
De oproep van Rotterdam, Den Haag en Utrecht aan het Rijk om eindelijk steviger op te treden tegen zorgfraude vormt de directe aanleiding voor deze blog. De steden wijzen op wat gemeenten al langer ervaren: malafide zorgaanbieders en criminele netwerken maken gebruik van de gaten tussen stelsels, toezicht en lokale verantwoordelijkheid. Terwijl gemeenten de gevolgen in wijken, bij bewoners en bij kwetsbare cliënten dagelijks onder ogen krijgen, ontbreekt het hun vaak aan tijdige informatie, wettelijke instrumenten en landelijke rugdekking.
De oproep van Rotterdam, Den Haag en Utrecht aan het Rijk is terecht. Maar wie zorgfraude uitsluitend benadert als een kwestie van strengere screening bij de voordeur, loopt het risico opnieuw te laat te zijn: zorgfraude is niet alleen een probleem van toegang tot de zorgmarkt, maar ook van gebrek aan zicht, regie en gezamenlijke verantwoordelijkheid zodra een aanbieder ergens landt.
De drie steden vragen om landelijke screening, uniforme toelatingseisen, een samenhangend handhavingskader en landelijke regie. Dat is geen pleidooi voor bestuurlijke centralisatie om de centralisatie. Het is een constatering dat lokale overheden de gevolgen dragen van een systeem waarin malafide aanbieders, dubieuze constructies en criminele netwerken zich relatief gemakkelijk kunnen verplaatsen, opnieuw kunnen beginnen of onder een andere financieringsstroom kunnen doorgaan.
Niet alleen fraude, maar aantasting van vertrouwen
Zorgfraude is een merkwaardig woord. Het klinkt administratief, bijna technisch. Alsof het vooral gaat over een verkeerde declaratie, een onjuiste urenstaat of een financieel conflict tussen aanbieder en financier.
Maar achter de term gaat iets veel ernstigers schuil.
Wanneer zorggeld verdwijnt in private zakken, wordt niet alleen de schatkist benadeeld. Dan worden juist mensen die afhankelijk zijn van ondersteuning, begeleiding, bescherming of behandeling gereduceerd tot verdienmodel. Kwetsbaarheid wordt omzet. Een indicatie wordt een toegangsbewijs tot publiek geld. Een woonvoorziening wordt vastgoedexploitatie. En zorg, die in essentie relationeel en menselijk hoort te zijn, verandert in een markt waarin de verkeerde partijen soms sneller kunnen bewegen dan de partijen die kwaliteit, continuïteit en nabijheid willen organiseren.
Dat tast ook iets anders aan: het vertrouwen van bewoners in hun buurt. Zeker wanneer locaties terechtkomen in wijken waar de draagkracht al onder druk staat. Daar stapelen armoede, schulden, een kwetsbare woningmarkt, sociale onveiligheid en een zwakke sociale basis zich soms al op. Als daar vervolgens zorglocaties landen zonder overleg, zonder zicht op doelgroep en schaal, zonder beheerafspraken en zonder goede communicatie met de buurt, is het niet vreemd dat onrust ontstaat.
Niet omdat mensen met psychische kwetsbaarheid, een verstandelijke beperking, een forensische achtergrond of een zorgvraag niet in een wijk zouden mogen wonen. Integendeel. Een inclusieve samenleving vraagt juist dat mensen niet worden weggestopt op afgelegen terreinen of aan de rand van de stad.
Maar inclusie is geen vergunning om kwetsbaarheid te concentreren. En normalisering is geen excuus om niet na te denken over draagkracht, begeleiding, veiligheid en wederkerigheid.
Gemeenten zien het vaak als laatste
De kern van het probleem is dat gemeenten vaak pas in beeld komen wanneer er al iets is gevestigd, wanneer omwonenden vragen stellen, wanneer de wijkagent signalen opvangt of wanneer er overlast, zorgen over kwaliteit of vermoedens van fraude ontstaan.
Dan begint het bekende bestuurlijke ritueel.
Er wordt uitgezocht wie de aanbieder is. Er blijkt een andere financieringsvorm te gelden. De gemeente heeft geen contractrelatie. Het zorgkantoor is aan zet, of de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, of justitie, of een landelijk register, of een andere gemeente waar de aanbieder eerder actief was. Er zijn privacyregels, verschillende toezichtsregimes, versnipperde informatiestromen en niemand beschikt over het hele beeld.
