Over de zorg voor jeugd wordt vaak een somber beeld opgehangen: wachtlijsten, incidenten en berichten over onvoldoende samenwerking en vaak te beperkte informatie kleuren het maatschappelijke debat en vullen de gesproken en geschreven media. Wat zij ook doet, het is niet goed of deugt niet. De ene keer krijgt ze het verwijt niet in te grijpen, de andere keer is het verwijt juist dat er te lang gewacht is met ingrijpen. En nog niet zo heel lang geleden concludeerde de Onderzoeksraad voor de Veiligheid dat de jeugdzorg professioneel gezien nog in de kinderschoenen staat.
Is die kritiek terecht? Deels wellicht. Maar wie zich realiseert dat de jeugdzorg daar acteert waar wij het als maatschappij ook niet (meer) weten of laten afweten komt tot een veel genuanceerder beeld.
Zorg voor jeugd. Het zijn een paar simpele woorden voor een omvangrijk en complex geheel. De organisatie is complex. Voor ouders en jeugdigen zowel als voor organisaties. En ook de wet- en regelgeving is ingewikkeld. Zo ingewikkeld zelfs, dat het de (vijf) betrokken ministeries nauwelijks lukt om onderling tot afstemming te komen. En het in kaart brengen van alle verschillende financieringsstromen blijkt vooralsnog een zo niet onmogelijke, dan toch zeer ingewikkelde en tijdrovende bezigheid.
Zoals gezegd: de kritiek die er op de jeugdzorg is, is hen deels wellicht ook wel zelf aan te rekenen. Want met de beste bedoelingen willen zorgorganisaties en hun medewerkers nog wel eens uitstralen (alleen) zij weten hoe opvoedproblemen het hoofd geboden kunnen worden. Een ergerniswekkende arrogantie die bij mij herinneringen oproept aan Gloria, de alwetende storthoop uit de televisietekenfilmserie De Freggels (de Nederlandse benaming voor het Amerikaanse kinderprogramma Fraggle Rock). Als de Freggels met een probleem zitten opgescheept raadplegen ze de alwetende storthoop Gloria: een bebrilde berg compost die de taak van orakel op zich neemt. Zij wordt altijd bijgestaan door twee op ratten gelijkende wezentjes genaamd Filo en Soof.
Die goedbedoelde maar misplaatste houding van alwetendheid is naar mijn mening ook vaak de oorzaak van de niet zelden even misplaatste kritiek op de jeugdzorg. Want hoewel menig hulpverlener zowel als criticaster dat graag doet vermoeden: zorg voor jeugd is geen exacte wetenschap. Zij die zelf ouder zijn weten dat uit eigen ervaring. Niet in de laatste plaats omdat elk kind uniek is. Dat unieke kind in zijn vervolgens ook unieke omgeving, met zijn eigen specifieke (on)mogelijkheden, vraagt om maatwerk. De door overheden daarvoor bedachte stelsels vervolgens zijn weer niet gebaseerd op maatwerk, maar gaan uit van confectie. Als het voor de een goed is, zal het ook voor de ander wel goed zijn.
Dit laatste is geen realistische verwachting. Bij het opvoeden van kinderen vraagt iedere ouder zich wel eens of hij/zij het goed doet en of het misschien beter kan. Dit is normaal: onzekerheid en twijfel maken immers onvermijdelijk deel uit van het dagelijkse opvoeden. En, als ouder sta je natuurlijk (en gelukkig) niet alleen in de opvoeding van je kinderen. Ook familie, vrienden, buren, leerkrachten, etc … kunnen bijspringen als het even minder of moeilijk gaat. Zij op hun beurt kunnen terugvallen op een breed scala van meer gespecialiseerde hulpverleners. Telkens opnieuw moet deze hulpverleners – net als iedere ouder overigens – een zo goed mogelijke inschatting maken over en van de situatie. Elke inschatting beoordeelt ook een mogelijk risico. Het niet willen aangaan of uitstellen van deze risico-inschatting door de hulpverlener zal tot gevolg hebben dat de hulpverlening zwaarder wordt of ingrijpender is. Soms ook dat instemming met de hulpverlening sneller wordt overgeslagen, dat de hulpverlener zelf overneemt of dat de hulpverlening dringender of dwingender wordt. Het zekere voor het onzekere nemen betekent ook een risico op te snel ingrijpen.
