Stel je voor: meneer K., 42 jaar, komt na acht maanden detentie vrij. Door capaciteitsproblemen bij DJI wordt hij vervroegd vrijgelaten. Hij heeft een lange geschiedenis van alcohol- en cocaïneverslaving, schulden, instabiele huisvesting, een licht verstandelijke beperking en moeite met emotieregulatie. Precies de combinatie waarbij je wilt dat het vervolg strak geregeld is.

De rechter heeft niet voor niets een IFZO BW-indicatie afgegeven: forensisch beschermd wonen, met begeleiding, toezicht en behandeling, gericht op stabilisatie en het voorkomen van terugval. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij het Rijk, onder regie van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Maar op het moment dat meneer K. vrijkomt, blijkt er geen enkele IFZO-BW-plek beschikbaar. Reclassering kan hem niet plaatsen. Wat er dan gebeurt, is tekenend voor hoe ons stelsel op cruciale punten kraakt.

Meneer K. verdwijnt niet in een passend forensisch traject, maar in de maatschappelijke opvang van de gemeente. Daar ontbreekt forensische expertise, is de begeleiding minder intensief en is de opvang niet ingericht op de risico’s die bij zijn profiel horen. Zijn gedrag zorgt voor onrust en onveiligheidsgevoelens bij andere bewoners. De opvang doet wat ze kan, maar kan nooit bieden wat het forensische kader beoogt.

En ondertussen betaalt de gemeente de rekening – letterlijk en figuurlijk.

Formeel is de situatie helder:  

  • De rechter heeft een forensische titel afgegeven (IFZO BW).  
  • De uitvoering en bekostiging horen bij de forensische zorg, dus bij het Rijk.  
  • Het doel is bescherming van de samenleving én een veilig en gestructureerd traject voor de cliënt.

In de praktijk ontstaan precies hier de fricties:

  • De gemeente zet geen regulier Wmo-BW-traject in, omdat de forensische indicatie voorliggend is.  
  • Als de gemeente wél BW vanuit de Wmo zou inzetten, ontstaat het risico dat reclassering het forensische kader niet meer prioriteert: “Hij zit toch al veilig in BW?”  
  • Gemeenten draaien dan op voor langdurige BW-kosten voor een cliënt die juridisch en inhoudelijk onder een rijksverantwoordelijkheid valt.  
  • De maatschappelijke opvang wordt noodgedwongen ‘overbruggingsvoorziening’ voor forensische cliënten, zonder dat dit zo is bedoeld of bekostigd.

Meneer K. krijgt daardoor niet de zorg die de rechter passend heeft geacht, de gemeente draait op voor kosten en risico’s, en de maatschappelijke opvang moet problemen opvangen waarvoor ze nooit zijn ingericht.

Dit is geen incident, maar een stelselprobleem.

Interessant wordt het als je deze casus naast twee bestaande kaders legt: de handreiking landelijke toegankelijkheid beschermd wonen en de beslisboom overbruggingszorg en wachtlijstbeheer in de Wlz.

In de handreiking beschermd wonen (BW) worden gemeenten geholpen om landelijke toegankelijkheid in de praktijk te organiseren. Daarin staat onder meer:

  • Gemeenten moeten voorkomen dat mensen tussen wal en schip vallen.  
  • De gemeente van herkomst speelt een centrale rol: die is aan zet voor onderzoek, indicatie en in veel situaties voor bekostiging.  
  • Als iemand een beschikking heeft voor BW, maar moet wachten op een plek (zeker in een andere regio), is de gemeente van herkomst verantwoordelijk voor het borgen van urgente en noodzakelijke ondersteuning in de wachtperiode: overbruggingszorg.  
  • Bij tijdelijk verblijf in een andere regio financiert de gemeente van herkomst het traject in zijn geheel, in afstemming met de gemeente waar de voorziening staat.

Kort samengevat: binnen het Wmo/BW-domein is er tenminste een norm: er móet overbruggingszorg zijn, en de gemeente van herkomst kan daar niet zomaar onderuit.

De beslisboom overbruggingszorg en wachtlijstbeheer in de Wlz gaat nog een stap verder. Daar wordt niet alleen de plicht tot continuïteit benoemd, maar ook de bekostiging expliciet geregeld:

  • Vanaf de ingangsdatum van een Wlz-indicatie vallen zorg én overbruggingszorg onder de Wlz.  
  • Gemeenten mogen ondersteuning vanuit Wmo of Jeugdwet tijdelijk laten doorlopen, maar die periode wordt financieel toegerekend aan de Wlz (met terugwerkende kracht waar nodig).  
  • De bekende “13-wekennorm” is een streeftermijn om tempo te maken, geen harde einddatum: de aanspraak op overbrugging kan langer doorlopen als dat nodig en verantwoord is.  
  • Het doel is helder: geen gaten in de zorg, en geen structurele financiële risico’s bij gemeenten door vertraging in een ander domein.

Met andere woorden:  

In de Wlz is vastgelegd dat als één stelsel verantwoordelijk wordt voor de langdurige zorg, datzelfde stelsel óók de overbruggingsfase moet financieren. Gemeenten mogen praktisch even blijven leveren, maar hoeven de rekening niet blijvend te dragen.

Zet dat nu eens naast de situatie van meneer K.

  • We hebben hier óók een sterke, landelijke titel: IFZO BW. 
  • We hebben óók een helder verantwoordelijke: het Rijk (JenV/DJI/reclassering).  
  • We hebben óók een wachttijdprobleem: geen plek beschikbaar in het forensisch BW.  