Intussen wonen de mensen er wel. Werken de begeleiders er wel of niet. Ontstaan er incidenten. Maken bewoners zich zorgen. En probeert de gemeente, die verantwoordelijkheid draagt voor leefbaarheid, openbare orde, veiligheid en wijkregie, alsnog grip te krijgen op een werkelijkheid die al bestaat.
Dat is geen lokaal falen. Het is een systeemontwerp waarin verantwoordelijkheden zijn verdeeld, maar waarin de verbinding tussen die verantwoordelijkheden onvoldoende is georganiseerd.
De bijgevoegde trilogie over Grip op zorglocaties in kwetsbare wijken benoemt dat scherp. Gemeenten zijn niet de primaire toezichthouder op alle Wlz-zorg, forensische zorg of pgb-constructies. Maar zij kunnen evenmin doen alsof de vestiging en het functioneren van zulke locaties geen invloed hebben op de wijk. Hun publieke taak ligt bij leefklimaat, veiligheid, spreiding en de dagelijkse werkelijkheid van bewoners. Precies daar ontstaat het gat wanneer landelijke toelating, contractering, kwaliteitstoezicht, vastgoed en lokale leefbaarheid langs elkaar heen blijven bewegen.
De voordeur moet dicht, maar de rest ook kloppen
De oproep van de grote steden richt zich terecht op de voordeur. Wie zorg wil aanbieden, moet niet alleen een onderneming kunnen inschrijven en daarna met minimale controle toegang krijgen tot kwetsbare mensen en publieke middelen. De Wtza heeft meld- en vergunningplichten geïntroduceerd om het zicht op aanbieders te verbeteren, maar de huidige praktijk biedt nog onvoldoende garantie dat malafide partijen tijdig worden geweerd.
Landelijke screening en uniforme toelatingseisen zijn daarom noodzakelijk. Niet als bureaucratische reflex, maar als elementaire bescherming van cliënten, medewerkers, buurten en publieke middelen.
Dat vraagt ten minste om:
- Een betrouwbare toets op integere bestuurders, feitelijke zeggenschap, financiële gezondheid en relevante eerdere misstanden.
- Inzicht in concernstructuren, onderaannemers, vastgoedconstructies en wisselende handelsnamen.
- Toetsbare eisen aan deskundigheid, personele bezetting, bedrijfsvoering en de feitelijke levering van zorg.
- Een stelsel waarin aanbieders die aantoonbaar frauderen of ernstige schade veroorzaken niet eenvoudig elders opnieuw kunnen beginnen.
- Een veel betere verbinding tussen bestuurlijk toezicht, strafrechtelijke opsporing, zorgfinanciers en gemeentelijke signalen.
De VNG-factsheet over zorgcriminaliteit wijst er terecht op dat zorgcriminaliteit niet alleen over onrechtmatige besteding gaat, maar ook kan raken aan witwassen, criminele uitbuiting, verwevenheid met drugscriminaliteit en georganiseerde fraude. Dat maakt duidelijk waarom een uitsluitend zorginhoudelijke of uitsluitend gemeentelijke aanpak tekortschiet.
Maar een stevige voordeur alleen is niet genoeg. Ook een aanbieder die formeel door de toelating komt, kan zich later anders ontwikkelen, uitbreiden, met onderaannemers werken of op plekken landen waar de combinatie van doelgroep, schaal en wijkcontext onverantwoord is. Toezicht moet dus niet stoppen na de registratie. Het moet ook gaan over de vraag: wat gebeurt er waar, voor wie, onder welke voorwaarden en met welke gevolgen?
Van zorgmarkt naar zorglandschap
Daar ligt de bredere les. We moeten stoppen met denken over zorglocaties als losse ondernemingen die toevallig een pand vinden in een gemeente. Zorglocaties maken deel uit van een zorglandschap én van een woonwijk. Zij zijn niet alleen een kwestie van zorginkoop of ondernemingsvrijheid, maar ook van ruimtelijke ordening, sociale infrastructuur, veiligheid, wonen, wijkdraagkracht en publieke verantwoordelijkheid.