Incidenten kleuren het beeld dat we hebben over de zorg voor jeugd. Toch moeten incidenten incidenteel blijven en niet het imago en nog minder het beleid van de zorg voor jeugd bepalen. De zorg voor jeugd kan onmogelijk teruggebracht worden tot voorspelbare resultaten. Elk individu is verschillend en er zijn veel omstandigheden die invloed uitoefenen op een jeugdige en zijn of haar situatie. Het causale verband tussen de geleverde zorg en een gewijzigde leefsituatie is vaak niet met zekerheid te bepalen. Alle beweringen over ‘evidence based care’ ten spijt: er bestaat geen methodiek die zeker ‘werkt’ in een bepaalde situatie. Of een methodiek die garant staat voor succes. Wat dat ‘succes’ dan ook mag betekenen. Gebruik maken van wetenschappelijk onderbouwde methodieken of inspiratiebronnen kan helpen, maar zorg voor jeugd en werken met jeugd betekent het aanvaarden van onvoorspelbare resultaten. Er is geen pasklare oplossing. Dat zijn de grenzen van de ‘maakbaarheid van de mens en zijn context’…En dus ook de grenzen van en voor hulpverleners.
Samenvattend
Het opvoeden van kinderen wordt vandaag de dag niet meer vanzelfsprekend bevonden en gaat gepaard met onzekerheid. En voor die onzekerheid heeft de opvoedingswereld oplossingen. Deskundigen vervolgens spreken in absolute bewoordingen over opvoeden en opvoedvraagstukken. En elkaar of zichzelf voortdurend tegen.
Die deskundigen menen het goed met ouders, en ouders menen het goed met hun kinderen. Wat hen zou kunnen en moeten verbinden is de zekerheid dat in en bij het opvoeden niets zeker is. Een houding van invoegen en aansluiten op de specifieke situatie van kinderen en/in hun omgeving op basis van de (opeenvolgende) principes van bijspringen (een kontje geven), meelopen (langduriger stut en steun, maatje en toeverlaat) of – zo nodig – (tijdelijk) overnemen (drang en dwang) kan daarbij helpen.
De organisaties en hun medewerkers die zorg voor jeugd (en gezin) bieden zijn enthousiast en dynamisch. Zij schuwen niet om de moeilijke zorgopdracht op te nemen en boeken ook vaak goede resultaten. Het bijzondere van zorg voor jeugd is echter dat het om mensen gaat. Iedere interventie staat op zich. Zij is niet reproduceerbaar en vermenigvuldigbaar. Juist daarom doen hulpverleners er goed aan uit de rol van ‘alwetende storthoop’ te stappen. Bij die veranderende positionering hoort ook het inruilen van ‘cliëntparticipatie’ (de cliënt mag meepraten) voor hulp- dan wel overheidsparticipatie (wij schuiven even aan).
Leuk geschreven en zo waar. Het lijkt me lastig om te gaan met de vele instanties die zich om het kind – jongere met problemen bewegen. Hoe zou je dat kunnen realiseren?
Goed verhaal Peter Paul. Werken in de jeugdzorg is een kwestie van jongleren. Meerdere bordjes draaiende houden tegelijkertijd. Een fraaie act maar in de uitvoering niet eenvoudig. Als je erin slaagt dit lang vol te houden zonder scherven ontvang je applaus en waardering. Echter, vaak wijst het publiek naar het bordje dat op het punt staat van het stokje te vallen. We rennen van het enke stokje naar het andere, en het publiek (politiek) voegt er graag nog een bordje aan toe. De moeilijkheidsgraad wordt vergroot en de afspraken hoe af te rekenen worden aangescherpt. Een perfecte en foutloze act bestaat simpelweg niet. Het bijzondere is dat we als toeschouwers het volmaakte en foutloze eisen terwijl we al kijkend verlangen naar de missers en de scherven. Dan hebben we weer iets om over te praten en voegen we er spelregels aan toe. Heb ook als professional niet langer de illusie dat je foutloos door het leven kan gaan. Fouten worden er iedere dag gemaakt en dat is maar goed ook. Er is slechts een voorwaarde: durf iedere dag fouten te maken als het maar nieuwe zijn.
Mooi gesproken en helemaal eens!
Het werken met gezinnen is doen wat werkt. Dat gaat in wisselwerking tussen alle gezinsleden en jou als hulpverlener. Dus zal elk pad dat je met elkaar ontdekt, een uniek pad zijn. Daarom levert de zoektocht naar bewijsmateriaal dát het werkt ( evidence based) niets sluitends op: dat de combinatie van deze gezinsleden met deze hulpverlener net zo werkt in en voor een ander gezin of met een andere hulpverlener, daar zul je nooit bewijs en 100% zekerheid voor vinden, juist omdat elke mix weer uniek zal zijn. “Het” in vertrouwen in elkaar aangaan zal bepalen of en hoe “het” werkt. Over “het” is een hele boekenkast vol te schrijven en blijvend onderzoek te doen, maar nooit zal het antwoord afdoende worden vastgelegd of bewezen. Juist als de hang naar “het zeker weten” plaats maakt voor “ik weet het niet” zal er ruimte komen voor ontdekken wat werkt. Dan voelt hulpverlening zowel voor gezinsleden als hulpverlener als een pad ergens naar toe. Zo is het.
Met vriendelijke groet,
Anton Hoogendoorn
Gezinscoach