• Alleen de overheid kan uitstekend papier met uitstekende inkt bedrukken en de combinatie waardeloos maken.
(Milton Friedman, Amerikaans econoom 1912-2006)

Het kabinet heeft besloten 15 bestaande wetten – zoals de Waterwet, de Crisis- en herstelwet en de Wet ruimtelijke ordening – te integreren in de nieuwe Omgevingswet. Verbouwen wordt zo – door het bundelen van wetgeving – voor burgers en bedrijven makkelijker. Van ongeveer 25 andere wetten gaan de onderdelen over omgevingsrecht eveneens naar de nieuwe wet. Volgens minister-president Rutte scheelt dit enorm in regeldruk. En gelijk heeft hij.

Toen ik de ronkende teksten over de Omgevingswet hoorde moest ik direct terugdenken aan het pleidooi dat eerst de MOgroep, en vervolgens de VNG vorig jaar oktober hield voor één regeling voor het Sociale Domein.

VNG en MOgroep gingen destijds met hun oproep voor slimmer en beter samenwerken op lokaal niveau, ontkokering en minder bureaucratie. Zij steunden daarmee ook de beweging om taken op het gebied van werk, zorg en jeugd (het sociale domein) over te brengen naar gemeenten. Maar, zo stelden zij, daarvoor was wel meer samenhang in wetten, regels en geldstromen noodzakelijk. Geen verkokerde wetsvoorstellen dus, maar meer samenwerking op basis van partnerschap en vertrouwen in elkaars capaciteiten. Een samenhangende benadering van (de decentralisaties in) het sociale domein hoorde daarbij.

Die stellingname en het warme pleidooi ten spijt, bleek de boodschap in Den Haag tegen politieke dovemans oren gesproken. Want, zo luidde de boodschap, er waren op dat moment forse verschillen in de uitgangspunten, inhoud en aanpak van de geplande decentralisaties. Hierdoor zou het daadwerkelijk (tijdig) bereiken van de beoogde resultaten (lees in het bijzonder: de ingeboekte doelmatigheidswinst) in het gedrang komen. Bovendien zou dit de daaraan ten grondslag liggende zorgvuldige(!) planning in het gedrang brengen.

Inmiddels zijn wij negen maanden verder en een sociaal- en zorgakkoord rijker. En weten wij wat die zorgvuldige planning rond de Wet werken naar vermogen (nu: Participatiewet) en de overheveling van belangrijke taken uit de AWBZ naar de Wmo waard was. De invoering van de – oorspronkelijk opeenvolgende – wetten staat nu (gebundeld, maar wel apart) geprogrammeerd voor 1 januari 2015.

Om dat laatste mogelijk te maken, ligt er thans een uitwerking van de Participatiewet op hoofdlijnen, beschikt de Tweede Kamer der Staten Generaal over een concept Jeugdwet en verscheen er inmiddels een concept voor de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015.

De huidige plannen tot decentralisatie gaan dus nog steeds uit van de oorspronkelijke idee: verkokerde wetten, regelgeving, organisaties en geldstromen. Terwijl de omvorming (verbouwing) van het sociaal domein door gemeenten zoveel makkelijker zou kunnen wanneer er sprake zou zijn van één regeling (wet).

Daarom hoop ik dat de nu van hun reces genietende Kamerleden uitgeslapen terugkomen van hun vakanties. En zich tijdens die vakantie realiseren dat zij in dit najaar een unieke kans hebben om naast één wettelijk kader voor de ruimtelijke omgeving ook één wettelijk kader te realiseren voor de sociale omgeving. Nu de verschillende wetten in concept gereed zijn, is dit hét moment om ze in elkaar te schuiven. Het basisgedachtengoed is immers identiek!

Het bundelen van de afzonderlijke wetten in één wet voor het sociaal domein scheelt heel veel bestuurlijke Haagse drukte. Het biedt mogelijkheden tot beperking en stroomlijning van toezicht en regelgeving. Maar ook tot ontschotting van financieringsstromen. Maar bovenal: het maakt het burgers en gemeenten zoveel makkelijker om – aansluitend op de eigen mogelijkheden – vorm te geven aan een vitale samenleving met actief participerende burgers en zo te komen tot het beteugelen van kosten zowel als bureaucratie.

Het komende najaar wordt dus spannend. Wordt het juichen of huilen? Ik heb hoop. Net zoals de onverwachte wielerprestaties van Bouke Mollema en Laurens ten Damme de door dopingschandalen bezoedelde wielersport weer voorzien van nieuwe glans. Het door het Kabinet Rutte met de Omgevingswet verworven inzicht biedt nieuwe hoop op betere en verstandiger tijden.

Desondanks acht ik het verstandig, wanneer VNG en MOgroep, samen met hen die beider ambities destijds deelden dan wel omarmden (en ik behoor daartoe) – deze zomer en het vroege najaar gebruiken om bij hun landelijke partijbroeders en –zusters aan de bel te gaan trekken. Hen uitbundig zullen wijzen op de noodzaak gemeenten het juiste instrumentarium in handen te geven om activerend en innoverend te kunnen zijn. Het samen met inwoners en maatschappelijke instellingen kunnen ontwikkelen van nieuwe aanpakken vraagt om daarop afgestemd vertrouwen. En om ruimte.

En in de richting van de Kamerleden en Senatoren zeg ik: “Soms volstaat het om van visie te veranderen om van een vervelende taak een interessante kans te maken.” Aan hen adresseer ik de oproep om deze unieke kans nύ te verzilveren. Verlos ons (lees: inwoners en gemeenten) van het huidige moeras aan financieringsstromen en geef daarmee de ruimte die nodig is voor het formuleren van een passend antwoord op lokaal urgente sociale vraagstukken. Alleen zo kan er een aanpak ontwikkeld worden die én effectief én financieel duurzaam is. Kies dus voor een kort en intensief traject om met een concreet voorstel naast de ruimtelijke omgeving ook de sociale omgeving van één wettelijk kader te voorzien. Maak, dat Groucho Marx ongelijk had, toe hij stelde dat “Politiek de kunst is van het zoeken naar problemen, ze overal te vinden, vervolgens een verkeerde diagnose te stellen en tenslotte de onjuiste maatregelen te treffen.” Creëer met een moedig besluit voor gemeenten en hun inwoners de basis voor het succesvol omvormen van het sociaal domein.