Maar wat mist, zijn precies de afspraken die we in de Wlz wél kennen:

  • Er is geen uitgewerkt landelijk kader dat zegt: “Zolang de forensische plek er nog niet is, is het Rijk verantwoordelijk voor passende overbruggingszorg én voor de bekostiging daarvan.”
  • Er is geen heldere normtermijn, geen verplicht wachtlijstbeheer en geen expliciet mechanisme waarin forensische zorg ook de tijdelijke oplossing (bijvoorbeeld via forensische overbruggingsplekken) moet organiseren.  
  • Er is geen structurele verrekenafspraak waarin gemeenten die noodgedwongen tijdelijk moeten inspringen, hun kosten achteraf goedgemaakt krijgen.

Het resultaat:  

  • Reclassering en DJI kunnen wel erkennen dat iemand zorg nodig heeft, maar schuiven de feitelijke verantwoordelijkheid naar voren in de tijd.  
  • Gemeenten en maatschappelijke opvang worden de “achtervang” – zonder extra middelen, zonder passende expertise, zonder dat dit formeel hun taak is.  
  • De cliënt zit klem: hij heeft op papier een forensisch traject, maar ervaart in werkelijkheid een noodvoorziening met minder bescherming en structuur.

Waar de Wlz-beslisboom expliciet zegt: “Overbrugging is onderdeel van de verantwoordelijkheid van het langlopende stelsel”, blijft het bij forensische zorg opvallend stil.

Als je de bestaande handreikingen serieus neemt, zijn er drie lessen die je bijna één op één naar de forensische context kunt vertalen:

Zowel in de Wlz-beslisboom als in de handreiking BW wordt steeds herhaald: voorkomen dat iemand tussen wal en schip valt is vertrekpunt, niet sluitpost. Wachttijd mag nooit betekenen dat iemand zonder passende ondersteuning komt te zitten.

In de Wlz-systematiek is het principe: als het andere stelsel (Wlz) de langdurige verantwoordelijkheid heeft, hoort de overbrugging ook daar thuis. Gemeenten kunnen praktischerwijs even doordraaien, maar krijgen de kosten vergoed of verrekend. Dat voorkomt dat financiële angst het handelen bepaalt.

In de Wmo-handreiking wordt de gemeente van herkomst aangewezen, in de Wlz-beslisboom het zorgkantoor. Dat klinkt technisch, maar het is cruciaal: professionals weten wie ze moeten bellen, wie casusregie pakt en wie de rekening betaalt. Bij forensische zorg ontbreekt zo’n duidelijke lijn.

Als we meneer K. als toetssteen nemen, zou een logisch set uitgangspunten er ongeveer zo uitzien:

  • Zolang een forensische BW-indicatie loopt, blijft het Rijk primair verantwoordelijk voor passende uitvoering én voor de kosten van overbruggingszorg.  
  • Als tijdelijke oplossingen nodig zijn – bijvoorbeeld een plek in een (forensische) tussenvoorziening of tijdelijk verblijf met extra begeleiding – worden die binnen het forensische kader georganiseerd of financieel gecompenseerd naar gemeenten.  
  • Gemeenten houden hun eigen rol: maatschappelijke opvang voor wie echt geen andere route heeft, en Wmo/BW voor niet-forensische trajecten. Maar zij zijn niet de standaard “opvangbuffer” voor rijkswachttijden.  
  • Er komt een expliciete norm (zoals in de Wlz) voor het omgaan met wachttijden, overbrugging en wachtrijbeheer in de forensische zorg, inclusief escalatiemogelijkheden als plaatsing uitblijft.  
  • In complexe situaties wordt één casusregisseur aangewezen die domeinoverstijgend kan werken (forensisch, Wmo, schulden, huisvesting), zodat de cliënt niet telkens opnieuw zijn verhaal hoeft te doen en partijen niet langs elkaar heen blijven werken.

Voor de praktijk zou dat betekenen dat iemand als meneer K. niet maandenlang “tijdelijk” in de opvang belandt, maar ofwel:

  • Rechtstreeks instroomt in IFZO BW, of  
  • Een tijdelijk, forensisch gefinancierd overbruggingsarrangement krijgt dat qua veiligheid, begeleiding en behandeling aansluit bij het bedoelde BW-traject.

In beide gevallen is helder: dit is geen gemeentelijke restpost, maar onderdeel van de uitvoeringsplicht van het forensisch zorgkader.

De casus van meneer K. is ongemakkelijk, maar precies daarom waardevol. Hij laat zien wat er gebeurt als we goede bedoelingen (forensisch beschermd wonen, maatschappelijke veiligheid) niet vertalen naar duidelijke verantwoordelijkheden voor wachttijd en overbrugging.

We hebben in andere domeinen al laten zien dat het wél kan:

  • In het Wmo/BW-domein met landelijke toegankelijkheid en de rol van de gemeente van herkomst.  
  • In de Wlz met expliciete afspraken over doorlopende ondersteuning, overbruggingszorg en bekostiging.

De vraag is dus niet óf we weten hoe het moet, maar wanneer we diezelfde helderheid durven toepassen op de overgang tussen forensische zorg en het sociaal domein – zodat mensen als meneer K. niet langer de prijs betalen voor gaten tussen wetten, systemen en bestuurslagen.