“Tussen beleid en leefwereld” is geen boek dat je na het lezen terugzet in de kast met het geruststellende idee dat het ‘wel goed komt’ met de jeugdzorg. Het is een uitnodiging – en soms een oncomfortabele – om anders te kijken, anders te spreken en vooral anders te handelen in het dagelijks leven van kinderen, jongeren en gezinnen.

Centraal in het boek staat de stelling dat het terugdringen van de jeugdzorg niet vraagt om weer een nieuwe wet, maar om een fundamentele cultuuromslag: weg van reflexmatig opschalen, protocolleren en controleren, naar nabijheid, normaliseren en samenlevingskracht. De auteur laat zien hoe we in goede bedoelingen een doolhof hebben gebouwd van Hervormingsagenda’s, governance‑platen en verordeningen, terwijl aan keukentafels brieven, formulieren en wachtlijsten zich opstapelen.

De kracht van het boek zit in die dubbele blik: scherp op systeemlogica, maar steeds terugtrekkend naar de leefwereld. De leefwereld wordt niet gepresenteerd als ‘feelgood‑decor’, maar als norm waar beleid zich aan heeft te verantwoorden.

In de opening tekent de auteur het beeld van een raadszaal waar over “integrale sturing” en “doorzettingsmacht” wordt gesproken, terwijl een paar kilometer verderop een moeder met drie verschillende brieven over hetzelfde probleem aan de keukentafel zit. Dit contrast – tussen beleidstaal en keukentafeltaal – is de rode draad van het boek.

Hoofdstuk na hoofdstuk wordt die kloof zichtbaar gemaakt:

  • in de “omgekeerde wereld” waarin de zwaarste zorg het best is georganiseerd en de basis in de wijk het meest kwetsbaar is;
  • in de verhalen van thuiszitters met lege stoelen in de klas en een volle vergaderagenda eromheen;
  • in gezinnen die “alles tegelijk” op hun bord hebben en bij wie de woonkamer verandert in vergaderruimte voor instanties.

Het boek fileert de reflex om op elk incident nog een regel of overleglaag te stapelen, en laat zien hoe financiële, juridische en bestuurlijke prikkels steeds opnieuw de verdediging versterken en de aanval verzwakken.

Een sterke kwaliteit is het gebruik van heldere metaforen en casussen. De voetbalmetafoor – een elftal vol verdedigers, zonder spelverdeler en zonder echte aanval – maakt direct invoelbaar hoe het huidige stelsel uit balans is. De lege stoel in de klas als symbool voor thuiszitters, de “administratieve put”, de formulieren zonder vakje: het zijn beelden die blijven plakken en systeemkritiek menselijk maken.

Ook taal wordt ontleed als stille stuurman van het stelsel. Begrippen als “voorveld”, “toegang” en “uithuisplaatsing” blijken meer te zeggen over systeemlogica dan over leefwereldlogica. Het pleidooi om woordkeuzes te kantelen – sociale basis in plaats van voorveld, toegang als begeleide route in plaats van poort – is geen semantisch spelletje, maar een uitnodiging tot ander handelen.

“Tussen beleid en leefwereld” blijft niet steken in analyse. De auteur werkt concrete bouwstenen uit voor een relationeel, scorend jeugdstelsel:

  • Stevige lokale teams als spelverdeler, die niet alleen ‘loket’ zijn maar het spel verdelen tussen sociale basis, generalistische steun en specialistische zorg.
  • Toegang als speelplan, niet als barrièrerace: één gezin, één plan, één contactpersoon, met instrumenten als Richtinggevend Kader Toegang en VIT nadrukkelijk als hulpmiddel in plaats van extra papierlaag.
  • Ervaringskennis als kompas in plaats van decor: cliëntenraden en ervaringsdeskundigen krijgen pas betekenis als hun kennis werkelijk meeweegt in keuzes en niet alleen in panels aan het eind van de dag.

Per hoofdstuk sluit de auteur af met “Wat je morgen al kunt doen”: korte, concrete acties voor professionals, lokale teams en bestuurders. Daarmee wordt het boek ook een werkboek voor praktijk en beleid.[

Het nawoord is misschien wel het scherpste deel van het boek. Geen samenvatting, maar een spiegel: de cultuuromslag begint niet bij Den Haag, maar bij de vraag wat jij morgen anders doet voor één kind, één gezin, één dossier, één overleg. De auteur keert terug naar de dagelijkse micro‑keuzes: een brief begrijpelijker maken, één overleg vervangen door een keukentafelgesprek, vandaag terugbellen in plaats van volgende week, hardop vragen “wat merkt een kind hier komende maand concreet van?” en geen genoegen nemen met een vaag antwoord.

Zo wordt “Tussen beleid en leefwereld” uiteindelijk vooral een moreel en praktisch kompas. Het laat zien hoe je, midden in wetten, convenanten en hervormingsagenda’s, weer langs de lijn van het voetbalveld, aan de keukentafel en in de raadszaal kunt organiseren vanuit één simpele vraag: merken kinderen en ouders er morgen iets van? En zo niet: wat ga jij daaraan doen?