De omvorming van het sociaal domein vraagt om een (noodzakelijke) vaardigheid die veel ouders en opvoeders – al dan niet met vallen en opstaan – al heel snel leren: de kunst van het loslaten.

Het is een algemene opvatting dat je je kind opvoedt om een onafhankelijk persoon te worden, die zelfstandig in de wereld kan staan. Maar, hoe en wanneer begin je je kind los te laten? Hem stukje bij beetje de verantwoordelijkheid te geven voor zijn eigen leven? Het in de praktijk brengen is lastig: Vaak gaat het sneller en gemakkelijker om iets voor je kind te doen. Veters strikken, boterham smeren, tanden poetsen: als je dit je kind laat doen, duurt het veel te lang voor je gevoel. Gemakzucht en ongeduld nemen het dan vaak over. En de worstelingen en mislukkingen van je kind ervaar je niet zelden ook een beetje als je eigen mislukkingen. En ja, het is lastig om iemand die zo dicht bij je staat, te laten worstelen en fouten te zien maken. Zeker als je weet dat een paar wijze woorden van jou je kind veel teleurstelling, frustratie of pijn kunnen besparen. Bovendien: het voelt heel fijn om voor je kinderen te zorgen. Om te weten dat ze je nodig hebben. Als je merkt dat je kind je niet meer nodig heeft, dan is dat niet leuk.

Vrijwel alle ouders worstelen met die tegenstrijdige gevoelens van het ouderschap. Je bent trots op je kind omdat hij steeds groter en zelfstandiger wordt. Maar tegelijkertijd doet het ook en beetje pijn dat hij je niet meer nodig heeft. Een kind dat zelfstandig wordt, laat een soort leegte achter. Jouw rol als ouder wordt anders.

Loslaten, wie kan het echt? “Je moet het loslaten” is gemakkelijk en gauw gezegd. Maar niet zo makkelijk en gauw gedaan. Loslaten betekent echter niet: laten vallen. Het is meer dat je de dingen van een andere kant bekijkt. Wat kan helpen zodat het gaat zoals wij willen. Zijn er nog andere mogelijkheden of manieren waarop iets wat wij willen ook daadwerkelijk kan? Zo beschouwd is opvoeden eigenlijk een voortdurend proces van innovatie, verandering en verschuivende verhoudingen.

Over innovatie, verandering en verschuivende veranderingen bestaan vele theorieën. De meeste bouwen voort op de drie fases van Lewin’s veranderingsmodel (Cumming & Worley, 2001). Lewin ziet verandering als een herschikking van krachten binnen een systeem. Ook bij de transformatie (lees: omvorming) van het sociaal domein zien wij de zoektocht naar de herordening van krachten. Aan de ene kant zien wij een kracht die de status quo probeert te behouden en andere kant een kracht die een verandering probeert door te voeren. Wanneer beide krachten gelijkwaardig zijn, spreekt Lewin van een zogenaamd stationair evenwicht.

De door de Rijksoverheid afgekondigde – en door de gemeentelijke overheden met graagte aanvaarde – decentralisatieoperaties zorgden in de afgelopen periode voor een stevige ontdooiing van de bestaande situatie. Een nieuwe ordening van het veld van krachten moet een daarmee beoogt nieuw evenwicht ondersteunen. Bouwstenen daarvoor zijn een daarop afgestemde cultuur, normen, beleid en structuur.

Bij de beweging die uit de beoogde transformatie is ontstaan, hoort ook de huidige fase van instabiliteit en onvoorspelbaarheid. Dat brengt ook tegenkrachten met zich. De onzekerheid over de nieuwe ontwikkelingen en verhoudingen brengen de neiging met zich, dat betrokken partijen terugvallen op dan wel angstvallig vasthouden aan het oude. Deze ‘tegenkrachten’ kunnen resulteren in weerstand tegen verandering (Cozijnsen & Vrakking, 2003). Om die reden is dit onderwerp een belangrijk aandachtspunt bij het lopende proces van overdracht (transitie) en omvorming (transformatie).

Want waar bij de omvorming van het sociaal domein het gebruik en de versterking van de eigen kracht van individuen en hun omgeving (empowerment) – door het verwerven van controle, het aanscherpen van het kritisch bewustzijn en het stimuleren van participatie – centraal staat, zien de bestaande instituties dit als een aantasting (van de continuïteit) daarvan.

Deze tegenkrachten cultiveren wat graag incidenten, blunders en schandalen om risicomijdend gedrag uit te lokken. Terwijl het succes van de omvorming (innovatie) van het sociaal domein – en de verhoudingen daarbinnen – wordt bepaald door de mate waarin mensen en organisaties bereid zijn om risico’s te nemen. De precieze resultaten van de omvorming zijn immers niet goed te voorspellen. En, hoewel de roep om omvorming luid is, is de bereidheid tot risico’s nemen en deze ook te aanvaarden omgekeerd evenredig. Niet zelden met als bron de angst om achteraf verantwoordelijk gehouden te worden voor beslissingen die anders uitpakken dan ingeschat.

De omvorming van het sociaal domein vraagt om andere oplossingen en inzichten. Net zoals de ontwikkeling en groei van onze kinderen dat vraagt. Daarvoor moeten we gebaande paden verlaten en nieuwe verbindingen durven leggen! De eerste stap daartoe is uitgedaagd willen worden op een andere manier te kijken naar het vraagstuk of de uitdaging waarvoor wij staan. Om vervolgens kansen te zien en hiermee zelf en met anderen aan de slag te gaan. Want: nieuwe ideeën creëren weer nieuwe inzichten en daarmee nieuwe vensters. Dat we daarbij zoeken naar het bekende, naar dat wat vertrouwd voelt, is niet meer dan logisch. Wij mensen houden van dingen die bekend en vertrouwd voelen. En toch is het een gemiste kans wanneer we juist daardoor niet een meer willen of durven veranderen. Kritiek is makkelijker dan creatie. Bestuurders, stuurlui (aan de wal) en professionals die de mond vol hebben over standaards en best practises komen het innovatievermogen van de sociale gemeenschap niet ten goede. Die innovatie is juist gediend met lokale variëteit en experimenteerruimte. Het succes van sociale innovatie schuilt daarom niet in het mijden van risico’s, maar in het durven (onder)kennen, aanspreken en gebruik maken daarvan bij het creëren van spannende, kansrijke innovaties, veranderingen en verschuivende verhoudingen.

De belangrijkste manier om daarbij de ogenschijnlijke dan wel reële tegenstellingen te overbruggen is juist het bij elkaar brengen daarvan. Dat kan, door van uitsluitend (òf- òf denken) naar inclusief (èn-èn) denken over te schakelen. Het vergt – net als bij het opvoeden – de kunst van het loslaten; zonder te laten vallen. Het vraagt – over en weer – inlevingsvermogen: ‘Hoe zou jij dat vinden?’ Barack Obama’s verhaalde daar eens bijzonder treffend over: “Mijn moeder had een afkeer van elke vorm van wreedheid of onnadenkendheid of machtsmisbruik. Of die zich nu uitte in racistische vooroordelen of in pesten op het schoolplein, of in onderbetaling van arbeiders. Als ze bij mij ook maar een zweem van zulk gedrag zag, keek ze mij recht in de ogen en vroeg: ‘Hoe zou jij dat vinden?’

De basis voor loslaten – zonder te laten vallen – is: door de ogen van een ander naar een situatie te kijken, mee te voelen en mee te denken. Jezelf zo kunnen en durven verplaatsen in een ander is voor de omvorming van het sociaal domein dé sleutel tot succes.