De trilogie biedt daarvoor een bruikbaar perspectief: niet achteraf brandjes blussen, maar vooraf zicht organiseren en gezamenlijk sturen op vestiging, kwaliteit en uitstroom. Dat betekent bijvoorbeeld:
| Opgave | Wat nodig is |
| Zicht op locaties | Een actueel zorglocatieregister, over financieringsstelsels heen, inclusief pgb-constructies en onderaannemers |
| Grip op vestiging | Tijdige melding, een vast gemeentelijk aanspreekpunt en voorafgaand overleg bij risicovolle locaties |
| Bescherming van wijken | Wijkprofielen die de draagkracht, bestaande concentratie en sociale basis zichtbaar maken |
| Kwaliteit na vestiging | Heldere meldroutes, terugkoppeling door inspectie en zorgkantoren, gezamenlijke monitoring en escalatie |
| Eerlijke spreiding | Regionale afspraken over locatiekeuze, capaciteit, doorstroom en uitstroom |
| Landelijke randvoorwaarden | Een landelijke meldplicht, betere registers, juridische ruimte en een regiefunctie die partijen bij elkaar houdt |
Een stoplichtmodel voor wijken kan hierbij helpen. Niet om hele buurten op slot te zetten, maar om eerlijker te wegen wat een wijk aankan. In een groene wijk kan een nieuwe woonzorgvoorziening wellicht goed landen. In een oranje wijk zijn extra voorwaarden, beheerafspraken en vooroverleg nodig. In een rode wijk, waar de druk al hoog is, zou een nieuwe risicovolle voorziening niet vanzelfsprekend moeten zijn. Dan is een expliciete bestuurlijke afweging nodig, gebaseerd op feiten, draagkracht en alternatieven.
Dat is geen stigmatisering van bewoners of doelgroepen. Het is juist een poging om te voorkomen dat mensen met de zwaarste problemen steeds terechtkomen in buurten die zelf het minst in staat zijn om extra belasting op te vangen.
Geen gemeente als eindstation
De oproep van Rotterdam, Den Haag en Utrecht raakt daarom aan een bredere bestuurlijke vraag: wie voelt zich verantwoordelijk voor de plek waar zorg terechtkomt?
Als het antwoord luidt dat dit uitsluitend een zaak is van de aanbieder, de financier of de formele toezichthouder, dan blijven gemeenten eindstation van een proces waar zij onvoldoende invloed op hebben gehad. Zij krijgen dan de signalen uit de straat, de vragen van bewoners, de druk op handhaving en de schade aan vertrouwen. Maar zonder tijdige informatie, zonder wettelijke positie en zonder werkende afspraken met zorgkantoren, inspectie en Rijk, kunnen zij slechts reageren.
Dat is precies wat er moet veranderen.
Het Rijk moet landelijke grenzen stellen aan wie tot de zorg wordt toegelaten en wie duurzaam uit het stelsel moet worden geweerd. Zorgkantoren en verzekeraars moeten niet alleen inkopen op volume, prijs en formele kwaliteit, maar ook verantwoordelijkheid nemen voor de plek waar zorg wordt geleverd. Toezichthouders moeten relevante signalen kunnen verbinden en terugkoppelen. Gemeenten moeten hun ruimtelijke, sociale en veiligheidsrol vroegtijdig kunnen inzetten. En regio’s moeten durven afspreken dat niet iedere gemeente, en zeker niet iedere kwetsbare wijk, steeds opnieuw de opvangplek wordt voor wat elders niet past.
De kern is eenvoudig, maar de uitvoering vraagt volharding: zorg is geen abstracte markt. Zorg gebeurt altijd ergens. In een straat, een portiek, een wooncomplex, een buurt. Tussen mensen.
Wie zorgfraude wil bestrijden, moet daarom niet alleen vragen hoe wij de verkeerde aanbieder buiten houden. De belangrijker vraag is misschien wel: hoe organiseren wij samen een zorglandschap waarin kwetsbare mensen werkelijk goede zorg krijgen, wijken niet worden overvraagd en publieke middelen weer dienen waarvoor zij zijn bedoeld?
Dat is geen zachte kant van fraudebestrijding.
Dat is de harde kern ervan.