De paradox is pijnlijk: we hebben al sinds 1901 een leerplichtwet, maar anno 2026 slagen we er niet eens in om kleuters een plek te bieden waar leren, spelen en meedoen vanzelfsprekend is. Terwijl de politiek belooft dat ieder kind recht heeft op passend onderwijs, beschrijft Argos hoe steeds meer kinderen al vóór hun eerste schooldag thuis op de bank belanden – onttrokken aan het zicht, weggemanoeuvreerd uit een systeem dat alleen op papier inclusief is.

In het Argos‑verhaal zien we kleuters die thuiszitten omdat scholen geen passend aanbod kunnen of willen organiseren, terwijl de wet ‘passend onderwijs’ belooft dat elk kind een plek krijgt. Ouders krijgen te horen dat hun kind “te complex” is, “te druk voor deze groep” of dat men eerst “nog even moet kijken wat er mogelijk is”, waarna er vooral één ding gebeurt: niets.

Daarmee keren we stilletjes terug naar een tijd waarin het privilege van onderwijs voorbehouden was aan kinderen die binnen de norm vielen, terwijl de leerplichtwet ooit juist werd ingevoerd om ieder kind te beschermen tegen uitsluiting en achterstand. De boodschap aan deze gezinnen is glashelder: de wet is van papier, de werkelijkheid is van beton.

In het basisonderwijs is de taal van de markt in decennia langzaam binnengeslopen: concurrentie tussen scholen, ranking, doelmatigheid, lumpsum‑budgetten en een eindeloze focus op meetbare output. De logica is bekend uit het sociaal domein: wie systemen inricht rond producten, prestaties en contracten, krijgt onvermijdelijk mensen die daar tussenuit vallen.

De beweging ‘van markt naar mens’ beschrijft precies die omslag die nodig is: van concurrentie naar samenwerking, van product naar relatie, van beheersing als reflex naar publieke verantwoordelijkheid als uitgangspunt. Zolang scholen en samenwerkingsverbanden vooral gestuurd worden op “doelmatigheid” en “doorgroei”, is een kleuter die meer vraagt dan gemiddeld geen kind, maar een risico op kosten, onrust en slechte cijfers.

De eerste leerplichtwet verplichtte kinderen van 6 tot 12 jaar onderwijs te volgen, met als doel kinderarbeid terug te dringen en analfabetisme te bestrijden. Sindsdien is de leerplicht uitgebreid naar 5–16 jaar, met kwalificatieplicht tot 18, en is thuisonderwijs als standaardvorm afgeschaft om te borgen dat elk kind onderwijs krijgt.

Maar waar de wetgever het recht op onderwijs formaliseerde, hebben we er in de praktijk een systeem omheen gebouwd dat vooral rekent, vergelijkt en controleert – en veel minder vraagt wat kinderen, gezinnen en professionals nodig hebben om verder te kunnen. Het resultaat is een leerplicht die formeel streng is, maar materieel poreus: niemand voelt zich echt verantwoordelijk voor het kind dat uit de klas valt nog voor het begonnen is.

Drie structurele fouten springen eruit als je hier door de bril van Verruim de Horizon en ‘van markt naar mens’ naar kijkt.

  • Het kind is bijzaak, de casus is hoofdzaak. Het systeem is ingericht op dossiers, indicaties en trajecten, niet op het alledaagse leven van een kind dat gewoon naar school moet kunnen. Een kleuter wordt een “casus passend onderwijs”, in plaats van een mens met een schooldag, vriendjes en ouders die werken.
  • Verantwoordelijkheid is versnipperd, dus verdampt. Samenwerkingsverbanden, besturen, gemeenten, zorgaanbieders en ouders delen in theorie de verantwoordelijkheid, maar in de praktijk is niemand eindverantwoordelijk voor één simpele uitkomst: deze kleuter zit in een klas of niet. Iedereen heeft een rol, maar niemand durft “dit laten we niet gebeuren” te zeggen.
  • We sturen op systemen, niet op samenleven. De kern van Verruim de Horizon is helder: niet het probleem, maar het leven centraal, niet de voorziening maar de relatie, niet het individu maar het geheel. Ons onderwijsstelsel doet precies het omgekeerde: we optimaliseren bekostigingsformules, formats en verantwoording, terwijl kleuters zonder klas in stilte verdwijnen.

De beweging van ‘markt naar mens’ vraagt dat we onderwijs opnieuw zien als publieke infrastructuur: een dragend bouwwerk voor samenleven, geen winkelcentrum van onderwijsproducten. Dat betekent: één kind, één dagritme, één gezamenlijke verantwoordelijkheid – en een systeem dat daar omheen wordt gebouwd, niet andersom.

In die horizon is de vraag niet langer “kan deze school dit kind aan?”, maar “hoe organiseren we publiek dat geen enkel kind buiten valt, en welke combinaties van onderwijs, opvang en ondersteuning zijn daarvoor nodig?”. De maatstaf is niet meer de normgroep in het toetsschema, maar de vraag of het kind deelneemt aan een herkenbare, betekenisvolle schoolgemeenschap.

Onderstaande tabel schetst per ketenpartner de kernverschuiving die nodig is, in lijn met ‘van markt naar mens’.

