen, niet blokkeren;
- En dat een stevig georganiseerde sociale basis voorwaarde is voor een goed functionerend, landelijk dekkend veld van specialistische jeugdhulp.
Maak daar geen technische voetnoot van in een position paper, maar een gedragen politieke boodschap. Nodig gemeenten, professionals, aanbieders en ervaringsdeskundigen uit om mee te schrijven aan dat verhaal. Zo wordt “minder markt, meer mens” geen losse kreet, maar een gezamenlijke routekaart voor een stelsel met ruggengraat.
Van praatprogramma naar praktijk
De kracht van een talkshowmoment is dat het taal geeft aan wat velen al voelen. De zwakte is dat het snel weer wegebt als we het niet verbinden aan keuzes, structuren en afspraken. Precies dat is nu nodig.
Laat lokale en regionale coalities het verhaal vertalen in concrete afspraken: minder aanbieders, meer langjarige relaties, duidelijke rol voor onderwijs, sociaal werk en preventie, en een goed geordende specialistische schil die aanvullend is op de basis. Laat de overheid dit samen met de VNG optillen naar landelijk en Europees niveau: ruimte in wetgeving en aanbestedingsregime, zodat gemeenten kunnen doen wat nu nodig is en niet langer gevangen zitten in een inkooplogica die samenwerking en continuïteit belemmert.
En laten we als veld ophouden te doen alsof we “nu eenmaal moeten aanbesteden”. Juridische kaders zijn geen natuurwetten, maar het resultaat van politieke keuzes – en dus ook weer te herzien. De horizon voor de jeugdzorg ligt niet in nóg een ronde inkoopoptimalisatie, maar in het eerlijk durven zeggen: dit is publieke zorg, voor publieke doelen, met publieke verantwoordelijkheid. Minder markt. Meer mens. En daarbovenop: één landelijk dekkend landschap van specialistische jeugdhulp dat die publieke basis ondersteunt, in plaats van haar overvleugelt.
Ben van mening dat je hier de spijker op de kop slaat.