Waarom incidentenpolitiek niet werkt

 

  • Gepubliceerd 23 april 2012 | MT | Podium | P.P.J. Doodkorte

Geen incidentenpolitiek bedrijven, maar de burger gewoon serieus nemen. Politici en bestuurders moeten niet op elk incident springen en er wetgeving over willen maken, concludeert de Ombudsman, Alex Brenninkmeijer, in zijn jaarverslag 2011. Tegelijkertijd moeten overheden meer doen om het vertrouwen van burgers te wekken. Zie daar de spagaat waarin de overheden al snel kunnen verkeren, aldus Podiumauteur P.P.J. Doodkorte.

Jaap Smit, directeur van Slachtofferhulp Nederland, was in 2010 in het nieuws met de uitspraak dat grote incidenten te snel als ‘ramp’ werden betiteld. Hij gaf als voorbeeld de vliegtuigcrash van Turkish Airlines van het jaar daarvoor. Smit vond het ongeluk daar niet zwaar genoeg voor. Het was verrassend om deze woorden te horen uit de mond van iemand wiens werk bestaat uit verdediging van slachtofferbelangen, maar gelijk heeft hij natuurlijk wel. Bij het vliegongeluk kwamen negen mensen om. Dat is afschuwelijk, zoals elke verkeersdode er een te veel is, maar in het verkeer vallen jaarlijks 750 doden en die groep krijgt niet 75 keer zo veel herdenkingsaandacht.
Incidentenpolitiek

Met incidenten is het wel vaker de vraag wat een gepaste reactie is. Moet je berusten en overgaan tot de orde van de dag omdat shit happens, of moeten er maatregelen komen? Tegen gewapende roofovervallen en rondvliegende kogels van drugscriminelen staan toevallige burgers weerloos, terwijl je met enige oplettendheid er wel voor kunt zorgen zelf niet in een levenverziekende relatie terecht te komen.

Bij ieder incident in Nederland waarbij dodelijke slachtoffers en ernstige gewonden vallen, staat de politiek op zijn achterste benen. Bewindslieden worden naar de kamer geroepen, schuldigen worden aangewezen. Er verschijnen dikke rapporten en er volgt een diaree aan maatregelen om de (vermeende) wantoestand te bestrijden. “Het moet niet gekker worden,” houd ik mijn gehoor voor. Van de overheid mogen we, nee moeten we iets anders verwachten. Van de overheid mogen we vragen om het grotere geheel te blijven zien. Van de overheid moeten we vragen of ze beleid wil uitzetten dat verder gaat dan incidentenpolitiek, hoe ingrijpend incidenten ook in de samenleving kunnen zijn.

De theorie dat toeval niet bestaat, met andere woorden dat alle gebeurtenissen van tevoren volledig bepaald en dus volledig voorspelbaar zijn (het determinisme, het beroemdst geformuleerd door Laplace), kent een toenemende schare volgelingen. Hierdoor is het incident een containerbegrip geworden voor alles wat er mis gaat. Maar – bijvoorbeeld – de moord op een drie-en-tachtig jarige plaatsgenoot op Paasmaandag van dit jaar noem ik geen incident. Dat noem ik een willens en wetens gemaakte misser c.q fout door een individu.

Eigen kracht denken
Mensen die mij kennen, weten het. Ik ben een adept van het ‘eigen kracht denken’. Zonder daarbij uit het oog te verliezen, dat er (grote) uitzonderingen kunnen zijn. Mensen die mij daarop wijzen, houd ik dat ook voor. Ik wijs hen er dan op dat je voor de uitzondering geen stelsel moet bouwen. Zij vragen maatwerk. Zoals bijzondere gebeurtenissen in ons leven ons ook uit onze dagelijkse routine halen. Mijn geloof in de eigen kracht van mensen laat onverlet dat ook ik mijn angsten ken. Zo zie ik in een van de aanleidingen voor de transformatie van het sociaal domein – het incident – ook de grootste struikelsteen voor het succes ervan. Elke keer als ik mijn overtuiging met verve uitdraag, breng ik ook die struikelsteen – de incidentenpolitiek – te sprake.

In het licht van het duale stelsel staat de gemeenteraad en haar verantwoordelijkheid centraal. Door de kaderstellende opdracht aan de gemeenteraad zou verondersteld kunnen worden dat incidentenpolitiek zijn langste tijd heeft gehad. Een raad die haar opdracht serieus neemt laat immers steeds minder ruimte voor onvoorziene incidenten?

Door de hedendaags heersende – op noties van rede, maakbaarheid en vooruitgang gebaseerde – hang naar control, meetbaarheid en technische rationaliteit worden de mogelijkheden van interventie overschat. Veel incidenten líjken qua oorzaak, gevolg en schuldvraag – voor zowel politici, bestuurders als burgers – concreet. Mede hierdoor krijgen incidenten dan al snel (te) veel aandacht.

Schijnveiligheid
Het leed dat het overlijden van de 15-jarige Ximena (Den Haag, februari 2012) veroorzaakt kan niet anders dan immens zijn. Dergelijk leed zou je de samenleving en de direct betrokken willen besparen. Met alles wat je hebt. Maar dat kan niet. De samenleving blijkt niet maakbaar. Ik zeg en schrijf dat in de wetenschap dat – als het incident mijn eigen gezin of (klein)kinderen zal betreffen – de rationaliteit van mijn overtuiging aardig zal wankelen. Zo niet doet verdwijnen. Omdat ik overmand zal raken door emoties en dat hoort ook zo. Daar moet ruimte voor zijn.

Ieder tragisch incident leidt tot wijzigingen, althans op zijn minst tot publieke onrust. En het vertrouwen dat de (lokale) overheid pal voor het getransformeerde stelsel zorg voor jeugd gaat staan zal niet iedereen zo maar krijgen. En als professionals dat vertrouwen niet krijgen, en als inderdaad weer op grond van een incident een hele maatregel wordt aangepast, zal uiteindelijk de maatschappij onveiliger worden. Incidentenpolitiek creëert de absolute farce van schijnveiligheid.

In het kader van het stelsel zorg voor jeugd waaraan (samenwerkende) lokale overheden in de komende jaren vorm en inhoud moeten geven herhaal ik nog maar eens de volgende stelling: “De opvoeding is het moeilijkste vraagstuk dat de mens is voorgelegd.” (Immanuel Kant (1724-1804), Duits filosoof). Dat het dus wel eens fout gaat, mag niet verwonderen. Jeugdzorg is daarvan niet de oorzaak, maar het gevolg. Het zou goed zijn als de maatschappij – en zij die geacht worden haar te vertegenwoordigen – zich dat nadrukkelijker zou realiseren. En natuurlijk, “Alle veralgemeningen zijn gevaarlijk, zelfs de zonet genoemde.” (Alexandre Dumas (1802-1870), Frans schrijver). Maar zij raakt wel de essentie van mijn betoog: De politiek moet de rug recht durven houden. Durven te staan voor de prestaties van de jeugdzorg. En niet ‘surfen’ op incidenten. Anders gezegd: heb een open oog voor oorzaak en gevolg.

  • Dit Podiumartikel is geschreven door Peter Paul Doodkorte, toentertijd partner van BMC.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s