KetenpartnerHuidige reflexBenodigde omslag
Landelijke politiek & OCWNieuwe regels en programma’s stapelen bij incidenten, nadruk op controle en output.Heldere publieke opdracht: geen kind onder leerplicht zonder plek, plus structurele bekostiging voor inclusieve basisvoorzieningen.
Onderwijsbesturen & samenwerkingsverbandenRisicobeheersing, verdelen van zorgmiddelen, afschermen van kwetsbare scholen.Radicale zorgplicht: publiek commitment dat geen enkel jong kind thuiszit, gezamenlijke regionale plaatsingsplicht met transparante monitoring.
Schooldirecties & teamsSelecteren op “passendheid”, verwijzen naar externe trajecten, klassenlogica centraal.Pedagogische basis versterken: klassen rond relaties en veiligheid organiseren, flexibele groepsindeling, co-teaching en ondersteuning als normaal.
Gemeenten & leerplichtPapieren naleving, nadruk op handhaving en uitzonderingen, versnipperde samenwerking.Leerplicht als publieke regie: gezamenlijke casuïstiektafels rond kleuters, één loket waar onderwijs, zorg en bestaanszekerheid samen beslissen.
Jeugdhulp & zorgaanbiedersKind als traject in zorg, los van de dagelijkse schoolcontext.School als primaire context: ondersteuning in en rond de klas, met de relatie kind-leerkracht als vertrekpunt.
OudersIndividueel onderhandelen, afhankelijk van dossierkracht en assertiviteit.Collectief organiseren: oudernetwerken die casussen bundelen, lokale en landelijke pressie op politiek en besturen voor structurele oplossingen.

 

  • Leg wettelijk vast dat geen enkel kind onder leerplicht thuis mag zitten zonder een concreet, openbaar verantwoorde onderwijsplek; maak “kleuters zonder klas” een bestuurlijk onacceptabele uitkomst.
  • Stop met losse programma’s en pilots; bouw een publiek bouwwerk waarin bekostiging, zorgplicht en toezicht samen één doel hebben: aanwezigheid en participatie van alle kinderen.
  • Ga van “verdeelsleutel zorgbudget” naar “publiek tekenbord”: elk kind wordt zichtbaar gemaakt in regionale afspraken, met een gezamenlijke plaatsingsplicht voor kwetsbare kinderen.
  • Organiseer consortia niet als marktcontainer van aanbieders, maar als menselijk netwerk rond scholen en kinderen, met langjarige samenwerking in plaats van wisselende contracten.
  • Stel één publieke norm vast in het team: “Wij laten geen vierjarige thuiszitten omdat ons rooster vol is.” Die norm is geen morele slogan, maar het begin van ander organiseren.
  • Gebruik de beweging van ‘van markt naar mens’ in eigen huis: minder standaardklas als mal, meer school als bouwwerk met kleinere groepen, gedeelde verantwoordelijkheid, inzet van onderwijsassistenten en interne begeleiders in de klas – niet achter het spreadsheet.
  • Zie leerplichtambtenaren als publieke regisseurs, niet als brievenverzenders: zij brengen onderwijs, zorg, ouders en wijkvoorzieningen bij elkaar, vóórdat een kind langer dan een paar weken thuiszit.
  • Richt lokale “kleuter‑tafels” in waar iedere casus met dreigend thuiszitten direct besproken wordt, met beslisruimte aan tafel en budget dat meebeweegt met wat nodig is.
  • Verplaats de focus van diagnoses en trajecten naar dagelijkse routines: hoe ziet een veilige, voorspelbare schooldag eruit voor dit kind, en hoe kunnen we dat samen met de leerkracht realiseren?
  • Werk vanuit de sociale bouwmarkt‑gedachte: hulp dichtbij, begrijpelijk en in samenhang met onderwijs, in plaats van losse trajecten buiten het zicht van de school.
  • Stop met alleen onderhandelen over het individuele dossier, hoe begrijpelijk dat ook is; bundel ervaringen en stel gezamenlijk de vraag: waarom accepteren we dat de leerplicht voor onze kinderen optioneel lijkt?
  • Sluit aan bij bewegingen in het sociaal domein die pleiten voor minder markt en meer mens, en breng het onderwijs daarin nadrukkelijk mee: kinderstemmen, ouders en professionals samen aan de voorkant.

Als we serieus zijn over een beweging van markt naar mens, dan kunnen we dit dossier niet wegzetten als een pijnlijk incident of “complex vraagstuk passend onderwijs”. Dit is een lakmoesproef: een samenleving die niet eens voor haar jongste kinderen een plek in de klas kan garanderen, is haar publieke kompas kwijt.

De vraag is dus niet of kleuters thuis mogen zitten, maar hoever we bereid zijn te gaan om dat ondenkbaar te maken: welke regels we durven schrappen, welke budgetten we anders durven verdelen, en welke verantwoordelijkheid we eindelijk niet meer doorgeven maar vastpakken.

Welke rol in deze keten wil jij zelf als eerste scherper neerzetten: die als gemeentelijke regisseur, als publieke columnist, of als organisator van een nieuwe ouder‑ en professionalbeweging rond “geen kleuter thuis”?